Huurder stelt dat de huurprijs de helft moest zijn. Slaagt niet in het bewijzen

De verhuurder vordert bij de rechter dat de huurovereenkomst met zijn huurder wordt ontbonden. Ook eist de verhuurder dat de huurder wordt veroordeeld tot het betalen van €3.623,50 aan huurachterstand en de overige kosten van de procedure. De huurder is het er niet mee eens en stelt dat er na het tekenen van een huurcontract is afgesproken dat de huurprijs maar de helft van wat er in het contract staat zou zijn. De verhuurder betwist dat dit zou zijn afgesproken, waardoor het op de weg van de huurder ligt om zijn stelling te bewijzen.

De huurder probeert dit te bewijzen en laat enkele e-mails zien. Uit deze e-mails blijkt weliswaar dat er onderling is gesproken over een halvering van de huurprijs, maar uit deze e-mails blijkt ook dat hier duidelijke voorwaarden aan verbonden zijn. Uit deze e-mails blijkt niet dat de huurder ook aan deze voorwaarden voldaan heeft. De rechter is dan ook van mening dat het de verhuurder niet gelukt is om zijn stelling te bewijzen. De rechter wijst de eisen van de verhuurder toe en ontbindt de huurovereenkomst. Daarbij veroordeelt de rechter de huurder om de huurachterstand te betalen en veroordeelt de rechter de huurder in de kosten van de procedure.

Datum: 7 juni 2017
Rechtbank: Rechtbank Den Haag
Zaaknummer: 5718757 RL EXPL 17-4283

Vonnis

van de kantonrechter in de zaak van:

EISER,

wonende te, eisende partij,

hierna ook te noemen: Eiser, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung (IntoCash),

tegen

GEDAAGDE,

wonende te , gedaagde partij,

hierna ook te noemen: Gedaagde, procederend in persoon.

1. Procedure

1.1.        De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

-                   de dagvaarding van 3 februari 2017 met producties;

-                   de conclusie van antwoord met producties;

-                   de bij brief van 24 april 2017 door Eiser in het geding gebrachte producties.

1.2.         Op dinsdag 2 mei 2017 heeft een comparitie na antwoord plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen Eiser in persoon, bijgestaan door mr. E.C.Y. Cheung, en Gedaagde ook in persoon. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. Feiten

Tussen partijen staat, mede gelet op de door partijen overgelegde producties, als erkend dan wel niet of niet voldoende weersproken - voor zover in deze van belang - het volgende vast.

2.1.         Tussen Eiser als verhuurder en Gedaagde als huurder is een huurovereenkomst tot stand gekomen.

2.2.         Bij de totstandkoming van deze huurovereenkomst zijn Eiser en Gedaagde een huurprijs van € 600,- per maand overeengekomen.

3. Geschil

3.1.         Eiser vordert — kort samengevat — dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a.   de tussen partijen bestaande huurovereenkomst wordt ontbonden,

b.   Gedaagde wordt veroordeeld om de woning binnen zeven dagen na dit vonnis met al de haren en het hare te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Eiser te stellen,

c.   Gedaagde wordt veroordeeld om aan Eiser te betalen de som van € 3.623,50, met de wettelijke rente over € 3.600,- vanaf 26 januari 2017 tot de dag der algehele voldoening,

d.   Gedaagde wordt veroordeeld om aan Eiser te betalen een bedrag van € 600,- (onder voorbehoud van eventuele huurverhoging) voor iedere ingegane maand dat Gedaagde de woning vanaf 1 februari 2017 nog in haar bezit zal houden,

met veroordeling van Gedaagde in de (na)kosten van deze procedure en te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf 14 dagen na dit vonnis.

3.2.          Eiser legt aan haar vordering, naast voormelde feiten, het volgende ten grondslag. Gedaagde is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst door tot en met januari 2017 een huurachterstand te laten ontstaan van € 3.600,-. Deze tekortkoming rechtvaardigt de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning. Naast betaling van bedoeld bedrag aan huurachterstand maakt Eiser aanspraak op de wettelijke rente die, berekend tot en met 26 januari 2017, een bedraa beloopt van € 23,50.

3.3.         Gedaagde voert gemotiveerd verweer. Op dit verweer wordt hierna - voor zover van belang - nader ingegaan.

4. Beoordeling

4.1.          De eerste vraag die beantwoord dient te worden is of Gedaagde met Eiser na de totstandkoming van de huurovereenkomst de door haar gestelde lagere huurprijs van € 300,- per maand is overeengekomen. De kantonrechter beantwoord die vraag ontkennend. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.2.   Partijen zijn het erover eens dat zij bij de totstandkoming van de huurovereenkomst een huurprijs van € 600,- per maand zijn overeengekomen. Gedaagde stelt evenwel na die datum met Eiser een lagere huurprijs van € 300,- per maand te zijn overeengekomen. Het is aan Gedaagde, die zich beroept op een afspraak die daarna, eind november 2016, zou zijn gemaakt en waarbij de huufprijs is verlaagd naar € 300,- pér maand, om die afspraak - welke door Eiser is betwist - te bewijzen. De door Gedaagde overgelegde e-mailberichten en de betaalbewijzen van juni en oktober 2016 en februari en maart 2017 zijn echter niet voldoende om als bewijs te dienen dat de huurprijs van € 600,- is verlaagd naar € 300,-. Uit deze e-mails blijkt weliswaar dat partijen eind november 2016 hebben gesproken over de verlaging van de huurprijs naar € 300,-, maar Eiser heeft in die e-mails ook duidelijk kenbaar gemaakt dat zij slechts onder voorwaarden kon instemmen met deze huurverlaging. Gesteld noch gebleken is dat Gedaagde aan die voorwaarden heeft voldaan. Omdat Gedaagde geen (ander) bewijs heeft aangeboden en de kantonrechter evenmin aanleiding heeft om Gedaagde ambtshalve bewijs op te dragen, is Gedaagde niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat zij met Eiser eind november 2016 een nieuwe, lagere huurprijs van € 300,- is overgekomen.

4.3.           De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden is of Gedaagde de huur over de periode van mei 2016 tot en met april 2017 van € 7.200,- (12 x € 600,-) heeft voldaan. Ook die vraag beantwoord de kantonrechter ontkennend. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.4.           Gedaagde stelt bij de totstandkoming van de huurovereenkomst met Eiser te zijn overeengekomen dat zij de woning voor een bedrag van € 14.400,- mocht verbouwen, dat opa de verbouwingskosten zou voorfinancieren, dat Gedaagde maandelijks de huur van € 600,- aan Eiser zou voldoen en dat Eiser van die huurbetaling de verbouwingskosten aan opa zou terugbetalen. Gedaagde stelt daarnaast dat opa de door hem voorgeschoten kosten voor de verbouwing aan Eiser heeft geschonken, althans dat hij niet langer terugbetaling verlangt, en dat opa daardoor twee jaar huur voor Gedaagde heeft betaald.

4.5. Als de stelling van Gedaagde dat opa het door hem voorgeschoten bedrag voor de verbouwing aan Eiser heeft geschonken, althans dat hij niet langer terugbetaling verlangt, al juist is - hetgeen Eiser heeft betwist - leidt dit niet tot de conclusie dat Gedaagde daarmee aan haar betalingsverplichting jegens Eiser heeft voldaan of dat zij wordt ontslagen van haar betalingsverplichting jegens Eiser. Het al dan niet terugbetalen van de voorgeschoten kosten voor de verbouwing van de woning aan opa door Eiser heeft immers alleen betrekking op de rechtsverhouding tussen opa en Eiser en niet op die tussen Gedaagde en Eiser. Die door opa voorgeschoten bedragen strekken dan ook niet in mindering op de door Gedaagde aan Eiser verschuldigde huur.

4.6. Uit het door Eiser overgelegde actuele overzicht van de huurachterstand blijkt dat Gedaagde tot en met april 2017 een achterstand in de huurbetalingen heeft van € 5 100 - In dat actuele overzicht staat vermeld dat Gedaagde voor november 2016 nog een bedrag van € 300,- aan Eiser verschuldigd is. Uit het tussen Gedaagde en Eiser op 25 oktober 2016 gevoerde WhatsApp-gesprek, die Gedaagde als productie 4 heeft overgelegd, geeft Eiser echter op een vraag van Gedaagde het volgende aan: En ja, de huur van november is bij deze voldaan. Daaruit volgt dat ook Eiser van mening was dat de huur voor de maand november 2016 was voldaan. Dat nu wel betaling van een deel van de huur voor die maand wordt gevorderd is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onnavolgbaar. Dat bedrag dient dan ook nog in mindering te strekken op het bedrag van € 5.100,-. Niet is gebleken dat Gedaagde meer betalingen heeft verricht dan die in het overzicht staan vermeld. Dit betekent dat de kantonrechter Gedaagde zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4 800 - aan huurachterstand.

4.7.        De huurachterstand betekent een toerekenbaar tekortschieten van Gedaagde in de nakoming van haar betalingsverplichtingen jegens Eiser, en wel in zodanige omvang dat de door Eiser gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning gerechtvaardigd is. De daarop gerichte vorderingen zijn dan ook toewijsbaar. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden van Gedaagde zijn niet van dien aard dat die zouden moeten leiden tot een ander oordeel.

4.8.        De wettelijke rente is ook toewijsbaar, nu Gedaagde hiertegen geen zelfstandig verweer heeft gevoerd en zich ook overigens niets hiertegen verzet.

4.9.        Als de in het ongelijk gestelde partij zal Gedaagde in de kosten van de procedure aan de zijde van Eiser worden veroordeeld. De nakosten zullen op de hierna in het dictum weergegeven wijze worden toegewezen.

5. Beslissing

De kantonrechter:

ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst ten aanzien van de woning aan de Kanaalweg 83 te Den Haag;

veroordeelt Gedaagde om de woning aan de Kanaalweg 83 te Den Haag binnen zeven dagen na betekening van het vonnis met al wie en al wat zich daarin van de zijde van Gedaagde mocht bevinden te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Eiser te stellen;

veroordeelt Gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan Eiser te betalen de som van € 4.823,50, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.600,00 vanaf 26 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en voorts te betalen een bedrag van € 600,- (exclusief eventuele huurverhoging) voor iedere maand, gedurende welke Gedaagde de woning na 1 mei 2017 in bezit zal houden, een ingegane maand voor een hele gerekend;

- veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op € 673,30, waarvan € 350,- aan salaris gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde tot betaling van € 87,50 aan nasalaris, voor zover Eiser ook daadwerkelijk nakosten zal maken, en voorts, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.