Geen ondeugdelijke levering: eiser niet in gebreke gesteld

X B.V. heeft een aantal producten aan gedaagde geleverd. Deze vordering is vervolgens overgedragen aan Eiser. Ondanks de sommaties die eiser hierover heeft gestuurd is het bedrag niet door gedaagde betaald. Volgens de gedaagde heeft X B.V. een aantal klachten over de levering niet verholpen. Volgens gedaagde is B.V. X dus in gebreke gebleven bij het verhelpen van de klacht.  Eiser reageert hierop met dat de eerste klachten pas zijn gemaakt na het faillissement van X. X is dan ook nimmer in gebreke gesteld. Ook betwist eiser dat er wat mis zou zijn geweest met de levering. Het verweer wordt verder ook onvoldoende onderbouwd, waardoor de vordering wordt toegewezen.

Datum: 28 juni 2006
Rechtbank: Zwolle - Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad
Zaaknummer: 312081 CV 06-4454

Vonnis

in de zaak van

Eiser,

wonende te, eisende partij,

gemachtigde: drs. AJ.C. Jonker, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam

tegen

de besloten vennootschap Gedaagde,

gevestigd te, gedaagde partij,

vertegenwoordigd door dhr. CJ.L. Hendriks, directeur.

 

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

de dagvaarding d.d. 14 maart 2006
het antwoord van de gedaagde partij
de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

1. Eiser vordert veroordeling van gedaagde tot betaling van een bedrag van € 366,66 in hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 2 juni 2004 en met €81,- aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Eiser voert daartoe aan dat X B.V. aan gedaagde producten heeft geleverd, waarvoor gedaagde op 19 mei 2004 is gefactureerd voor een bedrag van € 366,66.

Die vordering is overgedragen aan eiser.

Ondanks herhaalde sommaties heeft gedaagde niet betaald.

2. Gedaagde heeft verweer gevoerd.

Volgens gedaagde is X in gebreke gebleven bij het verhelpen van een klacht over een eerdere levering. Het toen geleverde frame bleek van slechte kwaliteit.

3. Eiser heeft naar aanleiding van het verweer van gedaagde opgemerkt dat van de klacht over die eerdere levering eerst melding is gemaakt na het faillissement van X. X is terzake een beweerdelijke tekortkoming bij die eerdere levering nimmer ook nimmer in gebreke gesteld. Voorts betwist eiser dat van een ondeugdelijke levering sprake zou zijn geweest.

De beoordeling

4. Gedaagde heeft op zichzelf niet betwist dat zij de factuur waarvan in deze procedure de betaling wordt gevorderd verschuldigd is. Zij dient die factuur dan te betalen, tenzij zij terecht een beroep kan doen op een opschortingsbevoegdheid, dan wel op verrekening. Een dergelijk beroep dient uitdrukkelijk en onderbouwd gedaan te worden. Uit de stellingen van gedaagde kan de kantonrechter een dergelijk uitdrukkelijk beroep niet afleiden.

Gedaagde stelt wel dat een eerdere levering niet deugdelijk zou zijn geweest en stelt ook nog dat de kosten in verband daarmee voor haar zijn opgelopen tot een bedrag van € 2.200,--, maar uit die stellingen wordt het verweer van gedaagde niet ondubbelzinnig duidelijk; is zij van mening dat zij haar betaling van de onderhavige factuur kan opschorten totdat de eerdere levering alsnog in orde is gemaakt, of meent zij dat zij een tegenvordering heeft op X die met de onderhavige factuur verrekend kan worden?

Nu een en ander uit het verweer van gedaagde onvoldoende uit de verf komt, dient de vordering toegewezen te worden.

5. De kantonrechter laat dan nog daar dat gedaagde niet heeft gereageerd op de stelling van eiser dat X terzake de beweerdelijke tekortkoming nimmer in gebreke is gesteld. Voorts kan daarmee in deze procedure de vraag of de eerdere levering inderdaad wel ondeugdelijk was in het midden blijven, evenals de vraag of gedaagde inderdaad schade heeft geleden als gevolg van die ondeugdelijke levering.

6. De nevenvorderingen uit hoofde van rente en buitengerechtelijke kosten zijn als niet afzonderlijk weersproken en overigens genoegzaam gesteld, eveneens toewijsbaar.

7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde worden veroordeeld in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde tegen bewijs van kwijting aan eiser te betalen een bedrag van € 447,66, vermeerderd met de wettelijke rente over € 366,66 vanaf 2 juni 2004 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van eiser begroot op:

€ 120,- voor salaris gemachtigde

€ 84,87 voor explootkosten

€ 90,- voor vastrecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mr. O.E. Mulder, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 28 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.