Huur: maandelijkse incasso kosten o.b.v. nieuwe Wet Incassokosten toegewezen

Tussen de eiser als verhuurder en de gedaagde als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot een woonruimte. De huurder erkent dat hij de huurpenningen regelmatig te laat betaalt, maar ontkent dat hij een huurpenning nog niet voldaan heeft zoals eiser stelt. De oorzaak van het niet tijdig betalen komt omdat de huurder zijn uitkering altijd te laat ontvangt. Volgens de huurder weet de verhuurder dat, waardoor er onnodig buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. De rechter vindt dit onvoldoende onderbouwd. Bovendien maakt de rechter uit de stukken van de verhuurder op dat de huurder zeker wel de kans heeft gekregen om te betalen voordat er buitengerechtelijke kosten bij zouden komen. De huurder zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Verder maakt de verhuurder aanspraak op de vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten die hij heeft gemaakt. Omdat de verhuurder constant aanmaningen heeft gestuurd voldoet hij aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 Burgerlijk Wetboek, waardoor de vergoeding van toepassing is.

Datum: 29 januari 2013
Rechtbank: Noord-Nederland, Afdeling Privaatrecht, Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: 411802 \ CV EXPL 12-8422

Vonnis

inzake

EISER, wonende te, eiser,

gemachtigde: IntoCash,

tegen

GEDAAGDE, wonende te, gedaagde, procederende in persoon.

Partijen zullen hierna Eiser en Gedaagde worden genoemd.

Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding
de conclusie van antwoord
een akte uitlating aan de zijde van Eiser
een akte vermindering eis aan de zijde van Eiser.

Gedaagde heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen antwoordakte genomen.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De Wet herziening gerechtelijke kaart is op 1 januari 2013 in werking getreden. De rechtbanken Assen, Groningen en Leeuwarden vormen met ingang van die datum tezamen de nieuwe rechtbank Noord-Nederland. Het rechtsgebied van deze rechtbank beslaat de provincies Drenthe, Fryslân en Groningen. De zaak wordt daarom verder behandeld en beslist door de rechtbank Noord-Nederland.

Motivering

In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

Tussen Eiser als verhuurder en Gedaagde als huurder bestaat een huurovereenkomst met betrekking tot een woonruimte gelegen aan de.

Gedaagde is maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 700,00 aan huurpenningen aan Eiser verschuldigd, die voor de eerste van elke maand moeten zijn voldaan.

Het standpunt van Eiser

Eiser vordert bij dagvaarding de veroordeling van Gedaagde tot betaling van een bedrag van € 700,00 aan onbetaald gebleven huurpenningen, hetgeen door Gedaagde gedurende onderhavige procedure, zijnde 4 december 2012, volledig is betaald. Gedaagde is tevens wettelijke rente verschuldigd, door Eiser berekend tot 3 november 2012 op een bedrag van € 28,77. Daarnaast vordert Eiser een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten die zijn gemaakt om betaling te verkrijgen voor de huurpenningen van mei, augustus, september en oktober 2012, zijnde een totaalbedrag van € 562,65.

Eiser heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenis tot tijdige betaling van de maandelijkse huurpenningen. Volgens Eiser betaalt Gedaagde de maandelijkse huur stelselmatig meer dan een maand te laat. Sinds mei 2011 wordt Gedaagde iedere maand door en namens Eiser gesommeerd om tot betaling over te gaan. Vanaf maart 2012 betaalt Gedaagde pas na herhaaldelijke incassowerkzaamheden waarbij buitengerechtelijke kosten in rekening worden gebracht. Per 1 juli 2012 stuurt Eiser Gedaagde eerst zelf een aanmaning per aangetekende post met een betalingstermijn van 14 dagen waarin de buitengerechtelijke kosten en de hoogte daarvan worden aangezegd.

De onderhavige vordering heeft betrekking op de door Gedaagde onbetaald gelaten verschuldigde buitengerechtelijke incassokosten van de maanden mei, augustus, september en oktober 2012. Naar aanleiding van het verweer van Gedaagde heeft Eiser bij akte uitlating zijn vordering nader onderbouwd. Eiser betwist daarbij dat hij met Gedaagde heeft gesproken over de late ontvangst van de uitkering van Gedaagde. Volgens Eiser doet de financiële gesteldheid van Gedaagde niets af aan zijn betalingsverplichting. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij sinds maart 2011 37 sommaties aan Gedaagde heeft verzonden en dat er nimmer zonder waarschuwing buitengerechtelijke kosten in rekening zijn gebracht.

Het standpunt van Gedaagde

Gedaagde betwist de vordering zoals deze door Eiser bij dagvaarding is gesteld. Gedaagde stelt zich op het standpunt dat hij de huurpenningen voor de maand oktober 2012 reeds heeft voldaan. Gedaagde erkent dat hij de huurpenningen structureel te laat betaalt. Gedaagde voert aan dat de oorzaak van het niet tijdig betalen is gelegen in het feit dat hij zijn uitkering altijd te laat ontvangt. Volgens Gedaagde is Eiser hiervan op de hoogte en hij stelt zich dan ook op het standpunt dat de door Eiser gestelde buitengerechtelijke kosten onnodig zijn gemaakt, zodat deze niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen Gedaagde voert tevens aan dat in het geval hij te laat betaalt, hij een brief krijgt van het incassobureau, waarbij hij zonder een waarschuwing vooraf al extra kosten verschuldigd is.

Beoordeling van het geschil

Uit de stukken is gebleken dat de bij dagvaarding gevorderde hoofdsom geen discussiepunt meer betreft, nu Gedaagde deze vordering reeds heeft voldaan, zodat een beslissing van de kantonrechter hieromtrent achterwege kan blijven.

De gevorderde rente tot 3 november 2012 ad € 28,77 zal worden toegewezen nu Gedaagde niet op zelfstandige gronden verweer heeft gevoerd tegen deze vordering. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom ad € 700,00 tot aan de dag der algehele voldoening, zijnde 4 december 2012 zal worden toegewezen.

Het verweer van Gedaagde ten aanzien van de onterecht gemaakte buitengerechtelijke kosten, wordt door de kantonrechter als onvoldoende onderbouwd verworpen. Daarnaast maakt de kantonrechter uit de door Eiser overgelegde stukken op, dat Gedaagde wel degelijk in de gelegenheid is gesteld om de desbetreffende vorderingen te voldoen alvorens hij buitengerechtelijke kosten verschuldigd zou kunnen zijn.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten van € 150,00 met betrekking tot het incasseren van de huur van de maand mei 2012, zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II - worden afgewezen. Eiser heeft immers nagelaten een gedetailleerde omschrijving te geven van de voor zijn rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan Eiser vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten die hij heeft gemaakt ter incassering van de huurpenningen van de maanden augustus, september en oktober 2012. De kantonrechter stelt vast dat het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is nu het verzuim steeds na 1 juli 2012 is ingetreden. Eiser heeft aan Gedaagde iedere keer een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 Burgerlijk Wetboek. Deze aanmaningen zijn tevens door hem in het geding gebracht.

De kantonrechter stelt vast dat Eiser voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag komt overeen met het in het besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

De kantonrechter stelt vast dat het toe te wijzen bedrag aan vergoeding van de buitengerechtelijke kosten een totaalbedrag van € 381,15 (€ 105,00 + € 22,05 x 3) bedraagt.

Gedaagde zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

De proceskosten aan de zijde van Eiser worden begroot op:

explootkosten € 92,17
overige kosten € 7,00
griffierecht € 207,00
salaris gemachtigde € 150.00 (1,5 punt x tarief € 100,00)
totaal €456,17.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van een bedrag groot € 409,92 (zegge: vierhonderdnegen euro en tweeënnegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 700,00 vanaf 3 november 2012, tot 4 december 2012;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op € 456,17;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.