Geen ingebrekestelling en wanprestatie, reconventionele claim gedaagde afgewezen

De eiser heeft in opdracht van de gedaagde werkzaamheden verricht. Hiervoor zijn facturen aan de gedaagde gezonden, maar deze zijn nog niet betaald. Er heeft een bespreking plaatsgevonden waarin de gedaagde aangaf dat de uitvoering van de werkzaamheden gebrekkig zou zijn. Ook zou er tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden al geklaagd zijn over de uitvoering. Hierna zou de eiser de mogelijkheid hebben gehad om te herstellen maar dit niet gedaan hebben. De gedaagde meld dus dat de eiser wanprestatie heeft geleverd en dat hij daarom niet hoeft te betalen. De eiser betwist wanprestatie te hebben geleverd. Hij zegt dat de gedaagde nooit geklaagd heeft over de uitvoering van de werkzaamheden. De gedaagde heeft de schade en wanprestatie slecht onderbouwd, terwijl eiser een verklaring heeft van een ex-werknemer van de gedaagde. Hierin staat dat de eiser zijn werkzaamheden goed heeft uitgevoerd. Er is dus niet gebleken dat de gedaagde de tekortkoming aan de eiser heeft gemeld. Nu de gedaagde ook nog niet is verschenen op de comparitie van partijen en dus geen verweer meer heeft gevoerd zal hij de hoofdsom moeten betalen.

Datum: 4 april 2013
Rechtbank: Amsterdam, Afdeling privaatrecht
Zaaknummer: 1372008 CV EXPL 12-24842

Vonnis

Inzake

EISER ,wonende en zaakdoende te, eiser, nader te noemen Eiser

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung (IntoCash)

tegen

de besloten vennootschap GEDAAGDE, tevens h.o.d.n. GEDAAGDE, gevestigd te Amsterdam, gedaagde, nader te noemen Gedaagde,

voorheen gemachtigde: N.D. Groenewoud (op 26 februari 2013 onttrokken)

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

de dagvaarding van 2 augustus 2012 inhoudende de vordering van Eiser met producties;
de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie van Gedaagde met producties.

Daarna is bij tussenvonnis van 22 november 2012 een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen. Op 18 januari 2013 heeft Eiser een conclusie van antwoord in reconventie genomen. De gemachtigde van Gedaagde heeft zich bij brief van 26 februari 2013 onttrokken als gemachtigde.


De zitting heeft op 7 maart 2013 plaatsgevonden. Verschenen zijn Eiser, Eiser, boekhouder van Eiser en zijn gemachtigde. Namens Gedaagde is niemand verschenen, ondanks dat zij behoorlijk is opgeroepen. Eiser heeft zijn vordering nader toegelicht.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde werkzaamheden verricht. Eiser heeft hiervoor facturen aan Gedaagde gezonden. Gedaagde heeft ondanks aanmaning en sommatie het (restant van) de facturen 20110049, 20110051,20110052, 20110053 en 20110054 ten bedrage van in totaal € 4.050,00 niet voldaan.

vordering en verweer in conventie

Eiser vordert dat Gedaagde bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:

€ 4.050,00 aan hoofdsom;
€ 600,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
€ 128,49 aan rente, berekend tot 25 juli 2012;
rente over € 4.050,00 vanaf 25 juli 2012;
de proceskosten van Eiser

Eiser stelt hiertoe dat Gedaagde de facturen zonder protest heeft behouden, maar ondanks aanmaning en sommatie (het restant van) de facturen niet heeft voldaan. Eiser was genoodzaakt om zijn vordering uit handen te geven, waardoor hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. Deze komen voor rekening van Gedaagde.

Gedaagde voert verweer tegen de vordering. Zij voert aan dat zij tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden door Eiser heeft geklaagd over de uitvoering en dat zij hem in de gelegenheid heeft gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Deze zijn vervolgens niet naar tevredenheid van de opdrachtgever uitgevoerd.

Op 2 mei 2012 heeft er tussen partijen een bespreking plaatsgevonden, waarin Gedaagde heeft aangegeven dat de uitvoering van de werkzaamheden gebrekkig was. Bij brief van 8 mei 2012 heeft zij Eiser aansprakelijk gesteld voor de schade die Gedaagde zou lijden door deze gebreken. Haar opdrachtgever, X, heeft bij factuur van 26 september 2012 een bedrag van € 12.000,00 als "te verrekenen kosten project GGZ" in rekening gebracht. Dit betreft de werkzaamheden van Eiser.

Gedaagde voert ten slotte verweer tegen de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

Eiser betwist wanprestatie te hebben geleverd. Gedaagde heeft nimmer geklaagd over de uitvoering van de werkzaamheden en hij is ter zake niet in gebreke gesteld. Ook heeft Gedaagde hem niet in de gelegenheid gesteld tot het verrichten van herstelwerkzaamheden. Eiser betwist uitdrukkelijk de ontvangst van de brief van 8 mei 2012. Gedaagde heeft de gestelde schade en wanprestatie niet onderbouwd, aldus Eiser.

Eiser stelt dat de bespreking op 2 mei 2012 heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de aanmaningsbrieven van (de gemachtigde van) Eiser. Ook tijdens deze bespreking heeft Gedaagde niet aangegeven dat Eiser wanprestatie zou hebben gepleegd.

Eiser heeft ten slotte een verklaring van Y, ex-werknemer van Gedaagde, overgelegd, waarin Y -onder meer- stelt dat Eiser zijn werkzaamheden goed heeft uitgevoerd.

vordering en verweer in reconventie

Gedaagde vordert de overeenkomst tussen partijen (gedeeltelijk) te ontbinden en Gedaagde te ontheffen van enige op haar rustende betalingsverplichting jegens Eiser, met veroordeling van Eiser in de proceskosten.

Aan de vordering legt Gedaagde de wanprestatie van Eiser ten grondslag, op grond waarvan Eiser schadeplichtig is geworden. Eiser is in de gelegenheid gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren. De gebreken kunnen thans niet meer worden hersteld, omdat de projecten inmiddels zijn opgeleverd. De waarde die de prestatie voor de ontvanger heeft gehad is nihil. Immers, de opdracht­gever heeft een bedrag van € 12.000,00 in mindering gebracht op de vergoeding aan Gedaagde.

Eiser voert verweer tegen de vordering en betwist -onder verwijzing naar hetgeen hij heeft aangevoerd in conventie- dat hij wanprestatie heeft gepleegd en dat Gedaagde schade heeft geleden.

Beoordeling in conventie

Ter beoordeling ligt voor of Gedaagde gehouden is (het restant van de) onderhavige facturen aan Eiser te voldoen. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat zij niet gehouden is tot betaling van de facturen omdat Eiser zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet goed is nagekomen nu er gebreken zijn geconstateerd aan de uitgevoerde werkzaamheden. Eiser heeft betwist dat Gedaagde hem heeft aangesproken op gebreken in de nakoming van de overeenkomst. Bovendien ontkent hij dat van wanprestatie sprake is.

Voorop gesteld dient te worden dat art 6:89 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat een schuldeiser binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar te dier zake moet protesteren. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de ratio van deze bepaling is dat de schuldenaar erop mag rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat, indien dit niet het geval blijkt te zijn, de schuldeiser dit, eveneens met spoed, aan de schuldenaar meedeelt. De schuldeiser moet (ten minste) mededelen dat de prestatie ondeugdelijk is. Voor zover mogelijk moet hij de schuldenaar tevens informeren over de aard en omvang van de tekortkoming.

Niet gebleken is dat Gedaagde de eventuele tekortkoming aan Eiser heeft gemeld. Daarbij komt dat Eiser uitdrukkelijk de ontvangst van de brief van 8 mei 2012 van Gedaagde heeft betwist en betwist in de gelegenheid te zijn gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Uit de door Gedaagde bij repliek overgelegde factuur van haar opdrachtgever blijkt niet dat het te verrekenen bedrag van € 12.000,00 het gevolg is van door Eiser geleverde wanprestatie. Nu Gedaagde niet is verschenen op de compari­tie van partijen en derhalve geen verweer meer heeft gevoerd tegen de (nadere) stel­lingen van Eiser, oordeelt de kantonrechter dat Gedaagde haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd.

Gelet op het vorenstaande was Gedaagde niet gerechtigd de betaling van het (restant) van de onderhavige facturen op te schorten. De gevorderde hoofdsom zal dan ook worden toegewezen.

Nu Gedaagde in verzuim was, is zij gehouden de gevorderde wettelijke rente te voldoen. Deze zal eveneens worden toegewezen.

Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. De gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 600,00 zijn toewijsbaar. Nu Gedaagde voor 1 juli 2012, dat wil zeggen vóór invoering van de Wet Normering Buitengerechtelijke Kosten, in verzuim is gekomen, acht de kanton­rechter dit bedrag op grond van het rapport Voorwerk II redelijk.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt Gedaagde veroordeeld in de proceskosten.

in reconventie

De reconventionele vordering is gegrond op de stelling dat Eiser tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis. Zoals hiervoor in conventie is over­wogen en thans in reconventie wordt overgenomen, is niet komen vast te staan dat Eiser tekort is geschoten.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering van Gedaagde worden afgewezen.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze worden aan de zijde van Eiser begroot op € 100,00, waarbij in aanmerking wordt genomen dat de reconventionele vordering overwegend uit het verweer in conventie voortvloeit en daarom halvering plaatsvindt van het aantal daarvoor volgens het liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven toe te kennen punten.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van:

€ 4.050,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2012 tot aan de voldoening;
€ 600,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
€ 128,49 aan rente, berekend tot 25 juli 2012;
veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van Eiser, tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 207,00
-kosten dagvaarding: € 86,17
-salaris gemachtigde: € 400,00

totaal: € 693,17

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW;

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding aan de zijde van Eiser gevallen, tot heden begroot op € 100,00 aan salaris van de gemachtigde;

in conventie en reconventie

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. T.M.A. van Löben Seis, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.