Huurachterstand betaald na dagvaarding: kosten toegewezen

Tussen de huurder en verhuurder is geen schriftelijke huurovereenkomst. Huurder betaalde regelmatig de huur te laat of onvolledig. De verhuurder is naar de rechter gestapt en vordert in de dagvaarding de huurachterstand. Als verweer geeft de huurder dat de achterstand de schuld van de bank is die zijn betaalopdrachten niet heeft uitgevoerd. Ze is dan ook niet van plan om kosten te betalen. De rechter oordeelt dat het de verantwoordelijkheid van de huurder is dat betalingen goed worden verricht. Dat de verhuurder na meerdere betalings herinneringen is gaan dagvaarden voor de huurachterstand komt om die reden dan ook voor rekening van de huurder. De huurder zal dan ook de proceskosten moeten betalen.

Datum: 3 juni 2008
Rechtbank: 's-Gravenhage. Sector kanton, locatie 's-Gravenhage
Zaaknummer: 699951 \ RL EXPL 07-22276

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonende te,

gemachtigde: mr. drs. C. Sneevliet (IntoCash),

tegen

Gedaagde wonende te

gemachtigde: mr. J. Biemond.

Partijen worden aangeduid als Eiser en Gedaagde.

Procedure:

de dagvaarding van 24 september 2007, met producties;

de conclusie van antwoord, met een productie;

de comparitie van partijen d.d. 10 januari 2008, waarvan proces-verbaal,

een akte ter rolle zijdens Gedaagde;

een antwoordakte zijdens Eiser.

Feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

Gedaagde huurt van Eiser de woonruimte aan de te.

Er is geen schriftelijke huurovereenkomst. De huur bedroeg laatstelijk € 399,70 - behoudens mogelijk nog andersluidende beslissing van de huurcommissie.

Vanaf 1 mei 2007 tot de dag waarop de dagvaarding werd uitgebracht is er een achterstand geweest in de huurbetalingen, die op de dag van dagvaarding was opgelopen tot € 490,07.

Inmiddels heeft Gedaagde deze achterstand geheel ingelopen.

Vordering

Eiser vordert dat bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad,

de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan de te ontbonden zal worden verklaard en Gedaagde zal worden veroordeeld om het gehuurde met al het hare en de haren te ontruimen en te verlaten en door afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van Eiser te stellen, met machtiging op Eiser om die ontruiming zonodig zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van justitie en politie en op kosten van Gedaagde;

Gedaagde zal worden veroordeeld om - onder voorbehoud van huurverhoging -tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag ad € 399,90 voor iedere maand te rekenen vanaf mei 2008 dat Gedaagde met de ontruiming van het gehuurde in gebreke blijft, een ingegane maand te rekenen voor een gehele,

Gedaagde zal worden veroordeeld tot betaling aan Eiser van de wettelijke rente tot 28 januari 2008 ad € 23,36 over de inmiddels voldane achterstand;

Gedaagde zal worden veroordeeld om aan Eiser te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van € 178,50 inclusief BTW;

Gedaagde zal worden veroordeeld om aan Eiser te betalen een schadevergoeding van € 1,00.

Gedaagde zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Eiser legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag alsmede de navolgende stellingen.

Gedaagde betaalde stelselmatig de huur te laat of onvolledig en dat rechtvaardigt, ook nu de achterstand inmiddels is ingelopen, een ontbinding van de huurovereenkomst.  Het betalen van de achterstand, na het uitbrengen van de dagvaarding en na de comparitie, maakt deze wanprestatie niet ongedaan.

Ook meldt Gedaagde onder andere schade telkenmale niet, te laat, of op onjuiste wijze. Daardoor heeft Eiser zelf schade geleden, waarvan Eiser vergoeding wenst. Eiser stelt deze schade uit coulance op een bedrag van €1,00.

Eiser heeft Gedaagde op goede gronden in rechte betrokken, zodat Gedaagde aansprakelijk is voor de gemaakte (buitengerechtelijke) kosten.

Verweer

Gedaagde voert verweer en concludeert Eiser in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen, zulks met veroordeling van Eiser in de kosten van het geding. Zij stelt daartoe het navolgende.

Gedaagde heeft naar aanleiding van een brief van de gemachtigde van Eiser van 3 augustus 2007 aan haar bank een spoedopdracht gegeven en om de overboeking mogelijk te maken een bedrag van € 600,00 contant gestort, maar helaas moet vastgesteld worden dat de bank de betaalopdracht desondanks niet heeft uitgevoerd.

Per datum dagvaarding was slechts één maand aan huurachterstand aan de orde, die thans volledig is weggewerkt en die volgens vast beleid geen ontbinding en ontruiming rechtvaardigt. Op de datum van de dagvaarding stond dus al vast dat de vorderingen van Eiser grotendeels zouden stranden. De procedure is dus onnodig gestart en onder die omstandigheden dient Eiser in de kosten van Gedaagde te worden veroordeeld.

Beoordeling

Hierboven zijn de stellingen van partijen omtrent het melden van schade niet weergegeven. Door Gedaagde is er in de conclusie van antwoord op gewezen dat Eiser van schade niets aantoont, onderbouwt en/of aannemelijk heeft gemaakt. Naar aanleiding van die betwisting is Eiser ook nadien - hoewel hem die gelegenheid is geboden - niet met een onderbouwing van het door hem gestelde gekomen. Dit onderdeel van de vordering van Eiser komt reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking. Dat geldt ook voor de door Eiser gevorderde symbolische € 1,00.

Nu in deze procedure tussen partijen is komen vast te staan dat Gedaagde een achterstand had opgelopen in de betaling van de huurpenningen, mag er eveneens vanuit worden gegaan dat Eiser zijn vordering op goede gronden uit handen heeft gegeven. Gedaagde is daarmee aansprakelijk geworden voor de buitengerechtelijke incassokosten, die in de brief van 3 augustus 2007 van de gemachtigde van Eiser nog op € 89,25 inclusief BTW worden gesteld.

Dat de bank een door Gedaagde gegeven betalingsopdracht niet heeft uitgevoerd is een omstandigheid die in haar rechtsverhouding tot Eiser voor rekening van Gedaagde komt: zij heeft de plicht te zorgen dat een betaling tijdig bij Eiser terecht komt. Dat Eiser toen hij na sommatie geen betaling verkreeg is gaan dagvaarden komt om die reden voor rekening van Gedaagde.

Nu niets is gesteld of gebleken omtrent pogingen van de gemachtigde van Eiser om nadien tot een betaling van de vordering in der minne te komen, valt zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet in te zien waarom op het moment waarop de dagvaarding is uitgebracht deze kosten tot het dubbele zijn opgelopen. Ervan uitgaande dat de gemachtigde na die brief de onderhavige procedure is gaan voorbereiden - voor welke kosten de proceskostenveroor­deling geacht wordt een vergoeding in te houden, zal de kantonrechter de buitengerechtelijke incassokosten tot het eerder opgevoerde bedrag van € 89,25 toewijzen.

Gelet op de hoogte van de achterstand en de omstandigheid dat de volledige achterstand thans ingelopen is, is de kantonrechter van oordeel dat redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde daarvan het gevolg zijn. Die onderdelen van de vordering zullen daarom worden afgewezen.

Tegen de gevorderde rente ad € 23,36 is geen afzonderlijk verweer gevoerd, zodat die post toewijsbaar is.

In totaal is daarmee nog een bedrag van (€ 89,25 en € 23,36) € 112,61 toewijsbaar.

Gedaagde zal in het licht van hetgeen onder 4.3 is overwogen tevens de proceskosten moeten dragen, voor zover die gerelateerd zijn aan de hoogte van de op het moment van dagvaarden bestaande achterstand.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag ad € 112,61 (zegge: honderd twaalf euro en één en zestig cent);

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 442,12, waaronder begrepen een bedrag ad € 200,00, als het aan de gemachtigde van Eiser toekomende salaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of ander gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M.H. Geerars, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting d.d. 3 juni 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.