Hoofdelijke aansprakelijkheid bij contractuele medehuur

De gedaagde was huurder en de eiser verhuurder van de woonruimte. In april is de huurder vertrokken zonder de huur van deze maand te betalen en zonder nieuw adres op te geven. Hierbij is ook geen rekening gehouden met het opzegtermijn. De verhuurder heeft de huurder in gebreke gesteld en de gelegenheid gegeven tot herstelwerkzaamheden aan het gehuurde. Hier heeft de huurder geen gebruik van gemaakt. De huurder zegt dat hij samen met X de woning heeft gehuurd. De huurder en X staan apart in het huurcontract vermeld en zij hebben ook altijd apart de huur betaald. Omdat de huurder en X steeds apart zijn behandeld door de verhuurder is Gedaagde het er niet mee eens dat de vordering alleen tot haar is gericht. Verder geeft de huurder toe het appartement niet netjes achter te hebben gelaten, omdat hij en X gedwongen werden het appartement te verlaten. Ook is hij van mening dat het openstaande bedrag door tweeën moet worden gedeeld en X ook aangesproken moet worden. De rechter oordeelt dat het heel duidelijk is dat in de huurovereenkomst vermeld staat dat de verhuurder de huurder (gedaagde) kan aanspreken tot nakoming van het geheel.

Datum: 27 september 2012
Rechtbank: 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven
Zaaknummer: 835638 12-5928

Vonnis

in de zaak van:

Eiser wonende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde, procederend in persoon.

Partijen zullen hierna worden genoemd " Eiser" en " Gedaagde".

Het verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:

de dagvaarding met producties;
de aantekeningen van het mondeling antwoord met producties;
de conclusie van repliek;
de conclusie van dupliek.

Tot slot is vonnis bepaald.

Het geschil

Eiser vordert Gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van € 2.155,80, te vermeerderen met rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

Eiser legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Gedaagde was huurder en Eiser verhuurder van de woonruimte aan de Aert van der Neerstraat 15 te Eindhoven, tegen een maandelijkse bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs van € 780,00 per maand. Op grond van artikel 2 van de door partijen ondertekende huurovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte van toepassing. Gedaagde heeft de huur voor de maand april 2012 ad € 780,00 onbetaald gelaten. Zij heeft eind april 2011 het gehuurde zonder achterlating van een nieuw adres verlaten, waarbij de wettelijke opzegtermijn van een maand niet door haar in acht is genomen, zodat Gedaagde de huurpenningen voor de maand mei 2011 ad € 780,00 verschuldigd is. Gedaagde heeft het gehuurde niet in dezelfde staat achtergelaten als bij aanvang van de huurovereenkomst. Eiser heeft Gedaagde in gebreke gesteld en gelegenheid gegeven tot herstelwerkzaamheden aan het gehuurde. Omdat Gedaagde daarvan geen gebruik heeft gemaakt komen de herstelkosten ad € 915,85 voor haar rekening. Na verrekening van de borg ad € 780,00 is Gedaagde nog een bedrag van € 135,85 verschuldigd voor de achtergelaten schade. Aan wettelijke rente is Gedaagde, berekend vanaf de vervaldatum van iedere huurpenning tot 31 mei 2012 een bedrag van € 102,95 verschuldigd. Eiser heeft zijn vordering ter incasso uit handen gegeven nadat Gedaagde niet aan sommaties had voldaan. Op grond van de algemene voorwaarden is Gedaagde de kosten hiervan, een bedrag van € 357,00 inclusief BTW, verschuldigd.

Gedaagde betwist de vordering van Eiser. Zij voert aan dat zij samen met X (hierna te noemen: X) de woning aan de te heeft gehuurd. Gedaagde en X staan apart in het huurcontract vermeld en zij hebben ook altijd apart de huur betaald. Omdat Gedaagde en X steeds apart zijn behandeld door Eiser is Gedaagde het er niet mee eens dat de vordering alleen tot haar is gericht.

Gedaagde is van mening dat er slechts sprake is van één maand huurachterstand omdat X en zij op 30 april 2011 in opdracht van Eiser het appartement moesten verlaten, hetgeen zij ook hebben gedaan. Zij erkent dat de woning niet netjes is achtergelaten en zij betwist het in rekening gebrachte bedrag ter zake het opruimen en herstel van € 135,80 (€ 915,85 minus de betaalde waarborgsom) niet. Wel is zij van mening dat voornoemd bedrag door tweeën moet worden gedeeld. Zij legt daartoe de gegevens van X over, zodat niet alleen zij maar ook X wordt aangesproken.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal, indien van belang, onder de beoordeling worden teruggekomen.

De beoordeling

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

Eiser heeft met ingang van 1 mei 2010 aan Gedaagde en aan X verhuurd een appartement aan de te. De tussen partijen gesloten huurovereenkomst woonruimte is op 15 april 2010 door partijen ondertekend. In de huurovereenkomst staat, onder meer, het volgende vermeld:

2. Voorwaarden

Deze overeenkomst verplicht partijen tot naleving van de bepalingen van de wet met betrekking tot verhuur en huur van woonruimte voor zover daarvan in deze overeenkomst niet wordt afgeweken. Van deze overeenkomst maken deel uit de "ALGEMENE BEPALINGEN HUUROVEREENKOMST WOONRUIMTE", vastgesteld op 30 juli 2003 en gedeponeerd op 31 juli 2003 bij de griffie van de rechtbank te Den Haag en aldaar ingeschreven onder nummer 74/2003, hierna te noemen "algemene bepalingen". Deze algemene bepalingen zijn partijen bekend. Huurder heeft hiervan een exemplaar ontvangen. De algemene bepalingen zijn van toepassing behoudens voor zover daarvan in deze overeenkomst uitdrukkelijk is afgewezen, of toepassing ervan ten aanzien van het gehuurde niet mogelijk is.

In voornoemde algemene bepalingen is onder andere het volgende opgenomen:

Hoofdelijkheid, medehuur

Indien meerdere personen zich als huurder hebben verbonden, zijn deze steeds hoofdelijk en ieder voor het geheel jegens verhuurder aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen. Uitstel van betaling of kwijtschelding door verhuurder aan een der huurders of een aanbod daartoe, betreft alleen die huurder.

Iemand die samen met een of meer anderen de huurovereenkomst met verhuurder is aangegaan en heeft ondertekend, zonder dat er sprake is van wettelijk medehuurderschap, verliest zijn huurderschap niet door het gehuurde definitief te verlaten. Ook dan blijft hij hoofdelijk aansprakelijk voor de verplichtingen uit de huurovereenkomst. Een contractuele medehuurder (samenhuurder) kan slechts samen met de andere huurder(s) de huurovereenkomst door opzegging beëindigen.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat Eiser, gelet op de huurconstructie, de helft van de onderhavige vordering dient te verhalen op X. Naar het oordeel van de kantonrechter houdt dit verweer van Gedaagde geen stand. Tezamen met X en Eiser heeft Gedaagde de huurovereenkomst getekend. Voorts heeft zij elke bladzijde van deze huurovereenkomst voorzien van haar paraaf, waarmee zij te kennen heeft gegeven dat zij kennis heeft genomen met de inhoud van de huurovereenkomst en dat de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte haar bekend zijn. Op grond van artikel 2 van de onderhavige huurovereenkomst juncto artikel 17 van voornoemde algemene bepalingen zijn Gedaagde en X hoofdelijk jegens Eiser aansprakelijk voor alle uit de huurovereenkomst voortvloeiende verbintenissen, waaronder betaling van de huurpenningen en vergoeding van de schade. Op grond van artikel 6:7 lid 1 BW kan Eiser Gedaagde aanspreken tot nakoming voor het geheel. Vervolgens ligt het op de weg van Gedaagde om het, intern gezien, teveel betaalde terug te vorderen van X.

Gedaagde heeft de achterstallige huur over de maand april 2012 niet betwist zodat deze kan worden toegewezen. Ter zake de gevorderde huurpenningen over de maand mei 2011, welke door Gedaagde worden betwist, overweegt de kantonrechter als volgt. Op grond van artikel 3.1. is de huur aangegaan voor de duur van een jaar, ingaande op 1 mei 2012 en lopende tot 30 april 2011. Na verstrijking van de periode zonder opzegging loopt, conform voornoemd artikel, de overeenkomst voor onbepaalde tijd door. Beëindiging van de overeenkomst door opzegging dient te geschieden conform artikel 19 van de algemene bepalingen, met inachtneming van een opzeggingstermijn van één maand. Eiser heeft bij conclusie van repliek gesteld dat de huur niet is opgezegd en dat deze, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, per 1 juni 2012 is geëindigd, waardoor Gedaagde de huur over de maand mei 2012 verschuldigd is (nu hier sprake is van een kennelijke schrijffout zijdens Eiser leest de kantonrechter: 1 juni 2011 en mei 2011). Gedaagde heeft bij conclusie van dupliek geen verder inhoudelijk verweer hiertegen gevoerd, zodat de kantonrechter betaling van de huur over de maand mei 2011 zal toewijzen.

Nu Gedaagde geen bezwaar maakt tegen de gevorderde kosten voor herstel van de schade ad € 915,85 waarvan, na verrekening met de borg van € 780,00, een bedrag van € 135,85 resteert, kan de vordering op dit punt worden toegewezen.

De gevorderde wettelijke rente tot 31 mei 2012 voor een bedrag van € 102,95 en vanaf 31 mei 2012 tot aan de dag van voldoening zal, nu daartegen geen verweer is gevoerd, worden toegewezen.

Eiser vordert buitengerechtelijke incassokosten voor een bedrag van € 357,00 inclusief BTW. Eiser heeft niet aannemelijk kunnen maken dat de door hem verrichte werkzaamheden meer omvatten dan werkzaamheden die gelden ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak. Voor die werkzaamheden is een bedrag begrepen in de proceskosten. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.

Gedaagde wordt als de (in overwegende mate) in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen de som van € 1.798,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1560,00 vanaf 31 mei 2012 tot aan de dag van voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van Eiser tot heden begroot op € 97,64 aan explootkosten, € 207,00 aan griffierecht en € 300,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast);

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 september 2012.