Gedaagden waren getrouwd tijdens de geldlening, waardoor ze hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schuld

Gedaagden zijn getrouwd geweest. In die tijd heeft Eiser geld verstrekt aan beide personen. Het is nu de vraag of dit is gebeurd als een lening of als een gebaar van vriendschap. Oftewel, moeten gedaagden het ontvangen geld terug betalen? Gedaagde 2 heeft een duidelijke schuldbekentenis ondertekend. Hieruit blijkt dat Gedaagde 2 nog een bedrag van €30.000 aan Eiser moet betalen. De vordering op Gedaagde 2 zal dan ook door de rechter worden toegewezen.

Gedaagde 1 heeft geen dergelijke bekentenis getekend. Juridisch kan dan ook niet bepaald worden of Gedaagde 1 de verplichting had om de geldbedragen terug te betalen. Echter waren Gedaagden getrouwd tijdens het verstrekken van de lening. Dit heeft tot gevolg dat beide gedaagden hoofdelijk aanpsrakelijk zijn voor de schuld. De rechter zal de vordering van de eiser op Gedaagde 1 dan ook toewijzen. Gedaagde 1 hoeft de schuld echter alleen af te betalen met het gedeelte wat ze van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft verkregen. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 worden ieder veroordeeld tot betaling van de helft van de proceskosten.

Datum: 28 februari 2017
Rechtbank: Rechtbank Zwolle
Zaaknummer: 4846862 \ CV EXPL 16-1367

Vonnis

in de zaak van

EISER,

wonende te, eisende partij, hierna te noemen Eiser, - gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung van IntoCash,

tegen

1. GEDAAGDE 1,

wonende te,

gedaagde partij, verder te noemen Gedaagde 1.

gemachtigde mr. E.H. Elgersma,

en

2. GEDAAGDE 2,

wonende te,

gedaagde partij, hierna te noemen Gedaagde 2. niet verschenen.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

-   het tussenvonnis van 8 november 2016;

-   de comparitie van partijen van 14 december 2016, blijkens het daarvan opgemaakt proces­verbaal.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1.        De kantonrechter verwijst naar en handhaaft hetgeen bij tussenvonnis is overwogen.

2.2.        Uit het door Gedaagde 1 tijdens de comparitie van partijen overgelegde uittreksel uit de Basisadministratie van de gemeente blijkt dat de echtscheidingsbeschikking d.d. 6 januari 2015 betreffende het huwelijk van Gedaagde 1 en Gedaagde 2 op 23 januari 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, zodat het huwelijk per die datum is geëindigd.

2.3.         Voorts is tussen partijen vast komen te staan dat Eiser tussen 2000 en 2010 op gezette tijden geldbedragen heeft verstrekt aan zowel Gedaagde 2 als Gedaagde 1. De vraag is echter of dit is gebeurd in het kader van één (of meer) leenovereenkomst(en), waarbij Gedaagde 2 en/of Gedaagde 1 (steeds) de verplichting op zich hebben genomen om de door Eiser verstrekte geldbedragen terug te betalen, dan wel of het verstrekken van die geldbedragen moet worden gezien als een gebaar van vriendschap en goedgeefsheid, waarbij afspraken tot terugbetaling vrijblijvend, maar niet juridisch bindend zijn gemaakt, zodat slechts een (of meer) natuurlijk(e) verbintenis(sen) resteert/resteren, zoals benoemd in art. 6:3 lid 2 sub a BW (artikel 3 lid 2 sub a van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek).

2.4.        Uit de stellingen van Eiser kan niet de conclusie worden getrokken dat Eiser tegenover Gedaagde 1 één (of meer) leenovereenkomst(en) heeft gesloten op grond waarvan op Gedaagde 1 de juridisch afdwingbare verplichting is komen te rusten om de geldbedragen die Eiser aan Gedaagde 1 heeft verstrekt terug te betalen.

Dat geldt nog sterker voor de geldbedragen die Eiser aan Gedaagde 2 heeft verstrekt. Uit de stellingen van Eiser, en de toelichting daarop tijdens de comparitie van partijen, kan geenszins de conclusie worden getrokken dat Eiser op enig moment één (of meer) leenovereenkomst(en) met Gedaagde 2 en Gedaagde 1 tezamen heeft gesloten. Gedaagde 1 kan in zoverre dan ook niet als medeschuldenaar worden beschouwd ten aanzien van leenschulden die Gedaagde 2 tegenover Eiser is aangegaan.

2.5.         Eiser spreekt in zijn stellingen wel over (een) leenovereenkomst(en), maar hij heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die onderbouwen dat van leenovereenkomsten (in juridische zin) ook daadwerkelijk sprake is geweest.

Uit de toelichting die Eiser tijdens de comparitie heeft verstrekt blijkt veeleer een grote vrijblijvendheid ten opzichte van de terugbetaling van de bedragen die hij aan Gedaagde 1 (dan wel Gedaagde 2) heeft verstrekt. Het feit dat Eiser geen boekhouding heeft bijgehouden van de vele door hem aan Gedaagde 1 (dan wel Gedaagde 2) verstrekte bedragen, wijst er geenszins op dat er juridisch afdwingbare verbintenissen zijn ontstaan. Dat Eiser het aan Gedaagde 1 heeft overgelaten om de door hem verstrekte bedragen bij te houden, bevestigt de vrijblijvendheid van de terugbetalingsverplichting. Dat geldt in ieder geval tegenover Gedaagde 1.

2.6.        Nu aldus uit de stellingen van Eiser geen juridisch afdwingbare verplichtingen van Gedaagde 1 kunnen worden afgeleid, gaat de kantonrechter er vanuit dat de vrijblijvende afspraken die met Gedaagde 1 over terugbetaling zijn gemaakt (slechts) evenzovele natuurlijke verbintenis(sen) inhouden als genoemd in art. 6:3 lid 2 sub a BW. Deze zijn rechtens niet afdwingbaar.

2.7.         Dat is anders ten opzichte van Gedaagde 2. Eiser heeft gesteld dat hij geld heeft verstrekt aan Gedaagde 2, dat Gedaagde 2 heeft beloofd dat terug te betalen en dat Gedaagde 2 in verband daarmee in het bijzijn van Eiser een schuldbekentenis heeft getekend, waaruit blijkt dat Gedaagde 2 nog een bedrag van € 30.000,00 aan Eiser verschuldigd is. Gedaagde 2 heeft die stellingen onweersproken gelaten. De vordering van Eiser op Gedaagde 2 is dan ook voor toewijzing vatbaar. Gedaagde 2 heeft op het bedrag van € 30.000,00 al bedragen afgelost. Eiser heeft om proceseconomische redenen zijn vordering beperkt tot € 25.000,00. De hoogte van dat bedrag is niet weersproken en derhalve voor toewijzing vatbaar.

2.8.          In de schuldbekentenis van Gedaagde 2 wordt niets verklaard over een schuld van Gedaagde 1 tegenover Eiser. Deze schuldbekentenis doet dan ook niets af aan hetgeen onder 2.4. en 2.5. is overwogen. Dit nog afgezien van hetgeen is bepaald in artikel 159 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over de betekenis van een handtekening tegenover een derde.

2.9.          Dat Gedaagde 2 tijdens de huwelijkse periode tegenover Eiser een schuld heeft doen ontstaan van € 30.000.00. heeft op grond van art. 1:102 BW tot gevolg dat, nu het huwelijk van Gedaagde 2 en Gedaagde 1 is ontbonden, Gedaagde 1 met Gedaagde 2 hoofdelijk aansprakelijk is voor deze schuld, met dien verstande dat voor deze schuld slechts kan worden uitgewonnen hetgeen Gedaagde 1 uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft verkregen. De kantonrechter zal de vordering van Eiser ten opzichte van Gedaagde 1 dan ook in zoverre toewijzen.

2.10.        Het beroep op verjaring, dat Gedaagde 1 niet eerder dan tijdens de comparitie van partijen heeft gedaan, is tardief. Dat de gemachtigde pas op de comparitie van partijen heeft gehoord dat het verstrekken van bedragen door Priest in 2009/2010 is gestopt, hoefde er niet aan in de weg te staan om met betrekking tot de leenovereenkomsten in de daaraan voorafgaande periode reeds eerder een beroep op verjaring te doen.

2.11.        De kantonrechter zal Gedaagde 2 en Gedaagde 1 als de (voornamelijk) in het ongelijk gesteld partij veroordelen in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op een bedrag van € 1.765,08:

€ 94,08 aan explootkosten,

€ 471,00 aan griffierecht,

€ 1.200,00 aan salaris gemachtigde (3 punten a € 400,00 per punt).

De kantonrechter zal de proceskosten tussen beide gedaagde partijen, als gewezen echtelieden, gelijkelijk verdelen als hierna vermeld.

3. De beslissing

De kantonrechter

3.1.  veroordeelt Gedaagde 2 en Gedaagde 1 hoofdelijk, zodat als de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, om aan Eiser tegen deugdelijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 25.000,00, met dien verstande evenwel dat voor deze schuld bij Gedaagde 1 slechts kan worden uitgewonnen hetgeen zij uit hoofde van de verdeling van de huwelijks goederengemeenschap met Gedaagde 2 heeft verkregen (onverminderd de artt 3 -190 lid 1 en 3:191 lid 1 BW);

3.2.        veroordeel Gedaagde 2 tot betaling van de helft van de proceskosten van Eiser te weten € 882,54;

3.3.        veroordeelt Gedaagde 1 tot betaling van de helft van de proceskosten van Eiser te weten € 882,54;

3.4.        verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Koster, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.