Huurder bewijst contante betaling niet door zelf op te treden als getuige

In een tussenvonnis is aan de gedaagde opgedragen om bij de volgende zitting nog een aantal zaken te bewijzen. Zij doet dit door zelf als getuige op te treden. Op zo'n moment is zij partijgetuige. Dit houdt in dat haar verklaringen alleen bewijs in haar voordeel kan opleveren, als haar verklaringen onvolledig bewijs aanvullen (artikel 164 lid 2 Rv). Gedaagde heeft als eerste bewijs een e-mailbericht bij waaruit blijkt dat zij vaker contant aan de eisers had betaald. Dit bewijs wordt door de rechter buiten beschouwing gelaten aangezien dit niet als bewijs kan dienen dat er dit keer ook betaald is. Ook zegt de gedaagde bij een verjaardag een enveloppe met €725,- aan de eiser te hebben gegeven. Zij heeft van deze contante betaling geen betalingsbewijs. Verder is er geen aanvullend bewijs dat haar verklaring voldoende geloofwaardig maakt. Dit alles zorgt ervoor dat de gedaagde de achterstallige huur aan de eiser moet betalen.

Datum: 20 maart 2013
Rechtbank: Midden-Nederland, Afdeling Civiel recht kantonrechter, locatie Utrecht
Zaaknummer: 810867 UC EXPL 12-6986

Vonnis

inzake

1 Eiser, wonende te,
2. Eiseres, wonende te,

verder ook te noemen Eisers (meervoud), eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung van incassobureau IntoCash, tegen:

Gedaagde, wonende, verder ook te noemen Gedaagde, gedaagde partij,

gemachtigde: J.M. Honing.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 31 oktober 2012;
de akte houdende producties 7 tot en met 9 van Gedaagde (producties 8 en 9 zijn door Gedaagde al eerder overgelegd als producties 4 en 5 bij conclusie van antwoord);
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2013.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1.Bij tussenvonnis van 31 oktober 2012 is aan Gedaagde opgedragen te bewijzen feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen:

1e. dat zij aan Eisers € 725,-- contant heeft betaald in mindering op de huur van januari 2011;

2e. dat tussen partijen mondeling is overeengekomen dat Eisers aan haar € 565,- betalen voor door haar ten behoeve van Eisers verrichte it-werkzaamheden.

2.2. Om aan de bewijsopdracht te voldoen heeft Gedaagde zichzelf als getuige doen horen en heeft zij drie producties in het geding gebracht. Gedaagde is aan te merken als partij-getuige. Dit betekent dat haar verklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haarvoordeel kan opleveren, tenzij die verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs (artikel 164 lid 2 Rv). Daarnaast geldt dat een getuigenverklaring slechts als bewijs kan dienen, voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten (artikel 163 Rv).

2.3. Met betrekking tot het eerste deel van de bewijsopdracht, de contante betaling, heeft Gedaagde bij akte productie 7 in het geding gebracht. In haar akte licht zij toe dat uit die productie, een e-mailbericht van 28 juni 2010, blijkt dat zij vaker contant aan Eisers heeft betaald. Eisers zijn niet in de gelegenheid gesteld om bij antwoordakte op die productie te reageren. Om proceseconomische redenen zal de kantonrechter Eisers daartoe niet alsnog in de gelegenheid stellen, maar zal productie 7 buiten beschouwing worden gelaten, omdat een e-mailbericht waaruit blijkt dat vaker contant is betaald niet als bewijs kan dienen van het door Gedaagde te bewijzen feit dat zij € 725,- aan Eisers heeft betaald in mindering op de huur van januari 2011, ook niet in samenhang met haar partij getuigenverklaring. Zij heeft als getuige verklaard dat zij op haar verjaardagsfeestje, dat heeft plaatsgevonden twee weken na 4 januari 2011, buiten aanwezigheid van anderen, in de bijkeuken, een enveloppe met € 725,- aan contanten aan de heer Eiser heeft gegeven. X had het geld geteld en in de enveloppe gedaan. Op de enveloppe had Gedaagde € 725,- geschreven. Zij heeft van die contante betaling geen betalingsbewijs ontvangen, zo verklaart Gedaagde. Naast deze verklaring heeft Gedaagde geen aanvullend bewijs geleverd dat haar partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maakt. De enkele omstandigheid dat X het geld geteld en het in de enveloppe heeft gestopt is, wat hier verder ook van zij, geen bewijs dat Gedaagde de enveloppe ook aan Eiser heeft gegeven. Geconcludeerd moet daarom worden dat Gedaagde niet in de bewijslevering is geslaagd als het gaat om de contante betaling.

2.4. Met betrekking tot het tweede deel van de bewijsopdracht, de betaling door Eisers van € 565,- voor verrichte werkzaamheden, heeft Gedaagde als partijgetuige verklaard zij aanwezig is geweest bij een telefoongesprek tussen X en Eiser. Wat zij zich nog herinnert van dat telefoongesprek is dat Eiser heeft gevraagd aan X of hij bepaalde software kon krijgen. Over kosten is in dat telefoongesprek niet gesproken. Later heeft X nog met Eiser gesproken over de kosten voor het maken van een verbinding tussen de servers en het thuisnetwerk. Gedaagde was daar niet bij. Later heeft Gedaagde ook niet meer met Eiser gesproken over een eventuele verrekening. Tegen X heeft Gedaagde gezegd: "dit is jouw project, dit moetje samen met de heer Eiser bespreken". In het bedrag van € 565,- zit de tijd die X besteed heeft, de software die in opdracht van Eiser is aangeschaft, de updates die zijn toegepast en de ontbrekende delen die zijn aangeschaft. Gedaagde weet niet precies welke software is aangeschaft. Volgens Gedaagde heeft X een week gewerkt, hoeveel uur precies weet zij niet. X heeft nooit een factuur opgesteld voor de werkzaamheden, omdat het werkzaamheden voor een bekende waren, aldus Gedaagde.

Als producties 8 en 9 bij laatstgenomen akte heeft Gedaagde e-mailcorrespondentie tussen X en Eiser in het geding gebracht. Daaruit blijkt weliswaar van door X voor Eiser te verrichten it-werkzaamheden, maar in die correspondentie wordt geen prijs van € 565,- voor de te verrichten werkzaamheden genoemd. Ten aanzien van het bedrag van € 3.000,- voor software, het enige bedrag dat wel in de e-mailcorrespondentie wordt genoemd, heeft Gedaagde verklaard dat dit de aanschafwaarde is van de software, maar omdat X deze software al had, behoefde deze volgens Gedaagde niet apart te worden aangeschaft.

Geconcludeerd wordt dat Gedaagde niet is geslaagd in de bewijslevering als het gaat om het volgens haar tussen partijen overeengekomen, door Eisers te betalen bedrag van € 565,--voor door X verrichte it-werkzaamheden.

2.5 Dit alles leidt ertoe dat Gedaagde nog aan Eisers dient te betalen een bedrag van € 1.200,73 ter zake van achterstallige huur (zie het tussenvonnis van 31 oktober 2012, rechtsoverweging 4.7.).

2.6 Nu Gedaagde in gebreke is gebleven met de tijdige betaling van de huur dient zij de schade die Eisers daardoor lijden, bestaande uit de wettelijke rente, te vergoeden. Eisers berekenen de wettelijke rente tot 19 april 2012 op € 85,42. Zij gaan daarbij uit van een door Gedaagde te betalen bedrag van € 2.890,67. Nu een deel van die vordering zal worden afgewezen, is dit door Eisers berekende bedrag aan wettelijke rente niet toewijsbaar. Eisers hebben daarnaast niet toegelicht op welke wijze zij de wettelijke rente hebben berekend. De kantonrechter zal de wettelijke rente over € 1.200,73 daarom toewijzen vanaf de datum van dagvaarding, dat is 24 april 2012.

2.7 Eisers hebben een bedrag van € 535,50 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten dient te worden gesteld en onderbouwd op grond waarvan deze verschuldigd zijn en voorts dat genoemde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Daarbij hanteert de kantonrechter conform het rapport Voorwerk II het uitgangspunt dat het moet gaan om verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten is slechts toewijsbaar, indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is.' De vordering van Eisers gaat het in het Rapport Voorwerk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven. Uit de stellingen van Eisers kan niet worden afgeleid dat zij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten hebben gemaakt dan in dit tarief is besloten. De door Eisers gemaakte kosten moeten dan ook als onredelijk worden aangemerkt, voor zover zij het forfaitaire tarief overschrijden. De vordering zal derhalve worden toegewezen tot de staffel van de kantonrechters, dat is een bedrag van € 178,50.

2.8 In totaal wordt een bedrag van € 1.379,23 toegewezen (€ 1.200,73 huur + € 178,50 buitengerechtelijke incassokosten).

2.9 Partijen zijn over en weer in het (on)gelijk gesteld. De proceskosten worden daarom gecompenseerd.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eisers tegen bewijs van kwijting te betalen € 1.379,23 met de wettelijke rente over € 1.200,73 vanaf 24 april 2012 tot de voldoening;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2013.