Geen verrekening beweerdelijke schade

Er zijn door de eiser administratieve werkzaamheden verricht voor de gedaagden. Gedaagden hebben hier echter nog niet voor betaald. Gedaagden erkennen dat zij een overeenkomst hebben gesloten voor de werkzaamheden. Gedaagden voeren daarbij aan dat ze door de eenzijdige opzegging van de overeenkomst schade hebben geleden. Zij hebben namelijk een derde moeten inschakelen om de werkzaamheden af te maken. Toch hebben ze deze stelling niet kunnen onderbouwen met concrete feiten of bewijstukken. Het is dus ook niet mogelijk voor gedaagden om zich te beroepen op enige verrekening van de geleden schade. De  hoofdsom wordt dan ook toegewezen.

Datum: 23 juni 2010
Rechtbank: Zwolle - Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad
Zaaknummer: 485531 CV 10-1335

Vonnis

in de zaak van:

EISER, wonende te, eisende partij, hierna te noemen Eiser,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung werkzaam bij IntoCash te Rotterdam,

tegen

1.GEDAAGDE,

wonende te , gedaagde sub 1, hierna te noemen Gedaagde, gemachtigde ,

2.GEDAAGDE,

wonende te , gedaagde sub 2,

hierna te noemen Gedaagde, procederend in persoon,

gezamenlijk te noemen Gedaagden cs.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van: de dagvaarding

het antwoord van de gedaagde partij de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

Eiser vordert Gedaagden cs. hoofdelijk, des, dat de één betalende, de ander zal zijn bevrijd, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 3.695,55 aan hoofdsom, € 25,1 laan wettelijke rente tot 16 december 2009, € 535,50 aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten. Voorts vordert Eiser de wettelijke rente over € 3.695,55 vanaf 16 december 2009 tot de dag der algehele voldoening.

Eiser legt het navolgende aan zijn vordering ten grondslag. Tussen partijen is op 26 mei 2008 een dienstenovereenkomst gesloten op grond waarvan Eiser in opdracht en voor rekening van Gedaagden cs. diensten heeft verleend waaronder het verrichten van administratieve prestaties alsook het verstrekken van adviezen. Eiser heeft de tussen partijen gesloten overeenkomst bij brief van 22 september 2009 opgezegd en een eindafrekening opgemaakt. Gedaagden cs. zijn in gebreke gebleven met de betaling van de eindafrekening.

Gedaagden cs. erkennen dat zij een overeenkomst hebben gesloten met Eiser ter zake het verrichten van diensten door Eiser. Gedaagden cs. voeren echter aan dat zij door de eenzijdige opzegging van de overeenkomst door Eiser schade hebben geleden, omdat de reeds betaalde uren inzake de belastingkwestie als weggegooid geld gekwalificeerd dienen te worden en zij een derde hebben moeten inschakelen om het beleid voort te zetten. Voorts voeren Gedaagden cs. aan dat de hoogte van de eindafrekening, zoals die door Eiser is opgesteld niet juist is, omdat zij reeds per kas € 4.024,98 hebben voldaan en Eiser nog € 980,89 aan hen dient te voldoen in verband met een aan hem geleverde computer en het overzetten van data op de nieuwe computer. Eiser stelt niet Btw-plichtig te zijn echter in de overeenkomst gaat Eiser uit van € 25,00 ex BTW, aldus Gedaagden cs.

Partijen hebben hun standpunten bij conclusie van repliek en conclusie van dupliek nader toegelicht, voor zover van belang, zal in het navolgende daarop worden ingegaan.

De beoordeling

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. Tussen partijen is op 26 mei 2008 een schriftelijke overeenkomst gesloten voor het door Eiser aan Gedaagden cs. leveren van administratieve prestaties en het geven van adviezen. Het uurtarief bedraagt € 25,00 exclusief BTW. Uit de overeenkomst blijkt voorts dat per eerste van iedere maand vanaf 1 juli 2008 € 325,00 per kas dient te worden betaald door Gedaagden cs. aan Eiser welk bedrag steeds in mindering dient te worden gebracht op het startsaldo en het uurtarief.

b. In de overeenkomst is onder 3 onder andere opgenomen: "(..) het staat partijen vrij zonder verdere aansprakelijkheid de overeenkomst op ieder moment te beëindigen. Echter partij Gedaagde/Gedaagde verplicht zich onverkort om te allen tijde zich aan de betalingsovereenkomst te houden en ziet af van rechten op grond waarvan non­betaling, betalingsvertraging en/of een betalingskorting zou kunnen plaats vinden. "

c. Per 1 januari 2009 staat er een bedrag van € 6.250,00 open aan facturen.

d. Eiser heeft de overeenkomst tussen partijen per 22 september 2009 opgezegd.

e. Bij brief van 22 september 2009 heeft Eiser aan Gedaagden cs. een eindafrekening gestuurd ten bedrage van € 3.695,55.

f. Bij e-mail van 14 oktober 2009 hebben Gedaagden cs. onder andere geschreven: "(..) Inmiddels is duidelijk geworden dat u in uw beleid m.b.t. de gang naar de belastingrechter, waarop wij vertrouwden gezien de door u geclaimde deskundigheid en ervaring, u ernstige bewijsbare fouten heeft gemaakt. Ook daarom zullen wij onder geen enkele voorwaarde overgaan tot betaling van de door u geclaimde nota. (..) "

De kantonrechter stelt voorop dat Gedaagden cs. hebben erkend dat zij de eindafrekening d.d. 22 september 2009 ad € 3.695,55, welke Eiser aan hen heeft gestuurd, niet hebben voldaan. Wel hebben Gedaagden cs. de hoogte van de eindafrekening betwist. Voorts beroepen Gedaagden cs. zich, voor het door hen erkende openstaande deel van de eindafrekening, zo begrijpt de kantonrechter, op verrekening met de door hen gestelde geleden schade

Gedaagden cs. hebben hun stelling, dat zij door de eenzijdige opzegging en het feit dat Eiser per direct is gestopt met het uitvoeren van de overeengekomen werkzaamheden ernstige schade hebben geleden, niet onderbouwd met concrete feiten noch aangetoond met bewijsstukken. Zo hebben Gedaagden cs. niet aangetoond dat zij de compensabele verliezen daadwerkelijk niet hebben verkregen en dat het niet verkrijgen van deze verliezen het gevolg is van het feit dat Eiser op 22 september 2009 per direct de overeenkomst tussen partijen heeft opgezegd. Verder hebben Gedaagden cs. noch onderbouwd noch aangetoond dat de reeds door hen betaalde uren voor de werkzaamheden die Eiser de afgelopen jaren heeft uitgevoerd inzake de kwestie over de compensabele verliezen "weggegooid geld" is, enkel en alleen door het feit dat hij per 22 september 2009 per direct zijn werkzaamheden heeft beëindigd. Ook hebben Gedaagden cs. in het geheel niet aangetoond dat zij extra kosten hebben gemaakt doordat zij een derde hebben moeten inschakelen. Bovendien maakt de kantonrechter uit de door Eiser - bij dagvaarding - overgelegde overeenkomst op dat partijen zijn overeengekomen dat de overeenkomst per direct beëindigd kan worden. Het enkele feit dat Eiser de overeenkomst tussen partijen per direct heeft beëindigd kan derhalve niet tot schadevergoeding leiden. Vorenstaande betekent dat Gedaagden cs. zich dan ook ten onrechte beroepen op verrekening van de nog openstaande eindafrekening met de door hen gestelde geleden schade.

Vast staat dat per 1 januari 2009 Gedaagden cs. nog een bedrag van € 6.250,00 hadden openstaan bij Eiser. Ook staat vast dat Eiser over de periode januari 2009 tot en met 20 september 2009 55 uur a € 25,00 per uur aan werkzaamheden heeft verricht voor Gedaagden cs. Gedaagden cs. hebben onweersproken aangevoerd, dat zij over de periode januari 2009 tot en met augustus 2009 per kas een bedrag van € 4.024,98 aan Eiser hebben voldaan. Dit staat daarom vast. Voorts hebben Gedaagden cs., bij conclusie van dupliek, het door Eiser gestelde, dat de door Gedaagden cs. aangevoerde kosten voor de geleverde computer reeds zijn meegenomen in de door hem opgemaakte eindafrekening, onweersproken gelaten. De kantonrechter houdt het er dan ook voor dat deze kosten reeds zijn verwerkt in de eindafrekening zoals die door Eiser is opgesteld. Verder hebben Gedaagden cs. het door hen aangevoerde dat zij nog € 450,00 van Eiser tegoed hebben voor het installeren van de computer en het overzetten van de data van de oude computer naar de nieuwe computer onvoldoende onderbouwd met concrete feiten en, zo mogelijk, aangetoond met bewijsstukken, terwijl dit wel op hun weg had gelegen nu Eiser heeft betwist dat deze werkzaamheden hebben plaatsgevonden. Dit gebrek aan onderbouwing is reden om Gedaagden cs. niet in de gelegenheid te stellen om (alsnog) bewijs te leveren van hun stelling. Overigens hebben Gedaagden cs. ook geen tegen op dit punt toegespitst bewijs aangeboden. Gelet op vorenstaande moet worden geoordeeld dat Eiser bij het einde van de overeenkomst nog € 3.600,02 tegoed had van Gedaagden cs.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen wijst de kanotrechter de vordering van de hoofdsom toe tot een bedrag van € 3.600,02.

Gedaagden cs. hebben de gevorderde wettelijke rente niet betwist. De gevorderde wettelijke rente wordt dan ook toegewezen vanaf de vervaldatum van factuur van de eindafrekening over de toegewezen hoofdsom.

Eiser heeft een bedrag aan buitengerechtelijke (incasso)kosten gevorderd. De kantonrechter hanteert het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen van de incassogemachtigde die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Nu Eiser niet voldoende heeft gesteld en onderbouwd met bewijsstukken dat de bedongen kosten daadwerkelijk op die wijze zijn gemaakt, zal de kantonrechter deze vordering afwijzen.

Hetgeen partijen overigens nog naar voren hebben gebracht kan niet tot een ander oordeel leiden en wordt daarom niet besproken.

Gedaagden cs. worden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Eiser.

Ten overvloede

Hoewel Gedaagden cs. niet voldoende duidelijk een reconventionele eis hebben ingesteld en Eiser kennelijk hun eis declaraties te geven ook niet zo heeft opgevat, overweegt de kantonrechter, ten overvloede, op dit punt het volgende. Gedaagden cs. zouden niet ontvankelijk verklaard moeten worden in hun vordering een factuur te verstrekken voor door Eiser voor E.C. Heckman verrichte werkzaamheden, omdat die vordering, behorende tot de nalatenschap van voornoemde Heckman, niet door hen als tegenvordering in deze procedure, die niet de nalatenschap betreft kan worden ingesteld (zie artikel 136 Wetboek Burgerlijke Rechtvordering).

Omdat, zoals uit punt 14 volgt geen sprake is van een eis, zal deze beslissing niet in "De beslissing" worden vermeld.

De door Gedaagden cs. gewenste afgifte door Eiser van een factuur voor € 17.375,00 aan henzelf kan niet worden toegewezen, omdat Eiser bestreden heeft dat hij voor dit bedrag heeft gewerkt en ook dat hij dit bedrag voor zijn werkzaamheden heeft ontvangen. Gedaagden cs. hebben hun stelling onvoldoende onderbouwd. Alleen al hierom zou die vordering moeten worden afgewezen.

Nu Gedaagden cs. niet voldoende duidelijk een reconventionele eis hebben ingesteld en de kantonrechter slechts ten overvloede hetgeen hierboven is vermeld heeft overwogen is er geen reden voor een kosten veroordeling van Gedaagden cs. Gedaagden cs. zullen derhalve niet in de proceskosten worden veroordeeld met betrekking tot de reconventionele eis.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde en Gedaagde hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om te betalen aan Eiser:

€ 3.600,02 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de factuur van de eindafrekening tot aan de dag der voldoening

veroordeelt Gedaagde en Gedaagde hoofdelijk, des de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op:

- € 400,00 voor salaris gemachtigde

- € 87,93 voor explootkosten

- € 208,00 voor vastrecht;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.T.M. Schoevaars, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 23 juni 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.