Huurder moet de schade van de gevolgen van hennepkwekerij betalen

samenvatting:

In het verhuurde huis is een wietplantage aangetroffen. De huurder heeft toegegeven dat de planten van hem zijn, maar hij betwist de hoogte van de schade die de verhuurder zegt te hebben. Volgens de huurder heeft de verhuurder zelf meegeholpen met de plantage en zijn ze eigenlijk meer partners dan huurder/verhuurder, maar dit kon de huurder niet bewijzen. De huurder voert aan dat de verhuurder stilzwijgend heeft ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst in oktober 2016, maar hier gaat de rechter niet in mee. Weliswaar is de huurder na de ontmanteling van de hennepkwekerij niet teruggekeerd naar de woning, misschien met instemming van verhuurder, maar dat laat onverlet dat huurder noch verhuurder de huurovereenkomst heeft beëindigd, althans niet eerder dan eind augustus 2017. De verhuurder heeft dus recht op de huur tot en met augustus 2017.

Door de installatie van een hennepkwekerij in de woning is Gedaagde tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen uit de huurovereenkomst, want zodoende is de woning niet uitsluitend gebruikt als woonhuis waarvoor de woning bestemd was. Ook zijn zonder toestemming veranderingen in de woning aangebracht en is de woning niet in goede staat gehouden. Daarom kan Eiser op goede gronden aanspraak maken op vergoeding van schade in de woning en andere kosten als gevolg van de hennepkwekerij. Dat er schade is ontstaan, is onmiskenbaar, gezien de door Eiser overgelegde foto's van de toestand van diens woning na het aantreffen van de hennepkwekerij en diens aangifte van vernieling van zijn woning. Ook staat genoegzaam vast dat Eiser E 8.800,00 aan kosten heeft gemaakt om restanten van de hennepkwekerij op te laten ruimen en herstelwerkzaamheden in de woning te laten verrichten, want hij heeft dit onderbouwd met facturen en de gemaakte kosten zijn reëel gelet op de ravage in de woning. Causaal verband tussen de hennepkwekerij en de schade staat voldoende vast. Het aangevoerde dat Gedaagde niet weet wat er is gebeurd in de woning tussen de ontmanteling van de hennepkwekerij op 24 oktober 2016 en de herstelwerkzaamheden in het voorjaar van 2017 doet hieraan niet af.

Datum: 30 november 2018
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 6626659 CV EXPL 18-3769

vonnis

in de zaak van

eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung.

tegen

gedaagde,

gemachtigde: mr. U. Santi.

Partijen worden hierna aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het (verdere) verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

- het tussenvonnis van 5 oktober 2018 en de daarin genoemde processtukken;
- de akte van Gedaagde van 6 november 2018.

1.2 De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De beoordeling

2.1 Vaststaat dat de woning in de Dintelstraat 37 te Berkel en Rodenrijs eigendom is (geweest) van Eiser en dat daar op 24 oktober 2016 een hennepkwekerij is aangetroffen. Gedaagde heeft zijn betrokkenheid daarbij erkend, maar de schade die Eiser stelt hierdoor te hebben geleden in de vorm van gemaakte herstelkosten en gemiste huurinkomsten is betwist. In dit verband is aangevoerd dat Eiser ook zelf betrokken is geweest bij de hennepkwekerij en dat de huurovereenkomst van 31 juli 2016, met daarin Gedaagde als huurder en Eiser als verhuurder genoemd, niet de werkelijke relatie tussen partijen weergeeft. Dat verweer is vooralsnog echter niet gevolgd. Integendeel.

2.2 In voormeld tussenvonnis van 5 oktober 2018 is op basis van de onderbouwde stellingen van Eiser immers voorshands bewezen geacht dat dat partijen wel degelijk een reële huurovereenkomst hebben gesloten. Gedaagde is in de gelegenheid gesteld om tegen dit oordeel tegenbewijs te leveren.

2.3 Dat heeft hij niet gedaan. In voormelde akte heeft Gedaagde namelijk gesteld dat hij geen schriftelijke bewijsstukken heeft en niet in staat is om bedoeld bewijs te leveren middels het horen van getuigen. Dat laatste sluit aan bij het aangevoerde ter zitting dat Gedaagde - kennelijk ­andere betrokkenen bij de hennepkwekerij uit de wind wil houden en niet bij deze procedure wil betrekken. Dat kan, maar die keuze brengt wel met zich dat de kantonrechter ervan uitgaat dat tussen partijen een huurovereenkomst heeft bestaan.

2.4 Omdat er vanuit wordt gegaan dat tussen partijen een reële en niet een gefingeerde huurovereenkomst is gesloten, om de redenen vermeld in het tussenvonnis, wordt tevens geen grond gezien voor het subsidiaire verweer dat de huurovereenkomst vernietigd zou moeten worden in verband met strijd met de goede zeden of de openbare orde. Een daartoe strekkende tegenvordering is overigens niet gedaan.

2.5 Het meer subsidiaire verweer dat Eiser stilzwijgend heeft ingestemd met beëindiging van de huurovereenkomst in oktober 2016 gaat niet op. Weliswaar is Gedaagde na de ontmanteling van de hennepkwekerij niet teruggekeerd naar de woning, misschien met instemming van Eiser, maar dat laat onverlet dat Gedaagde noch Eiser de huurovereenkomst heeft beëindigd, althans Eiser niet eerder dan per 31 augustus 2017.

2.6 Dat laatste brengt met zich dat Eiser aanspraak kan maken op betaling van huur van november 2016 tot en met augustus 2017 door Gedaagde. Dit zijn tien maanden huur à € 1.250,00. Bij elkaar E 12.500,00.

2.7 Door de installatie van een hennepkwekerij in de woning is Gedaagde tekortgeschoten in de nakoming van verbintenissen uit de huurovereenkomst, want zodoende is de woning niet uitsluitend gebruikt als woonhuis waarvoor de woning bestemd was. Ook zijn zonder toestemming veranderingen in de woning aangebracht en is de woning niet in goede staat gehouden. Daarom kan Eiser op goede gronden aanspraak maken op vergoeding van schade in de woning en andere kosten als gevolg van de hennepkwekerij. Dat er schade is ontstaan, is onmiskenbaar, gezien de door Eiser overgelegde foto's van de toestand van diens woning na het aantreffen van de hennepkwekerij en diens aangifte van vernieling van zijn woning. Ook staat genoegzaam vast dat Eiser E 8.800,00 aan kosten heeft gemaakt om restanten van de hennepkwekerij op te laten ruimen en herstelwerkzaamheden in de woning te laten verrichten, want hij heeft dit onderbouwd met facturen en de gemaakte kosten zijn reëel gelet op de ravage in de woning. Causaal verband tussen de hennepkwekerij en de schade staat voldoende vast. Het aangevoerde dat Gedaagde niet weet wat er is gebeurd in de woning tussen de ontmanteling van de hennepkwekerij op 24 oktober 2016 en de herstelwerkzaamheden in het voorjaar van 2017 doet hieraan niet af.

2.7,1 Overigens is verklaarbaar dat de werkzaamheden niet eerder zijn verricht, want als gevolg van de burgemeesterssluiting voor de duur van drie maanden kon Eiser geruime tijd de woning niet in.

2,8 Om genoemde redenen wordt de gevorderde hoofdsom van € 21.300,00 (E 12.500,00 + E 8.800,00) toegewezen. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2018. De tot die datum reeds vervallen rente van € 144,95 wordt ook toegewezen.

2.9 Eiser maakt tevens aanspraak op € 1.195,48 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw. Het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) is hierop van toepassing. Aan de voorwaarden van dat Besluit wordt voldaan, ook wat betreft de hoogte van het gevorderde bedrag. Dat bedrag is berekend aan de hand van de toewijsbare hoofdsom. Het gevorderde bedrag van € 1.195,48 wordt daarom toegewezen, met rente, als gevorderd.

2.10 Gedaagde wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten veroordeeld, aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 577,75 aan verschotten (griffierecht, explootkosten en informatiekosten) en € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde. De apart gevorderde nakosten warden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten. Een en ander met rente.

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen € 21.444,95 aan hoofdsom en reeds vervallen rente, te vermeerderen niet de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 21.300,00 vanaf 11 januari 2018 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen € 1.195,48 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 14 dagen na dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op:

- € 577,75 aan verschotten;
- € 800,00 aan salaris voor de gemachtigde;
- beide bedragen le vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien Gedaagde niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op:

- € 205,00 aan nasalaris, te verhogen met een bedrag van € 68,00 aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw;