Gestelde kortere opzegtermijn niet bewezen

Gedaagde heeft niet betwist dat ook volgens de overeenkomst die hij aanvankelijk is aangegaan een opzegtermijn van twee maanden gold. Het verweer van gedaagde is gebaseerd op de door hem bedoelde verkorting van die termijn. Hij heeft echter geen bewijs aangeboden dat die verkorting is overeengekomen. De kantonrechter acht evenmin termen aanwezig om ambtshalve gedaagde bewijs op te dragen. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde de vergoedingen uit de franchiseovereenkomst verschuldigd is zodat de vordering van eiseres derhalve voor toewijzing gereed ligt.

Datum: 21 juni 2009
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton, locatie Rotterdam
Zaaknummer: 960622 \ CV EXPL 09-5238

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, woonplaats:

eiseres bij exploot van dagvaarding van 16 februari 2009, gemachtigde: IntoCash te Rotterdam,

tegen

Gedaagde, woonplaats: gedaagde, die mondeling heeft gereageerd.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:
het exploot van dagvaarding van 16 februari 2009. met producties;
de aantekening van het mondelinge antwoord;
het tussenvonnis van 10 maart 2009 waarin een comparitie van partijen is bepaald.

De comparitie van partijen is gehouden op 15 april 2009. Ter zitting is namens eiseres verschenen mw. X in bijzijn van dhr. E.C.Y. Cheung, gemachtigde. Gedaagde is verschenen in persoon. Van het verhandelde ter comparitie heeft de griffier aantekeningen gemaakt welke onderdeel uitmaken van het procesdossier.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Tussen partijen staat het volgende vast:

Volgens een akte gedateerd 8 september 2006 heeft gedaagde van eiseres twee kapperstoelen met voorzieningen verhuurd, dit voor de duur voor twee jaar.

Per brief van 27 september 2007 schreef eiseres aan gedaagde onder meer als volgt:

"Hierbij bevestigen wij jouw schriftelijke opzegging. Per 1 december 2007 zijn alle lopende overeenkomsten met inachtname van de opzegtermijn van twee maanden beëindigd."

Gedaagde is ook na 1 december 2007 gebruik blijven maken van het gehuurde en is wel de overeengekomen betalingen blijven verrichten.

In januari 2008 heeft eiseres gedaagde een nieuwe overeenkomst, ditmaal genaamd franchise-overeenkomst en gedateerd 1 januari 2008, aangeboden. Volgens deze overeenkomst geldt voor de franchisenemer de eerste zes maanden een opzegtermijn van twee maanden en daarna een opzegtermijn van zes maanden (artikel 11).

Gedaagde heeft enige tijd daarna opnieuw opgezegd. In antwoord daarop schreef eiseres per brief van 31 maart 2008 onder meer als volgt:

"Hierbij bevestigen wij jouw schriftelijke opzegging per 28 maart 2008. Wat betreft je verzoek om een opzegtermijn van twee weken moet ik je teleur stellen. Na je beslissing in november om voor drie dagen te blijven werken, heb je nieuwe overeenkomsten gehad, waarin ook duidelijk de opzegtermijn van twee maanden staat vermeld. Deze heb je dan wel niet getekend ingeleverd, maar aangezien je wel wekelijks de betalingen geaccepteerd hebt, werk je juridisch gewoon volgens de regels van voorgaande overeenkomsten. De verplichting tot huurbetaling vervalt dan ook per 1 juni 2008"

De vordering en de grondslag daarvan

Eiseres heeft gevorderd om gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen:
- tot betaling aan eiseres van een bedrag van € 3.429,57, waarvan € 2.871,76 ziet op de hoofdsom, € 107,81 op de vervallen rente en € 450,00 op de buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.871,76 vanaf 16 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;
- met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

Aan de eis heeft eiseres naast de hieronder 2 vermelde vaststaande feiten -zakelijk- weergegeven- het volgende ten grondslag gelegd: Gedaagde is ondanks aanmaning en sommatie daartoe in gebreke gebleven met de betaling van de eindafrekening waardoor hij in verzuim is geraakt. Op grond daarvan maakt eiseres aanspraak op de wettelijke rente. Toen gedaagde niet tijdig betaalde zal eiseres zich genoodzaakt haar vordering ter incasso uit handen te geven aan haar gemachtigde. De gemachtigde heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht die een afzonderlijke vergoeding rechtvaardigen.

Het geschil en de beoordeling daarvan

De hoofdsom van de vordering van eiseres is het bedrag van haar eindafrekening per 1 juni 2008, waarin begrepen de overeengekomen betalingen tot die datum, dus met inbegrip van twee maanden opzegtermijn. Volgens eiseres betreft het huur en franchise.

Gedaagde heeft aangevoerd dat eiseres, toen het contract per 1 december 2008 zou eindigen, heeft gevraagd of gedaagde nog langer wilde blijven, dat hij dit wel wilde, maar dan met een opzegtermijn van slechts twee weken, waarmee men akkoord ging. Gedaagde wijst erop dat hij het nieuwe contract niet heeft getekend. Hij stelt dat hij dit ongetekend heeft teruggestuurd, omdat hij het met een aantal bepalingen niet eens was, hetgeen hij ook in een telefoongesprek heeft aangegeven. Zij kan dit echter niet bewijzen, aldus gedaagde ter comparitie van partijen.

In haar reactie hierop betwist eiseres dat zij met gedaagde een opzegtermijn van twee weken zou zijn overeengekomen. Eiseres heeft altijd aangegeven dat voor alle franchisenemers dezelfde opzegtermijn geldt. Eiseres heeft gedaagde een nieuwe franchiseovereenkomst aangeboden welke uiteindelijk niet is ondertekend door gedaagde, nu deze het niet eens zou zijn met de gestelde voorwaarden. De nieuwe overeenkomst had echter dezelfde vergoedingen en huurprijs als de oude overeenkomst.

Naar het oordeel van de kantonrechter is de lengte van de opzegtermijn in de door eiseres aangeboden nieuwe overeenkomst hier niet van belang. Gesteld noch gebleken is immers dat gedaagde met de inhoud van die nieuwe overeenkomst akkoord is gegaan. Gedaagde heeft echter niet betwist dat, zoals in het betoog van eiseres ligt besloten, ook volgens de overeenkomst die hij aanvankelijk is aangegaan een opzegtermijn van twee maanden gold. Het verweer van gedaagde is gebaseerd op de door hem bedoelde verkorting van die termijn. Hij heeft echter geen bewijs aangeboden dat die verkorting is overeengekomen. De kantonrechter acht evenmin termen aanwezig om ambtshalve gedaagde bewijs op te dragen. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat gedaagde de vergoedingen uit de franchiseovereenkomst verschuldigd is zodat de vordering van eiseres derhalve voor toewijzing gereed ligt.

Voldoende is gebleken dat buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht. Het in dit kader gevorderde bedrag komt gelet op de hoogte van de huurachterstand op het moment dat eiseres haar vordering uit handen gaf aan haar incassogemachtigde en gelet op de gebruikelijke tarieven voor buitengerechtelijke kosten niet onredelijk voor en wordt daarom eveneens toegewezen.

Dit geldt eveneens voor de onweersproken gelaten rente.

Gedaagde wordt als de in de het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van het geding.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen kwijting te betalen € 3.429,57, vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over € 2.871,76 vanaf 16 januari 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op € 280,25 aan verschotten en € 175,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V.M. Los en uitgesproken ter openbare terechtzitting.