Geen instemming verhuurder met overname huurderschap, huurcontract ontbonden

Een huurder is al meerdere malen niet in staat geweest om op tijd z'n volledige huur te betalen. De verhuurder wil dan ook de huurovereenkomst ontbinden. De huurder zegt dat hij geen hoofdbewoner van het pand is en dat hij aan de verhuurder gevraagd heeft de huurovereenkomst op de naam van huurder 2 te zetten. Huurder 2 bevestigd dit, en stelt dat er gebreken zijn aan de woning. Huurder 1 en 2 kunnen hun stellingen echter niet onderbouwen. De huurachterstand is daarom genoeg reden voor de kantonrechter om de huurovereenkomst te ontbinden en het gehuurde te laten ontruimen.

Datum: 4 februari 2013
Rechtbank: 's-Gravenhage. Sector kanton, locatie 's-Gravenhage
Zaaknummer: 1191769 RL EXPL 12-20617

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonende te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde sub 1., wonende te, gedaagde partij, procederende in persoon,
Gedaagde sub 2. wonende te, gedaagde partij, procederende in persoon,
Gedaagde sub 3. wonende te, gedaagde partij, niet verschenen.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" enerzijds en "Gedaagde sub 1., Gedaagde sub 2. en Gedaagde sub 3." anderzijds.

Procedure

de dagvaarding met producties van 31 juli 2012; de conclusie van antwoord van Gedaagde sub 1.;
de conclusie van antwoord van Gedaagde sub 2.;
de brieven van Gedaagde sub 2. en Gedaagde sub 1. binnengekomen op 9 januari 2013;
op 10 januari 2013 is een comparitie van partijen gehouden, waarbij zijdens eiser zijn verschenen Eiser en zijn gemachtigde, gedaagden zijn hoewel behoorlijk opgeroepen niet verschenen.

Gedaagde sub 3. is niet bij antwoord verschenen, zodat tegen deze gedaagde verstek wordt verleend.

Feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

Tussen Eiser en Gedaagde sub 1. bestaat een huurovereenkomst betreffende de onroerende zaak aan de. Op de huurovereenkomst zijn de door Eiser gehanteerde voorwaarden van toepassing.

Ingevolge die huurovereenkomst is Gedaagde sub 1. verplicht maandelijks bij vooruitbetaling aan Eiser ter zake van huur te betalen een bedrag van laatstelijk € 400,-.

Gedaagde sub 1. heeft, ook na aanmaning daartoe, de verschuldigde huur niet tijdig en volledig betaald.

De door Eiser ingeschakelde incassogemachtigde heeft Gedaagde sub 1. tot betaling gesommeerd.

Vordering

Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

a. de ontbinding van de huurovereenkomst;

b. veroordeling van Gedaagde sub 1., Gedaagde sub 2. en Gedaagde sub 3. tot:

-ontruiming van het gehuurde;
-betaling van een bedrag van € 11.900,- (huur t/m januari 2013);
-betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 700,-;
-betaling van een bedrag van € 400,- voor elke ingegane maand vanaf 1 februari 2013 tot de ontruiming;
-betaling van de wettelijke rente, tot 26 juli 2012 ad € 346,10;
-(overige) rente en kosten rechtens.

Eiser legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede de navolgende stellingen.

Gedaagde sub 1. is bij herhaling in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van de huur en is derhalve de hoofdverplichting als huurder niet nagekomen. Eiser heeft recht en belang op grond van deze ernstige tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde te vorderen.

Aangezien Gedaagde sub 1. in gebreke bleef de verschuldigde bedragen te voldoen heeft Eiser de vordering ter incasso uit handen gegeven. De door de gemachtigde van Eiser verrichte werkzaamheden hebben meer omvat dan de werkzaamheden die nodig zijn voor de voorbereiding en het voeren van deze procedure. De aan die werkzaamheden verbonden kosten belopen de som van € 700,- ex BTW. Op grond van de toepasselijke voorwaarden dan wel de wet is Gedaagde sub 1. gehouden deze kosten aan Eiser te vergoeden.

Eiser maakt aanspraak op de wettelijke rente. Tot 26 juli 2012 heeft Eiser die rente becijferd op een bedrag van € 346,10. Op grond van de toepasselijke voorwaarden dan wel de wet is Gedaagde sub 1. gehouden deze rente aan Eiser te vergoeden.

Tot en met de maand januari 2013 becijfert Eiser de huurbetalingsachterstand van Gedaagde sub 1. op een bedrag van € 11.900,-.

Verweer

Gedaagde sub 1.

Gedaagde sub 1. verweert zich tegen de vordering en voert daartoe -zakelijk weergegeven- het navolgende aan. Gedaagde sub 1. stelt dat zij sinds 1 januari 2012 geen hoofdbewoner meer is en dat zij Eiser heeft verzocht de huurovereenkomst op naam van gedaagde sub 2., Gedaagde sub 2., te zetten. Voorts zou er sprake zijn van gebreken aan de woning.

Gedaagde sub 2.

Gedaagde sub 2. stelt dat hij de huur heeft overgenomen van Gedaagde sub 1. en Eiser daar van op de hoogte heeft gesteld. Ook stelt Gedaagde sub 2. dat er sprake is van gebreken aan het gehuurde.

Beoordeling

De kantonrechter overweegt dat Eiser gemotiveerd heeft weersproken dat Gedaagde sub 1. de huurovereenkomst heeft opgezegd, alsmede dat hij heeft ingestemd met het huurderschap van Gedaagde sub 2.. Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. hebben nagelaten hun stellingen op enigerlei wijze te onderbouwen, zodat deze gelet op de gemotiveerde betwisting door Eiser als onvoldoende onderbouwd worden verworpen.

Voormelde huurachterstand rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.

Tegen de gevorderde vergoedingen voor rente en buitengerechtelijke kosten hebben Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. geen zelfstandig verweer gevoerd. Deze vorderingen zijn daarom als op de wet gegrond toewijsbaar.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Beslissing

De kantonrechter

ontbindt de tussen Eiser en Gedaagde sub 1. bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde staande en gelegen aan;

veroordeelt Gedaagde sub 1., Gedaagde sub 2. en Gedaagde sub 3. voormeld gehuurde binnen 21 dagen na datum van dit vonnis met al wie en al wat zich daarin van de zijde van gedaagden mocht bevinden te ontruimen en te verlaten en, met afgifte van de sleutels, ter vrije en algehele beschikking van Eiser te stellen;

veroordeelt Gedaagde sub 1. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 11.900,- en voorts voor elke ingegane maand vanaf 1 februari 2013 tot een ontruiming een bedrag van € 400,-, met de wettelijke rente berekend tot 26 juli 2012 ad € 346,10 vermeerderd met de wettelijke rente over € 11.900,-- vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van de voldoening;

Gedaagde sub 1., Gedaagde sub 2. en Gedaagde sub 3. hoofdelijk - des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd - tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 700,- ex BTW;

veroordeelt Gedaagde sub 1., Gedaagde sub 2. en Gedaagde sub 3. hoofdelijk in de kosten van de procedure, tot hiertoe aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 922,63, waaronder begrepen een bedrag van € 600,-- als het aan de gemachtigde van Eiser toekomende salaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.J. Sleeswijk Visser-de Boer, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 februari 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.