In stand houden schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid leidt tot veroordeling

De eiser in deze zaak houdt zich bezig met schilderen en glaszetten. De gedaagde handelt in advertentieruimte, onder andere ruimte op steigers voor het plaatsen van reclamedoeken. Eiser voerde in het najaar van 2011 schilderwerken uit aan het Centraal Station in Amsterdam. Eiser maakte daarbij gebruik van steigers van P.  Eiser heeft in opdracht van Gedaagde werkzaamheden verricht ter aanpassing van een steiger bij het Centraal Station, zodat Gedaagde daaraan reclame kon plaatsen. Daarvoor zijn partijen betaling van een bedrag van € 4.000,- exclusief BTW overeengekomen. Nadien bleek dat extra verankering van de steiger nodig was. Gedaagde is akkoord gegaan met de extra kosten daarvoor. Eiser heeft de werkzaamheden uitgevoerd. De door Eiser voor de verrichte werkzaamheden verzonden factuur heeft Gedaagde niet betaald. Nu Gedaagde ondanks diverse aanmaningen heeft nagelaten te betalen, maakt Eiser tevens aanspraak op de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde reageert daarop dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen, omdat Gedaagde niet bevoegd was. Al zou er een overeenkomst zijn, dan was niet Eiser, maar K partij bij die overeenkomst. De rechter oordeelt echter dat Gedaagde wel in verzuim verkeert en veroordeelt gedaagde in de kosten.

Datum: 8 april 2014
Rechtbank: Rechtbank Amsterdam, Afdeling privaatrecht
Zaaknummer: 1405449 \ HA EXPL 13-20

Vonnis

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, gevestigd, eiser, nader te noemen Eiser,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung van IntoCash,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde, gevestigd te, gedaagde, nader te noemen Gedaagde,

gemachtigde mr. G.A. van Gorcom

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 9 oktober 2013 en de daarin genoemde stukken (hierna: het tussenvonnis),
de akte van 4 december 2013 met productie, de antwoordakte van 11 februari 2013.
Daarna is vonnis bepaald.

De verdere beoordeling

1. In het tussenvonnis heeft de kantonrechter Eiser toegelaten om te bewijzen dat P haar kosten in rekening heeft gebracht voor de extra verankering van de steiger.

2. Bij akte heeft Eiser daartoe een brief van 7 november 2013 in het geding gebracht. De brief is opgesteld uit naam van de directeur van P (hierna: P), de heer L (hierna: L), en op het briefpapier staat het logo van P vermeld. De strekking van de brief is dat P in de periode van september tot en met november 2011 (als onderdeel van een groter totaalbedrag) een bedrag van € 1.750,- aan Eiser in rekening heeft gebracht voor het aanbrengen van extra verankering aan steigers vanwege een daaraan te bevestigen reclamedoek en dat Eiser dat bedrag aan P heeft voldaan. Op grond daarvan is Eiser in het opgedragen bewijs geslaagd, aldus Eiser.

3. Gedaagde heeft bij antwoordakte betwist dat het bewijs is geleverd, aangezien (kort gezegd) Eiser de totaalfactuur niet in het geding heeft gebracht, uit de verklaring van L niet duidelijk wordt of hij direct betrokken was bij de betaling en Gedaagde niet de mogelijkheid heeft gehad L (onder ede) te horen.

4. De kantonrechter is van oordeel dat uit schriftelijke verklaring van L met redelijke mate van zekerheid blijkt dat P aan Eiser een bedrag van € 1.750,- in rekening heeft gebracht voor het aanbrengen van extra verankering aan de steiger en dat Eiser deze kosten aan P heeft betaald. De kantonrechter acht daarvoor van belang dat de verklaring is opgesteld op briefpapier van P en - zoals Gedaagde onbetwist heeft gesteld - is ondertekend door haar directeur, zodat het niet voor de hand ligt dat L een onjuiste verklaring heeft afgelegd. Gedaagde heeft ook niet toegelicht waaruit dat zou blijken. Dat de totaalfactuur niet in het geding is gebracht en dat L niet onder ede is gehoord maakt het voorgaande niet anders, aangezien de kantonrechter op grond van artikel 151 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vrij is in de waardering van het bewijs, ook van schriftelijke (getuigen)verklaringen. Op grond van het voorgaande acht de kantonrechter Eiser geslaagd in het haar opdragen bewijs, zodat ook het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de in rekening gebrachte extra verankeringswerkzaamheden zal worden toegewezen tot het bedrag van € 1.750,- (exclusief BTW).

5. Nu bij tussenvonnis van de vordering reeds een bedrag van € 4.000,- exclusief BTW toewijsbaar is geoordeeld, zal de kantonrechter de vordering thans toewijzen tot een totaalbedrag van € 5.750,- exclusief BTW (€ 6.842,50 inclusief BTW).

6. Aangezien op de factuur geen betalingstermijn is vermeld, Gedaagde bij brief van 23 januari 2012 is aangemaand om de factuur uiterlijk 1 februari 2012 te betalen en betaling van de factuur is uitgebleven, stelt de kantonrechter vast dat Gedaagde per 1 februari 2012 in verzuim verkeert. Gedaagde heeft de gevorderde wettelijke rente niet betwist, zodat deze met ingang van die dag zal worden toegewezen.

7. De vordering tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen. Eiser heeft niet voldoende gesteld en toegelicht dat de kosten waarvan zij vergoeding vordert ook daadwerkelijk dienen te worden beschouwd als buitengerechtelijke incassokosten.

8. Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten worden tot op heden begroot op:

Griffierecht € 448,-
explootkosten € 76,17
salaris gemachtigde € 625,- (2,5 punten x € 250,-)
totaal € 1.149,17

Beslissing

De kantonrechter:

I. veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van € 6.842,50 (inclusief 19% BTW) aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2012 tot aan de dag van betaling;
II. veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 1.149,17 inclusief eventueel verschuldigde btw;
III. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
IV. wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. B. van Berge Henegouwen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tussenvonnis

Uitspraak: 9 oktober 2013

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, gevestigd, eiser, nader te noemen Eiser,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde, gevestigd te, gedaagde, nader te noemen Gedaagde,

gemachtigde mr. G.A. van Gorcom

Verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

de dagvaarding van 19 december 2012 inhoudende de vordering van Eiser, met producties 1 tot en met 5,
de conclusie van antwoord van 13 maart 2012, met producties 1 tot en met 3,
het tussenvonnis van 27 maart 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,
het proces-verbaal van de comparitie van 17 juni 2012 met de daarin vermelde stukken.

Daarna is vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1 De bedrijfsactiviteiten van Eiser bestaan uit schilderen en glaszetten. Bestuurder van Eiser is de heer W (hierna: W). W is tevens middellijk bestuurder van K (hierna: K).

1.2 De bedrijfsactiviteiten van Gedaagde bestaan uit het handelen in advertentieruimte, onder andere ruimte op steigers voor het plaatsen van reclamedoeken. De heer S (hierna: S) is via de besloten vennootschap B middellijk bestuurder van Gedaagde. G (hierna: G) was in 2011 werkzaam voor Gedaagde.

1.3  Eiser voerde in het najaar van 2011 schilderwerken uit aan het Centraal Station in Amsterdam. Eiser maakte daarbij gebruik van steigers van (hierna: P).

1.4 G heeft op 26 oktober 2011 vanaf mail adres ... aan W via e-mailadres … het volgende bericht:

"Ik bevestig graag nog even per mail de afspraken die we zojuist telefonisch hebben afgerond:
Uiterlijk 8 november einde dag is de volledige steiger opgebouwd die UW nodig heeft om onderstaande afbeelding op te plaatsen (liefst eerder)
Als de werkzaamheden het toestaan dan probeer je de steiger zo spoedig mogelijk om te laten bouwen zodat we de datum naar voren kunnen schuiven
De steiger blijft tenminste staan tot en met 30 november
Mocht het nog nodig zijn om kleine aanpassingen te doen aan de steiger dan ben je bereid om dit te coördineren (morgen wordt er ingemeten dus dan weten we meer)
UW is er van op de hoogte dat de linker steiger max 50 cm uitsteekt maar daarnaast lever je een vlakke steiger op
Jij zorgt voor voldoende verankering voor eventuele extra belasting die het doek en het frame op de steiger hebben
Jij ontvangt voor bovenstaande inspanningen een bedrag van 4.000 euro. UW ontvangt hiervoor van jou een factuur.
Zodra we een definitieve 'go' hebben ontvangen van onze adverteerder brengen we je op de hoogte. (...)"

S is in het e-mailbericht ingecopieerd.

1.5 G heeft op 27 oktober 2011 aan W het volgende bericht:

"(...) Daarnaast was ik zojuist op de locatie om de doeken op te meten en sprak ik met Koos. Hij heeft me aangegeven dat 1 november de man van de markiezen klaar is en dat woensdag (2 november) de steiger omgebouwd kan worden. Kan jij dit bevestigen en zorgen dat Patrick zich daar aan houdt? Wij hebben de linker steiger vanaf donderdag (3 november) nodig voor de voorbereidingen! (...)
Een paar andere opmerkingen die onze monteur heeft meegegeven zijn:
- Voor de zekerheid extra verankeringen in de huidige steiger en de steiger die er komen gaat laten plaatsen (...)"

S is in het e-mailbericht ingecopieerd.

1.6 G heeft bij e-mailbericht van 1 november 2011 aan W via e-mailadres … het volgende bericht:

"As woensdag/donderdag gaat de monteur van de frames al aan de slag op de huidige steiger. Van jouw projectleider en Patrick heb ik begrepen dat as vrijdag de 2e steiger al is opgezet en dat is wat ons betreft akkoord. Zou jij opdracht willen geven aan Patrick om voor het weekend de verankeringen klaar te hebben voor de huidige en voor de nog op te bouwen steiger? (...) Maandag en dinsdag wordt het werk op de 2e steiger afgemaakt. (...)"

1.7 W heeft G daarna op 1 november 2011 als volgt bericht:

"(...) Wat betreft bepaalde afspraken het volgende: (...)
Eiser zorgt niet voor extra verankering, dit is niet afgesproken. Indien dit noodzakelijk is en P rekent daar geld voor dan zal dit doorberekend worden aan UW. Deze kosten zitten niet in de afgesproken € 4.000 excl. BTW (als P dit gratis doet dan kost het jullie ook niks extra 's). Evt andere aanpassingen in de steiger die voor ons kostenverhogend zijn zullen doorberekend worden aan UW, deze kosten zitten niet in de afgesproken € 4.000—exclusief BTW. (...)"

1.8 G heeft bij e-mailbericht van 2 november 2011 aan de heer Z via e- mailadres het volgende bericht:

"Ha Joop,
(...)
Na jouw telefoontje van vanmorgen kunnen we je ook akkoord geven op eventuele kosten voor het plaatsen van verankeringen in de muur. (..,)"

De heer Z (hierna: Z) is werkzaam als voorman voor K en Eiser.

1.9 S heeft W op 5 november 2011 als volgt bericht:

"(...) Ons montagebedrijf heeft geconstateerd dat de steiger bij CS onvoldoende verankerd is om het doek te kunnen dragen boven windkracht 4. Graag steigerbouwer activeren. (...)"

1.10 S heeft W bij e-mailbericht van 6 november 2011 om 18:26 uur als volgt bericht:

"(...) Er komt geen doek; uiteindelijk wil de gemeente niet tijdig toestemming verlenen. Nog meer verankeren hoeft dus niet. (...)".

1.11 S heeft W en Z bij e-mailbericht van 8 november 2011 als volgt bericht:

"(...) Ik zou het erg waarderen indien jullie mij genadig kunnen zijn en geen factuur sturen"

1.12 Eiser heeft Gedaagde bij factuur van 21 november 2011 voor het verrichten van extra voorzieningen veiligheid/steigerhuur in verband met aanbrengen van reclame een bedrag van € 4.000,— en voor extra verankering een bedrag van € 1.952,-- (totaal € 7.080,50 inclusief BTW) in rekening gebracht. Op de factuur staat geen betalingstermijn vermeld.

1.13 Eiser heeft bij brieven van 23 januari, 15 maart en 29 maart 2012 Gedaagde gesommeerd tot betaling over te gaan.

Vordering en verweer

2. Eiser vordert dat Gedaagde bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. € 7.080,50 aan hoofdsom;
b. € 700,— aan buitengerechtelijke incassokosten;
c. € 600,43 aan rente, berekend vanaf de vervaldatum tot aan 11 december 2012;
d. rente over de hoofdsom vanaf 11 december 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;
e. de proceskosten, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde en de kosten van de dagvaarding.

3. Eiser legt hieraan - kort gezegd - het volgende ten grondslag. Eiser heeft in opdracht van Gedaagde werkzaamheden verricht ter aanpassing van een steiger bij het Centraal Station, zodat Gedaagde daaraan reclame kon plaatsen. Daarvoor zijn partijen betaling van een bedrag van € 4.000,- exclusief BTW overeengekomen. Nadien bleek dat extra verankering van de steiger nodig was. Gedaagde is akkoord gegaan met de extra kosten daarvoor. Eiser heeft de werkzaamheden uitgevoerd. De door Eiser voor de verrichte werkzaamheden verzonden factuur heeft Gedaagde niet betaald. Nu Gedaagde ondanks diverse aanmaningen heeft nagelaten te betalen, maakt Eiser tevens aanspraak op de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten.

4. Gedaagde voert verweer tegen de vordering en voert daartoe - kort samengevat - aan dat geen overeenkomst met Gedaagde tot stand is gekomen, omdat G niet bevoegd was om Gedaagde te vertegenwoordigen. Voor zover wel een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen, heeft Gedaagde subsidiair als verweer gevoerd dat niet Eiser, maar K partij is bij die overeenkomst. Meer subsidiair heeft Gedaagde aangevoerd dat geen sprake is geweest van een onvoorwaardelijke overeenkomst. Ten slotte heeft Gedaagde nog aangevoerd dat er voor Eiser besparingen in de zin van artikel 7:764 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zijn geweest die in mindering moeten worden gebracht op de aanneemsom.

Beoordeling

Schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid

5. Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of Gedaagde gebonden is aan de afspraken zoals weergegeven in de opdrachtbevestigingen van G aan Eiser van 26 oktober 2011 (rov. 1.4) en 2 november 2011 (rov. 1.8). Als meest verstrekkende verweer heeft Gedaagde aangevoerd dat daarvan geen sprake is, omdat G niet bevoegd was Gedaagde te vertegenwoordigen. Eiser heeft niet weersproken dat G niet bevoegd was om Gedaagde te vertegenwoordigen, maar zij heeft aangevoerd dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat G bevoegd was om Gedaagde te vertegenwoordigen.

6. Een vertegenwoordigde is bij het ontbreken van een toereikende volmacht in beginsel niet gebonden aan een rechtshandeling van een onbevoegd vertegenwoordiger. Dit is op grond van artikel 3:61 lid 2 BW anders als degene in wiens naam is gehandeld zelf de schijn van de aanwezigheid van een toereikende volmacht heeft gewekt. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft S (middellijk bestuurder van Gedaagde) de schijn gewekt dat G bevoegd was Gedaagde te vertegenwoordigen doordat hij de door G gemaakte afspraken met Eiser - nadat hij daarvan op de hoogte was geraakt - heeft laten voortbestaan en niet aan Eiser heeft meegedeeld dat Gedaagde zich daaraan niet gebonden achtte.

7. Het voorgaande leidt er toe dat Gedaagde op grond van artikel 3:61 lid 2 BW aan de hiervoor bij rov. 5 genoemde afspraken is gebonden.

Eiser partij bij de afspraken?

8. Subsidiair heeft Gedaagde aangevoerd dat niet Eiser maar K partij is bij de gemaakte afspraken. In dat verband heeft Gedaagde aangevoerd dat G de afspraken namens Gedaagde heeft bevestigd via e- mailextensie …

9. Uit het verhandelde ter comparitie is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de heer W als vertegenwoordiger van Eiser met Gedaagde afspraken heeft gemaakt over de aanpassing van de steiger. Dat G de gemaakte afspraken vervolgens heeft bevestigd via de e-mailextensie van K - waarvan W middellijk directeur is - is onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat K daarbij partij zou zijn. Het verweer van Gedaagde wordt verworpen.

Onvoorwaardelijke overeenkomst?

10. Meer subsidiair heeft Gedaagde als verweer gevoerd dat op basis van het e- mailbericht van 26 oktober 2011 geen onvoorwaardelijke overeenkomst tot stand is gekomen, aangezien daarin het voorbehoud is gemaald dat een definitieve 'go' van de adverteerder diende te worden afgewacht alvorens met de werkzaamheden kon worden gestart.

11. De kantonrechter begrijpt het verweer van Gedaagde in die zin dat zij heeft bedoeld aan te voeren dat in de overeenkomst een opschortende voorwaarde is opgenomen welke niet in vervulling is gegaan, zodat Eiser geen nakoming van de overeenkomst kan vorderen. Voor zover de overeenkomst zo moet worden begrepen dat daarin een opschortende voorwaarde is opgenomen, blijkt uit het bij rov. 1.4 tot en met 1.6 weergegeven e-mailverkeer dat de overeenkomst onvoorwaardelijk is geworden, zodat het verweer wordt verworpen.

Besparingen?

12. Gedaagde heeft voorts aangevoerd dat er voor Eiser besparingen zijn geweest omdat zij het project op 6 november 2011 heeft afgeblazen. De besparingen bestaan er uit dat de extra verankering van de steiger niet is uitgevoerd en dat de steiger eerder is afgebroken dan was voorzien. De aanneemsom moet met de besparingen worden verminderd op grond van artikel 7:764 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aldus steeds Gedaagde. Eiser heeft weersproken dat er voor Eiser besparingen zijn geweest.

13. Nu Gedaagde zich erop beroept dat sprake is geweest van besparingen en Eiser dat betwist, rust de stelplicht en het bewijsrisico van die stelling bij Gedaagde. Gedaagde heeft evenwel onvoldoende onderbouwd dat er door het afblazen van het project op 6 november 2011 voor Eiser besparingen zijn geweest. Dat leidt er toe dat geen aanleiding bestaat Gedaagde toe te laten tot het bewijs van die stelling. Ter toelichting hiervan geldt het volgende.

14. Uit het bij rov. 1.4 e.v. weergegeven e-mailverkeer is voldoende aannemelijk geworden dat de aanpassing en extra verankering van de steiger op aandringen van Gedaagde hebben plaatsgevonden voor en in het weekend van 5 november 2011. Dat Gedaagde vervolgens op 6 november 2011 aan het einde van de dag aan W heeft bericht dat niet nog meer verankering hoefde plaats te vinden, kan derhalve op dit punt niet tot besparingen voor Eiser hebben geleid. De mededeling van S aan W van 5 november 2011 dat de steiger onvoldoende was verankerd, maakt het voorgaande niet anders omdat die médedeling niet uitsluit dat op 6 november 2011 aan het einde van de dag de extra verankering van de steiger reeds had plaatsgevonden. Uit de omstandigheid dat de steiger vroegtijdig zou zijn afgebroken, kunnen - daargelaten of steigerhuur voor de duur van 4 weken onderdeel uitmaakt van de afspraken - zonder nadere toelichting evenmin besparingen voor Eiser worden afgeleid. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Betaling

15. Nu in het voorgaande is geoordeeld dat Gedaagde gebonden is aan de afspraken die G met Eiser heeft gemaakt en dat Eiser de overeengekomen werkzaamheden heeft uitgevoerd, dient Gedaagde daarvoor te betalen zoals Eiser heeft gevorderd. Uit de opdrachtbevestiging van 26 oktober 2011 blijkt dat voor de daarbij bevestigde werkzaamheden een prijs is afgesproken van € 4.000,-- exclusief BTW. Gedaagde heeft tegen dat deel van de vordering verder geen verweer gevoerd, zodat de vordering van Eiser tot dat bedrag toewijsbaar is.

16. Voor de in de opdrachtbevestiging van 2 november 2011 genoemde extra verankeringswerkzaamheden zijn partijen van te voren geen prijs overeengekomen. Gedaagde heeft aangevoerd dat deze werkzaamheden onderdeel uitmaken van de oorspronkelijk overeengekomen werkzaamheden en aldus vallen onder de daarvoor overeengekomen prijs van € 4.000,--. Eiser heeft dat gemotiveerd weersproken.

17. Na de opdrachtbevestiging van 26 oktober 2011 hebben partijen blijkens het bij rov. rov.1.6 tot en met 1.8 weergegeven e-mailverkeer uitvoerig gecorrespondeerd over de extra verankeringswerkzaamheden. W heeft aan Gedaagde meegedeeld dat deze werkzaamheden niet zijn begrepen in de oorspronkelijke afgesproken prijs en dat extra kosten voor Eiser daarvoor aan Gedaagde zullen worden doorberekend. Vervolgens heeft G daarvoor bij e-mailbericht van 2 november 2011 akkoord gegeven. Anders dan Gedaagde is de kantonrechter van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat naast de werkzaamheden genoemd in de opdrachtbevestiging van 26 oktober 2011, extra verankeringswerkzaamheden zijn overeengekomen die geen onderdeel uitmaakten van de oorspronkelijk overeengekomen prijs van € 4.000,--.

18. Gedaagde heeft in dit kader subsidiair aangevoerd dat is overeengekomen dat Eiser Gedaagde voor de extra verankering slechts de kosten in rekening zou brengen die P daarvoor op haar beurt aan Eiser in rekening heeft gebracht. Dat P Eiser daarvoor kosten in rekening heeft gebracht, blijkt niet uit de stukken, aldus Gedaagde. Eiser heeft deze weergave van de afspraken tussen partijen niet weersproken. Zij heeft wel aangevoerd dat zij voor de extra verankering een factuur van P heeft voldaan, zodat zij deze kosten aan Gedaagde mocht doorbelasten. Van deze stelling heeft Eiser bewijs aangeboden.

19. Nu Eiser zich erop beroept dat P haar kosten in rekening heeft gebracht voor extra verankering van de steiger, rust - gelet op de betwisting daarvan door Gedaagde - op haar de last om dat te bewijzen. Nu dat bewijs op grond van het dossier niet is geleverd, zal Eiser, overeenkomstig haar aanbod, worden toegelaten om dat alsnog te bewijzen. De kantonrechter overweegt dat het in de rede ligt dat dit bewijs door middel van het overleggen van factu(u)r(en) en/of betalingsbewijzen zal worden geleverd. Indien en voor zover Eiser erin slaagt te bewijzen dat P haar kosten in rekening heeft gebracht voor de extra verankeringswerkzaamheden, zal haar vordering worden toegewezen tot de hoogte van het door P aan Eiser in rekening gebrachte bedrag. Indien en voor zover Eiser daarin niet slaagt, zal het verweer van Gedaagde worden gehonoreerd en zal de vordering voor dat gedeelte worden afgewezen.

20. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

De kantonrechter:

I. draagt Eiser op te bewijzen dat en welke kosten P haar voor de extra verankering van de steiger in rekening heeft gebracht,
II. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 6 november 2013 voor uitlating door Eiser of zij bewijs wil leveren door het overleggen van stukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
III. bepaalt dat Eiser, indien zij geen bewijs door getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, die stukken direct in het geding moet brengen,
IV. bepaalt dat Eiser, indien zij getuigen wil laten horen, de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden november 2013 tot en met januari 2014 direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
V. bepaalt dat dit getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. B. van Berge Henegouwen in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220,
VI. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
VII. houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. B. van Berge Henegouwen, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.