Geen wanprestatie: 3x hogere tegenclaim gedaagde afgewezen

De eiser in deze zaak heeft aan de gedaagde een vijftal facturen verstuurd voor de werkzaamheden die hij heeft verricht voor een aantal projecten. Gedaagde heeft deze facturen ontvangen, maar slechts voor een klein deel betaald. Eiser vordert nu de rest van het bedrag, incassokosten, wettelijke rente en proceskosten. Eiser voert aan dat er een overeenkomst van opdracht is en gedaagde dus verplicht is om het openstaande factuurbedrag aan hem te voldoen. Gedaagde reageert hierop dat er schade is ontstaan bij de werkzaamheden van de eiser, en stelt eiser dan ook aansprakelijk voor deze schade. Eiser reageert hier weer op en voert aan dat de werkzaamheden conform de opdracht zijn uitgevoerd en dat gedaagde hem nooit heeft aangesproken op de kwaliteit van het werk. Eiser is dus nooit in gebreke gesteld. De rechter kijkt eerst of er sprake is van wanprestatie. Hiervoor moet er gekeken worden of de nakoming van de overeenkomst door Eiser geheel of gedeeltelijk onmogelijk is. De rechter oordeelt dat de nakoming van de overeenkomst onmogelijk is geworden nu de projecten al zijn opgeleverd. Daarbij heeft Gedaagde niet duidelijk aan de Eiser vermeld dat zij verlangt dat Eiser de overeenkomst moest nakomen. Er is voor gedaagde dus geen reden om niet aan haar betalingsverplichting te voldoen. Alle gevorderde bedragen worden toegewezen.

Datum: 6 maart 2013
Rechtbank: Amsterdam, Afdeling privaatrecht
Zaaknummer: 1372330 \ HA EXPL 12-1105

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, tevens handelend onder de naam EISER, wonende te, eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

de besloten vennootschap Gedaagde, tevens handelend onder de naam Gedaagde, gevestigd te, gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. N.D. Groenewoud.

Partijen zullen hierna Eiser en Gedaagde genoemd worden.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

de dagvaarding van 2 augustus 2012 inhoudende de vordering van Eiser, met producties;
de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van Gedaagde, met producties.

Ingevolge tussenvonnis van 7 november 2012 heeft op 9 januari 2013 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan met de daarin vermelde stukken, bevindt zich bij de stukken. Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden in conventie en in reconventie

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan tussen partijen de volgende feiten en omstandigheden vast:

Eiser heeft samen met X (hierna: X) over de periode november 2011 tot en met januari 2012 in opdracht van Gedaagde diverse werkzaamheden verricht voor Y (hierna: Y) op de projecten A en B, waarvoor een vijftal facturen zijn verstuurd.

Gedaagde heeft deze facturen ontvangen. Op de factuur met nummer 0000000017 gedateerd 6 januari 2012 ten bedrage van € 1.000,- is een bedrag van € 696,12 verrekend met Gedaagde. Het restant van deze factuur bedraagt aldus € 303,88. De (rest van de) facturen zijn geheel onbetaald gebleven.

Gedaagde heeft in maart 2012 Z (hierna: Z) ingeschakeld om herstelwerkzaamheden uit te voeren aan de door Eiser uitgevoerde werkzaamheden.

Eiser heeft in april 2012 een tweetal aanmaningen verstuurd naar Gedaagde.

Per brief van 25 april 2012 heeft de vader van X, C (hierna: C) onder meer het volgende geschreven aan D, de directeur van Gedaagde (hierna: D):

[…] Over de telefoon maakten wij, gisteren 24 april 2012, een afspraak om op
woensdag 2 mei a.s. om 14.30 uur, bij u op kantoor, de vorderingen van Eiser en X op uw bedrijf te bespreken.[...]

Op 2 mei 2012 heeft er een bespreking plaatsgevonden tussen D, X en C.

Bij aangetekende brief van 2 mei 2012 heeft C onder andere het volgende geschreven aan D:

[...] Na u drie maal, te weten op 27 maart, 2 april en 17 april 2012, schriftelijk aan de vordering van Eiser te hebben herinnerd, en nadat ook de bespreking op 2 mei 2012 niet tot 'n oplossing heeft geleid, stelt hij u hierbij in gebreke en geeft hij de vordering, vermeerderd met de kosten van de herinneringen en alle verder te maken in en buitengerechtelijke invorderingskosten, per heden uit handen aan incassobureau IntoCash [...]

Per brief van 8 mei 2012 heeft D aan Eiser en X onder meer het volgende geschreven:

[...] Naar aanleiding van ons gesprek van jl d.d. 2 mei 2012 in verband met uw werkzaamheden, die uitgevoerd zijn door uw beiden te in zorgcentra, stelt de Gedaagde U aansprakelijk voor de geleden schade, die is veroorzaakt door het niet vakkundig aanbrengen van plaat en hout materiaal en metal stut bevestigingen.

U als ondernemer heeft de opdracht gekregen voor de montage van diverse werkzaamheden, die niet deugdelijk zijn gemonteerd en dan ook uw verantwoordelijkheid valt, omdat deze opdracht aan u is uitbesteed. Gedaagde zal u zodra onze opdrachtgever de kosten heeft geraamd, deze doorbelasten. [...]

De incassogemachtigde van Eiser heeft in de maanden mei 2012 en juni 2012 meerdere aanmaningen verstuurd aan Gedaagde, deze hebben niet tot betaling van de openstaande facturen door Gedaagde geleid. In totaal is een bedrag van € 4.333,20 onbetaald gebleven.

Per brief van 26 september 2012 heeft Y onder meer het volgende aan Gedaagde geschreven:

[...] Hierbij brengen wij u het volgende in rekening.

- Te verrekenen kosten project A € 12.000,00

Vordering en verweer in conventie

Eiser vordert dat Gedaagde bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

€ 4.333.20 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

€ 600,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

€ 140,93 aan wettelijke rente over de hoofdsom, berekend vanaf de vervaldatum van de facturen tot 25 juli 2012;

de proceskosten.

Eiser legt hieraan - kort gezegd - ten grondslag dat Gedaagde uit hoofde van de tussen Eiser en Gedaagde tot stand gekomen overeenkomst van opdracht verplicht is het openstaande factuurbedrag van € 4.333,20 aan hem te voldoen. Gedaagde heeft de facturen ontvangen en zonder protest behouden. Eiser maakt, nu betaling door Gedaagde ondanks sommaties is uitgebleven, tevens aanspraak op de gevorderde rente en kosten, aldus steeds Eiser.

Gedaagde voert verweer tegen de vordering van Eiser. Zij voert daartoe aan dat zij, anders dan door Eiser wordt gesteld, de facturen van Eiser niet zonder protest heeft behouden. Bij brief van 8 mei 2012 heeft zij Eiser immers aansprakelijk gesteld voor de schade welke Gedaagde zal lijden vanwege de gebreken in de door Eiser uitgevoerde werkzaamheden. Uit de brief van 26 september 2012 van Y volgt dat door Y een bedrag van € 12.000,- wordt verhaald op Gedaagde. Dit bedrag wordt door A niet aan Y voldaan wegens gebreken in de uitgevoerde werkzaamheden. Nu dit werkzaamheden van Eiser en van X betreft en er sprake is van wanprestatie aan de zijde van Eiser, is Gedaagde niet gehouden de openstaande som aan Eiser te voldoen.

Vordering en verweer in reconventie

Gedaagde vordert in reconventie dat de rechtbank de overeenkomst tussen partijen (gedeeltelijk) ontbindt en Gedaagde ontheft van enige op haar rustende betalingsverplichtingen, met veroordeling van Eiser in de proceskosten.

Gedaagde stelt hiertoe - kort gezegd - dat Eiser tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst nu de uitgevoerde werkzaamheden niet voldoen aan de kwaliteitseisen welke zij uit hoofde van de overeenkomst mocht verwachten. De tekortkomingen in de werkzaamheden van Eiser zijn meermalen aan de orde gekomen, onder andere tijdens de bespreking op 2 mei 2012, en hier is ook duidelijk aangegeven dat de werkzaamheden hersteld moesten worden. Gedaagde heeft aldus tijdig geprotesteerd en Eiser mondeling in gebreke gesteld. Eiser is in de gelegenheid gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren, die hij eveneens niet goed heeft uitgevoerd en om deze reden was Gedaagde vervolgens genoodzaakt Z in te schakelen om de herstelwerkzaamheden uit te voeren. Gedaagde heeft als gevolg van het handelen van Eiser schade geleden. De projecten waar Eiser werkzaamheden heeft verricht zijn inmiddels opgeleverd en correcte nakoming is thans niet meer mogelijk zodat Gedaagde bevoegd is de overeenkomst gedeeltelijk te ontbinden. Voor zover de kantonrechter van oordeel is dat nakoming niet blijvend onmogelijk was verkeerde Eiser van rechtswege in verzuim als in artikel 6:83 onder c Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) nu hij heeft aangegeven geen herstelwerkzaamheden uit te willen voeren en komt aldus ook op die grond de overeenkomst in aanmerking voor gedeeltelijke ontbinding, aldus steeds Gedaagde.

Eiser voert verweer tegen de vordering van Gedaagde en voert daartoe -kort gezegd - aan dat de werkzaamheden conform de opdracht zijn uitgevoerd. Bovendien heeft D Eiser nooit aangesproken op de kwaliteit van het werk. Ook is nooit door Eiser gezegd dat hij geen herstelwerkzaamheden wilde uitvoeren. Eiser is nooit in gebreke gesteld, en aldus ook niet mondeling, dan wel in staat gesteld eventuele herstelwerkzaamheden uit te voeren. Ten tijde van de bespreking van 2 mei 2012 had Gedaagde de herstelwerkzaamheden bovendien al uitbesteed aan Z. Tevens is er niet binnen bekwame tijd geprotesteerd door Gedaagde.

Beoordeling in conventie en in reconventie

Gelet op de samenhang van de vorderingen en het verweer in conventie en reconventie zal de kantonrechter deze vorderingen gezamenlijk beoordelen.

De kantonrechter stelt voorop dat niet is betwist dat Eiser in de periode van november 2011 tot en met januari 2012 werkzaamheden heeft verricht in opdracht van Gedaagde en dat Gedaagde niet heeft weersproken dat zij voornoemde facturen van Eiser (tot een bedrag van € 4.333,20) onbetaald heeft gelaten. Dit betekent -kortweg- dat Gedaagde in beginsel gehouden is tot nakoming, namelijk het voldoen van de facturen. Hierna zal worden beoordeeld of de verweermiddelen van Gedaagde evenwel tot een andere conclusie zouden moeten leiden.

De kantonrechter overweegt dat in het kader van een wederkerige overeenkomst de tekortkoming van de ene partij, de andere partij niet ontslaat van haar eigen verplichtingen uit die overeenkomst. Wel kan die andere partij onder omstandigheden haar prestatie opschorten. In reconventie echter heeft Gedaagde met een beroep op wanprestatie gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst gevorderd. Gedaagde voert hiertoe aan dat Eiser de werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd en nakoming blijvend onmogelijk is dan wel dat Eiser van rechtswege in verzuim verkeert in de zin van artikel 6:83 sub c BW. De kantonrechter oordeelt dat Gedaagde zich beroept op rechtsgevolgen van de door haar gestelde tekortkomingen. Gelet hierop rust op haar de plicht om feiten en omstandigheden te stellen waaruit deze tekortkomingen volgen.

De kantonrechter dient in zijn beoordeling eerst te betrekken de vraag of Gedaagde de bevoegdheid toekomt de overeenkomst van opdracht die partijen hadden gesloten (gedeeltelijk) te ontbinden en aldus of sprake kan zijn van een rechtsgeldige ontbinding van deze overeenkomst, tengevolge waarvan de verplichtingen rustende op Gedaagde uit deze overeenkomst teniet gaan.

Wanprestatie?

Ingevolge het eerste lid van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar geringe aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat, wanneer de schuldenaar in verzuim is. Om te beoordelen of Gedaagde met een beroep op wanprestatie (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst kan vorderen zal aldus eerst gekeken moeten worden of nakoming van de overeenkomst door Eiser geheel of gedeeltelijk onmogelijk is.

Nakoming blijvend of tijdelijk onmogelijk?

De kantonrechter oordeelt als volgt. Gedaagde heeft aangevoerd dat nakoming van de overeenkomst door Eiser blijvend onmogelijk is geworden nu de projecten thans zijn opgeleverd aan Y. Op grond van hetgeen Gedaagde bij comparitie heeft aangevoerd blijkt echter dat zij reeds in maart 2012 de herstelwerkzaamheden heeft uitbesteed aan Z. Gedaagde heeft onvoldoende gemotiveerd aangevoerd dat nakoming door Eiser reeds op dat moment blijvend onmogelijk was geworden zodat de kantonrechter aan dit betoog van Gedaagde voorbij gaat.

Verzuim?

De kantonrechter stelt voorop dat, nu niet is vast komen te staan dat nakoming door Eiser reeds in maart 2012 blijvend onmogelijk was, ook indien met Gedaagde zou worden aangenomen dat Eiser ondeugdelijk werk heeft afgeleverd (dit wordt betwist door Eiser), voor een geslaagd beroep op ontbinding is vereist dat Eiser in verzuim is geraakt (artikel 6:265 lid 2 BW).

Het verzuim treedt (in beginsel) pas in nadat de schuldeiser de schuldenaar op de voet van artikel 6:82 lid 1 BW schriftelijk heeft aangemaand waarbij de schuldenaar een redelijke termijn wordt gesteld om alsnog na te komen en nakoming binnen deze termijn uitblijft. Indien de schuldenaar tijdelijk niet kan nakomen of uit zijn houding blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, kan de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Gedaagde heeft erkend dat een schriftelijke ingebrekestelling als bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW ontbreekt. Gedaagde heeft weliswaar aangevoerd dat zij meerdere malen klachten heeft geuit aan het adres van Eiser en dat zij hem tevens mondeling in gebreke heeft gesteld echter dit kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet met een ingebrekestelling op één lijn worden gesteld. Het verzuim is aldus niet ingetreden op de wijze als omschreven in artikel 6:82 lid 1 BW.

Gedaagde heeft voorts aangevoerd dat hoewel een schriftelijke ingebrekestelling ontbreekt, het verzuim ingevolge artikel 6:83 onder c BW (desondanks) is ingetreden nu Eiser had aangegeven geen herstelwerkzaamheden uit te willen voeren. Eiser betwist dit te hebben gezegd en voert aan dat hij nooit heeft gezegd geen herstelwerkzaamheden uit te willen voeren. Hij heeft hieraan toegevoegd dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om herstelwerkzaamheden uit te voeren. Gelet op deze betwisting had het op de weg van Gedaagde gelegen haar stelling dat Eiser had aangegeven geen herstelwerkzaamheden uit te willen voeren, nader te onderbouwen. Nu zij dat heeft nagelaten, wordt deze stelling als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd verworpen. Bovendien kan deze (door Eiser betwist) stellingname van Gedaagde, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet gelijk worden gesteld aan "een mededeling van een schuldenaar waaruit afgeleid moet worden dat deze in de nakoming van de overeenkomst tekort zal schieten". Het verzuim is aldus evenmin ingetreden op de wijze zoals omschreven in artikel 6:83 onder c BW. Voor zover Gedaagde hiermee heeft willen aanvoeren dat uit een gedraging van Eiser bleek dat hij niet of niet tijdig ging nakomen als bedoeld in artikel 6:82 lid 2 BW, was voor het intreden van het verzuim alsnog een schriftelijke mededeling vereist. Een dergelijke mededeling ontbreekt en het verzuim is aldus tevens niet ingetreden op de wijze als omschreven in artikel 6:82 lid 2 BW. Nu Eiser niet in verzuim verkeert en niet is vast komen te staan dat nakoming van de overeenkomst reeds in maart 2012 blijvend onmogelijk was komt aan Gedaagde geen bevoegdheid toe de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. De reconventionele vordering van Gedaagde zal dan ook worden afgewezen.

De kantonrechter oordeelt voorts dat voor zover Gedaagde al voldoende gesteld zou hebben om te komen tot de conclusie dat Eiser tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, Gedaagde hieraan, naast haar reconventionele vordering tot gedeeltelijke ontbinding, geen conclusies heeft verbonden. Zij heeft niet (duidelijk) te kennen gegeven dat zij verlangt dat Eiser alsnog behoorlijk nakomt, en dat zij in dat geval ook harerzijds zal nakomen. Aan het door Gedaagde ten processe ingenomen standpunt kan geen andere gevolgtrekking worden verbonden dan dat haar - tot verweer tegen de vordering van Eiser - gedane beroep op toerekenbare tekortkoming niet ertoe strekt de nakoming van haar betalingsverplichting op te schorten totdat Eiser een nadere prestatie heeft verricht of schadevergoeding aan Gedaagde is toegekend, maar ervan uitgaat dat die verplichting op grond van de gestelde tekortkoming van de door Eiser geleverde prestaties is komen te vervallen. Dat uitgangspunt is onjuist. Behoudens afwijkend beding kan een partij bij een wederkerige overeenkomst wanneer de wederpartij haar verplichtingen ondeugdelijk nakomt, slechts van haar eigen verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst worden bevrijd door ontbinding van de overeenkomst. Nu de reconventionele vordering tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst zal worden afgewezen en door Gedaagde geen andere grond is aangevoerd op grond waarvan zij moet worden bevrijd van haar eigen verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, zal de vordering van Eiser in conventie worden toegewezen.

Gedaagde heeft door na te laten (tijdig) aan haar betalingsverplichtingen te voldoen, Eiser genoodzaakt tot het treffen van incassomaatregelen. De door Eiser gevorderde buitengerechtelijke incassokosten stroken met het bij deze sector gebruikelijke tarief, zodat deze worden toegewezen.

De gevorderde rente over de hoofdsom zal als onvoldoende weersproken eveneens worden toegewezen.

Bij deze uitkomst van de procedure wordt Gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Eiser.

BESLISSING

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van:

€ 4.333,20 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2012 tot aan de voldoening;

€ 140,93 aan wettelijke rente berekend vanaf de vervaldata van de facturen tot 25 juli 2012;

€ 600,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op:

griffierecht € 207,-
explootkosten € 86,17
salaris gemachtigde € 500,-
totaal €793,17 inclusief eventueel verschuldigde btw;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 125,-;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. R.M. Troost, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 maart 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.