Huurprijs vastgesteld door kantonrechter

De eiser vordert een huurachterstand van een paar duizenden euro samen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure. Op de zitting vertelt de verhuurder (eiser) dat hij aan de huurder (gedaagde) een huurovereenkomst heeft aangeboden. Deze overeenkomst heeft de gedaagde niet ondertekend en hij heeft zich ook niet laten inschrijven bij de gemeente. Hierdoor is er discussie ontstaan over de hoogte van de huurprijs. Het verweer van de huurder is dat er is afgesproken dat de huur €300,- per maand zou zijn in plaats van de door verhuurder gestelde €380,- per maand. De rechter vindt dat als dit waar was hij dit had moeten onderbouwen met voorbeelden wanneer er €300,- is betaald. Dit heeft hij niet gedaan. Vervolgens is de huurder ook niet op de comparitie verschenen en heeft zijn stelling dus onvoldoende toegelicht. De hoofdsom wordt toegewezen samen met alle kosten.

Datum: 29 oktober 2009
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton, locatie Rotterdam
Zaaknummer: 1015903 \ CV EXPL 09-341 83

Vonnis

in de zaak van

Eiser, wonende te, eiser bij exploot van dagvaarding van 6 augustus 2009, gemachtigde: IntoCash.

tegen

Gedaagde, wonende te Rotterdam, gedaagde, procederend in persoon.

Het verloop van het proces

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

het exploot van dagvaarding van 6 augustus 2009;

het proces-verbaal van het mondelinge antwoord van gedaagde;

het vonnis van 3 september 2009 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

de akte aan de zijde van eiser.

De comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 24 september 2009. Eiser is verschenen in persoon, in bijzijn van zijn gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung. Gedaagde is niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting heeft de griffier proces-verbaal opgemaakt.

Vervolgens is het vonnis bepaald op heden.

De vordering en de grondslag daarvan

Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd om bij vonnis, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om aan eiser te voldoen:

een bedrag van € 5.960,00, zijnde de huurachterstand tot en met de maand augustus 2009;

een bedrag van € 190,16, zijnde de wettelijke rente over iedere huurpenning vanaf de vervaldatum van iedere huurpenning tot aan 4 augustus 2009;

de wettelijke rente over de huurachterstand vanaf 4 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

een bedrag van € 700,00, zijnde de buitengerechtelijk kosten, alsmede de daarover verschuldigde btw;

de kosten van de procedure.

Eiser heeft aan zijn eis -samengevat weergegeven en voor zover thans van belang- het volgende ten grondslag gelegd.

Tussen eiser als verhuurder en gedaagde als huurder bestaat sinds I maart 2008 een huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde staande en gelegen aan de. De maandelijks bij vooruitbetaling verschuldigde huurprijs bedraagt € 380,00 per maand, welke huurprijs voorde eerste van elke maand moet zijn voldaan. Gedaagde is ondanks aanmaningen van eiser en zijn gemachtigde wederom in gebreke gebleven met de stipte betaling van de huurpenningen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. De gemachtigde van gedaagde heeft getracht de vordering buiten rechte te incasseren en heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht die voor een afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen. Eiser vordert de aan gemachtigde verschuldigde kosten primair op grond van de wet en subsidiair op grond van rapport Voorwerk II alsmede de redelijkheid en billijkheid.

Eiser stelt ter comparitie dat hij aan gedaagde een huurovereenkomst heeft aangeboden. Gedaagde heeft deze echter niet ondertekend en heeft zich ook niet laten inschrijven bij de gemeente. Toen gedaagde het huurcontract sloot zou hij twee maanden blijven. In maart en april 2008 heeft hij in gedeelten de huur betaald en nog een deel van mei 2008. Hij heeft toen de borg niet betaald, Voor de betalingen die gedaagde heeft gedaan heeft hij een kwitantie gekregen. Vervolgens heeft gedaagde eind augustus en begin september nog twee betalingen gedaan.

Eiser heeft bij akte zijn vordering nader gespecificeerd in die zin dat de huurachterstand tot en met de maand september 2009 thans € 5.090,00 bedraagt.

Het verweer

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de eis. Hij heeft -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- aangevoerd dat de afgesproken huur € 300,00 per maand bedraagt. Gedaagde betwist dan ook de door eiser gestelde huur van € 380,00 per maand. Hij begrijpt niet hoe eiser aan dat bedrag komt, Wanneer hij de huur betaalt krijgt hij altijd een kwitantie. Gedaagde stelt voorts dat hij wel een achterstand heeft, nu hij sommige maanden niet betaald heeft, maar hij heeft het zelf verder niet gecontroleerd. Het aantal maanden achterstand kan wel kloppen, alleen de hoogte van de huur klopt niet.

De beoordeling van de vordering

Tussen partijen is in de onderhavige procedure in eerste instantie in geschil de hoogte van de verschuldigde huurtermijnen. Eiser heeft zich standvastig op het standpunt gesteld dat de overeengekomen huur € 380,00 bedraagt en heeft onweersproken gesteld dat aan gedaagde een huurovereenkomst is aangeboden waarin deze huurprijs ook is opgenomen. Uit de door eiser in het geding gebrachte specificaties blijkt dat gedaagde vanaf de maand mei 2008, behalve op 6 april 2009,9 juli 2009 en 22 augustus 2009, nimmer huurtermijnen heeft voldaan, hetgeen zijn standpunt voor wat betreft de hoogte van de huurtermijnen had kunnen onderbouwen. Nu gedaagde voorts heeft afgezien van nadere stellingname zal de kantonrechter ervan uitgaan dat tussen partijen heeft te gelden een huurprijs van € 380,00 per maand.

Vast is komen te staan dat gedaagde een substantiële huurachterstand heeft laten ontstaan vanaf de maand mei 2008 tot en met de maand augustus 2009. Gedaagde is niet ter comparitie verschenen, noch is van hem een bericht van verhindering ontvangen. Uit de door eiser nader in het geding gebrachte specificatie blijkt dat de huurachterstand tot en met de maand september 2009 thans € 5.090,00 bedraagt, waarin de betalingen van gedaagde op 6 april 2009, 9 juli 2009 en 22 augustus 2009 zijn verwerkt. Voor zover eiser heeft bedoeld zijn eis te vermeerderen, zal dit buiten beschouwing worden gelaten, nu gedaagde niet in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. Nu gedaagde geen andere betalingsbewijzen in het geding heeft gebracht waarmee eiser in zijn berekening nog geen rekening heeft gehouden zal de kantonrechter uitgaan van de juistheid van de hoogte van de huurachterstand berekend tot en met de maand augustus 2009. Aan hoofdsom is dan ook toewijsbaar een bedrag van € 4.710,00.

De onweersproken gelaten rente zal worden toegewezen zoals in het dictum vermeld, met dien verstande dat de gevorderde vervallen rente tot 4 augustus 2009 zal worden afgewezen. Nu een lager bedrag aan hoofdsom wordt toegewezen dan is gevorderd, kan het door eiser gestelde bedrag aan tot aan de dagvaarding vervallen wettelijke rente niet juist zijn.

Eiser heeft een vergoeding ad € 833,00 voor de buitengerechtelijke werkzaamheden gevorderd en heeft daartoe gesteld dat het redelijke kosten ter verkrijging van voldoening van de vordering buiten rechte betreffen en dat deze daadwerkelijk zijn gemaakt. Deze stellingname is door gedaagde onweersproken gebleven, terwijl uit de door etser overgelegde producties in voldoende mate blijkt van door hem c.q. zijn gemachtigde verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden. De vordering ter zake van de buitengerechtelijke kosten zal dan ook eveneens worden toegewezen, zij het dat deze kosten berekend dienen te worden over genoemd bedrag aan hoofdsom van 6 4.710,00. Aan buitengerechtelijke kosten is dan ook toewijsbaar een bedrag van € 714,00.

Hetgeen partijen nog verder over en weer hebben aangevoerd, kan in deze procedure als niet van belang zijnde verder onbesproken blijven.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde worden verwezen in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde om aan eiser tegen kwijting te betalen € 5.424,00 aan achterstallige huurtermijnen tot en met de maand augustus 2009 en buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 4.710,00 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiser vastgesteld op € 293,98 aan verschotten en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Nouwt en uitgesproken ter openbare terechtzitting.