Huurder wilt openstaande huur verrekenen met loon wat hij nog krijgt van de broer van de verhuurster

Een huurder in Maastricht heeft met een huurprijs van €438,- een achterstand van € 15.834,00 laten ontstaan. De verhuurster is naar de rechter gestapt om de huurovereenkomst te laten ontbinden. Huurder heeft de huurachterstand op zich erkend en beroept zich op verrekening daarvan met een vordering die hij heeft op de broer van verhuurster, genaamd Arnold. De huurder heeft namelijk voor de broer van de verhuurster gewerkt en zegt dat hij daar nog loon van krijgt.

Vast staat dat de betalingsachterstand van huurder € 15.834,00,- bedraagt. Dit bedrag is toewijsbaar, tenzij bij de beoordeling van het verweer blijkt dat huurder gerechtigd is de vordering van verhuurster te mogen verrekenen, dan wel sprake is van rechtsverwerking. Huurder heeft gesteld dat het loon voor door hem verrichtte werkzaamheden voor Arnold verrekend dient te worden met de huurachterstand. Volgens huurder is voor die werk­zaamheden zelden loon uitbetaald, in plaats daarvan werd met het loon de huur voldaan, daar ging huurder althans vanuit en verhuurster heeft dit nooit betwist.

Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. De bevoegd­heid tot verrekening bestaat niet ten aanzien van een vordering en een schuld die in van el­kaar gescheiden vermogens vallen. Dit laatste is in dit geval aan de orde. Huurder preten­deert immers een loonvordering op Arnold, terwijl hij een schuld heeft aan verhuurster. Niet is gebleken dat verhuurster ermee heeft ingestemd dat haar vordering op huurder zou worden verrekend met diens vordering op Arnold. De huurder wordt dan ook door de rechter in het ongelijk gesteld.

Datum: 6 februari 2019
Rechtbank: Rechtbank Limburg
Zaaknummer: 7280229 CV EXPL 18-6411

Vonnis

in de zaak van

EISER

eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung;

tegen

GEDAAGDE

gedaagde partij,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna verhuurster en huurder genoemd.

1.         De procedure

1.1.       Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- het tussenvonnis waarbij een comparitie van partijen is bevolen;
- het proces-verbaal van de comparitie van 11 januari 2019.

1.2.       Ten slotte is vonnis bepaald.

2.         Het geschil

2.1.       Huurder huurt van verhuurster de woning gelegen te Maastricht voor een huurprijs van thans € 438,- per maand. De huurprijs is bij vooruitbeta­ling verschuldigd.

2.2.       De huurachterstand bedraagt € 15.834,00,- tot 24 september 2018.

2.3.       Verhuurster heeft de ontbinding van de huurovereenkomst en de veroordeling tot ontruiming van het gehuurde en betaling van de huurachterstand plus de tot aan de ontrui­ming verschuldigde termijnen gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

2.4.       Huurder heeft de huurachterstand op zich erkend en zich beroepen op verrekening daarvan met de vordering die hij heeft op de broer van verhuurster, A. Prickaerts ("Arnout"), ter zake van loonvoor de werkzaamheden die hij voor het bedrijf van Arnout heeft verricht.

3.         De Beoordeling

3.1.       Vast staat dat de betalingsachterstand van huurder € 15.834,00,- bedraagt. Dit bedrag is toewijsbaar, tenzij bij de beoordeling van het verweer blijkt dat huurder gerechtigd is de vordering van verhuurster te mogen verrekenen, dan wel sprake is van rechtsverwerking.

3.2.       Huurder heeft gesteld dat het loon voor door hem verrichtte werkzaamheden voor Arnout verrekend dient te worden met de huurachterstand. Volgens huurder is voor die werk­zaamheden zelden loon uitbetaald, in plaats daarvan werd met het loon de huur voldaan, daar ging huurder althans vanuit en verhuurster heeft dit nooit betwist.

Een schuldenaar heeft de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. De bevoegd­heid tot verrekening bestaat niet ten aanzien van een vordering en een schuld die in van el­kaar gescheiden vermogens vallen. Dit laatste is in dit geval aan de orde. Huurder preten­deert immers een loonvordering op Arnout, terwijl hij een schuld heeft aan verhuurster. Niet is gebleken dat verhuurster ermee heeft ingestemd dat haar vordering op huurder zou worden verrekend met diens vordering op Arnout.

3.3.       De huurder heeft zich tegen de vordering eveneens verzet door te stellen dat hij. de betalingsachterstand niet behoeft te voldoen, omdat verhuurster hem in de periode van inten­sief contact rondom een faillisementsverhoor van Arnout niet op de betalingsachterstand heeft gewezen. In deze stelling leest de kantonrechter een beroep op rechtsverwerking. Uitgangspunt bij de beoordeling van het beroep op rechtsverwerking is dat enkel tijdsverloop of stilzitten geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daar­toe is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden vereist als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Het enkele feit dat eiseres in de periode rond het faillissementsverhoor niets heeft gezegd over de betalingsachterstand kan niet gelden als een zo bijzondere omstandigheid.

3.4.       Uit de omvang en duur van de tekortkoming van huurder volgt dat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de daarbij behorende ontruiming van de woning worden toegewezen. Uit billijkheidsoverwegingen zal de ontruimingstermijn worden gesteld op twee weken na betekening van dit vonnis.

3.5.       De vordering van € 15.834,00,- ter zake van achterstallige huur tot 24 september 2018 wordt eveneens toegewezen. Dit geldt ook voor de vordering van € 438,- per maand voor iedere ingegane maand na september 2018 dat huurder met de ontruiming van het ge­huurde in gebreke blijft, tot het tijdstip van ontruiming.

3.6.       De huurprijs is maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigd. Reeds door het passe­ren van die datum zonder dat betaald is, verkeert de huurder in verzuim. De gevorderde wet­telijke rente wordt dan ook toegewezen.

3.7.       Huurder zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten van verhuurster. Deze worden tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 98,01 voor exploot, € 476,00 voor griffierecht en € 600,00 aan salaris gemachtigde, derhalve in totaal € 1.174,01, te vermeerderen met de wet­telijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoe­ning.

3.8.       De gevorderde nakosten worden op de hierna onder 4.3. weergegeven wijze toege­wezen.

4.         De beslissing

De kantonrechter

4.1.       ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de woning gelegen te Maastricht en veroordeelt huurder de woning binnen twee weken na betekening van dit vonnis met alle personen en zaken die zich van de kant van huurder in en om het gehuurde bevinden, te verlaten en te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van verhuurster te stellen;

4.2.       veroordeelt huurder om aan verhuurster tegen deugdelijk bewijs van kwijting te beta­len:

€ 15.842,68 ter zake van de huurachterstand tot en met september 2018 inclusief de tot en

met 24 september 2018 vervallen rente, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

25 september 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

€ 438,- voor iedere ingegane maand na september 2018 dat huurder niet aan de veroorde­ling onder 4.1. heeft voldaan;
€ 1.174,01 aan proceskosten, bij gebreke van voldoening binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 15de dag daarna tot aan de dag van algehele voldoening;

4.3.       veroordeelt huurder, onder de voorwaarde dat huurder niet binnen twee weken na aanschrijving door verhuurster volledig aan de veroordelingen onder 4.1. en '4.2. voldoet, om aan verhuurster tegen deugdelijk bewijs van kwijting de na dit vonnis ontstane kosten te be­talen, begroot op € 100 aan salaris gemachtigde;