Koninkrijk Saoedi-Arabië veroordeeld tot betaling fontein ambtswoning

In april 2011 heeft de eiser in opdracht van het Koninkrijk Saoedi-Arabië een fontein geplaatst in de tuin van de ambtswoning van de Ambassadeur. Er is overeengekomen dat het Koninkrijk Saoedi-Arabië vijftig procent van de overeengekomen prijs aan het begin betaald. Na de plaatsing van de fontein heeft de eiser aan het Koninkrijk Saoedi-Arabië een factuur verzonden met het andere deel. De factuur is tot op heden onbetaald gebleven. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië zegt dat de eiser is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De fontein is niet conform de afspraak geleverd en komt niet overeen met wat het Koninkrijk mocht verwachten. De rechter constateert dat de fontein, zoals die is geleverd en geïnstalleerd door de eiser, niet afwijkt van de offerte. Het verweer van het Koninkrijk Saoedi-Arabië slaagt derhalve niet. De eiser heeft de fontein geleverd en geïnstalleerd conform de overeenkomst en de vordering van de eiser tot betaling van het resterende bedrag voor de fontein zal dan ook worden toegewezen.

Datum: 16 september 2013
Rechtbank: 's-Gravenhage, Team kanton, locatie 's-Gravenhage
Zaaknummer: 1154701 RL EXPL 12-8402

Vonnis

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EISER, gevestigd te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash,

tegen

HET KONINKRIJK SAOUDI-ARABIË, alhier te Nederland vertegenwoordigd door haar Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur Z.E. de heer X, zetelende te Den Haag, gedaagde partij,

gemachtigde: mr.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" en "het Koninkrijk Saoedi-Arabië".

1. Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de dagvaarding d.d. 15 maart 2012, met producties;
de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele vordering, met producties;
de conclusie van antwoord in het incident;
het vonnis in incident d.d. 15 oktober 2012;
de brief met bijlage van de zijde van Eiser d.d. 14 januari 2013;
de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen gehouden op 22 januari 2013, waarbij van de zijde van Eiser zijn verschenen de heer K en gemachtigde en waarbij van de zijde van het Koninkrijk Saoedi-Arabië zijn verschenen de heer en gemachtigde;
de akte uitlating voortzetting procedure van de zijde van Eiser d.d. 4 maart 2013;
de akte uitlating van de zijde van het Koninkrijk Saoedi-Arabië d.d. 4 maart 2013;
de akte uitlating vervolg procedure van de zijde van het Koninkrijk Saoedi-Arabië d.d. 15 april 2013;
de akte uitlating van de zijde van Eiser d.d. 15 april 2013;
een faxbericht van de zijde van Eiser d.d. 16 april 2013;
de akte uitlaten voortgang procedure van de zijde van Eiser d.d. 27 mei 2013;
de akte uitlaten vervolg procedure van de zijde van het Koninkrijk Saoedi-Arabië d.d. 27 mei 2013;
de aantekeningen van de griffier van de voortgezette comparitie gehouden op 25 juni 2013, waarbij van de zijde van Eiser zijn verschenen de heer K en gemachtigde en waarbij van de zijde van het Koninkrijk Saoedi-Arabië zijn verschenen de heer H, mevrouw I en de gemachtigde;
de akte uitlating betreffende descente rechtbank gepland op 4 juli 2013 van de zijde van het Koninkrijk Saoedi-Arabië, d.d. 28 juni 2013, met producties;
het proces-verbaal van de descente gehouden op 4 juli 2013, waarbij van de zijde van Eiser aanwezig waren de heer K en gemachtigde en zijdens het Koninkrijk Saoedi-Arabië haar Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur Z.E. de heer X alsmede de heer H en mevrouw I en de gemachtigde;
de akte uitlating voortzetting procedure van de zijde van Eiser d.d. 22 juli 2013;
de akte uitlating vervolg procedure van de zijde van het Koninkrijk Saoedi-Arabië d.d. 22 juli 2013.

2. Feiten

Op 13 april 2011 heeft Eiser in opdracht van het Koninkrijk Saoedi-Arabië een fontein geplaatst in de tuin van de ambtswoning van de Ambassadeur. Voor aanvang van de plaatsing heeft het Koninkrijk Saoedi-Arabië, zoals overeengekomen tussen partijen, vijftig procent van de overeengekomen prijs betaald, zijnde een bedrag van € 4.100,- exclusief BTW. Voor het resterende deel van de betaling heeft Eiser op 15 april 2011, na de plaatsing van de fontein, aan het Koninkrijk Saoedi-Arabië een factuur verzonden ad € 4.879,- inclusief BTW. De factuur is tot op heden onbetaald gebleven.

De offerte van 19 januari 2011 is op 17 maart 2011 door de ambassadeur van het Koninkrijk Saoedi-Arabië ondertekend.

3. Vordering

Eiser vordert - zakelijk weergegeven - het Koninkrijk Saoedi-Arabië te veroordelen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van een bedrag van € 4.879,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening en de buitengerechtelijke kosten ad € 600,-, alsmede de proceskosten.

Aan haar vordering legt Eiser ten grondslag dat het Koninkrijk Saoedi-Arabië is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen, doordat zij de factuur niet tijdig heeft voldaan. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië heeft de factuur, ondanks herhaaldelijke sommatie, tot op heden onbetaald gelaten en is derhalve in verzuim geraakt. Om haar vordering te incasseren heeft eiseres haar vordering uit handen moeten geven aan haar gemachtigde en buitengerechtelijke kosten moeten maken, begroot op € 600,-. Krachtens primair de overeenkomst, subsidiair de wet, tertiair op grond van rapport Voorwerk II alsmede de redelijkheid en billijkheid, dient het Koninkrijk Saoedi-Arabië genoemde kosten aan Eiser te vergoeden. Eiser maakt voorts aanspraak op de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening. De hoogte van de wettelijke rente is tot 27 december 2012 berekend op een bedrag van € 275,46.

4. Verweer

Het Koninkrijk Saoedi-Arabië heeft de vordering bestreden en daartoe aangevoerd dat Eiser is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. De fontein is niet conform de afspraak geleverd en komt niet overeen met hetgeen het Koninkrijk redelijkerwijs van Eiser mocht verwachten bij de nakoming van de overeenkomst. Ondanks het feit dat het Koninkrijk Saoedi-Arabië Eiser vanaf de dag van de installatie meermalen heeft gewezen op haar tekortkomingen en heeft verzocht deze te repareren, is de fontein tot op heden niet hersteld. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië verzoekt de kantonrechter dan ook Eiser niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, dan wel deze ongegrond te verklaren of haar de vordering te ontzeggen, de gevorderde wettelijke rente en de incassokosten af te wijzen, alsmede Eiser te veroordelen in de kosten van de procedure.

5. Beoordeling

Vast staat dat het Koninkrijk Saoedi-Arabië de offerte van de plaatsing van de fontein heeft ontvangen en deze heeft ondertekend. Voorts is niet weersproken dat het Koninkrijk Saoedi-Arabië de factuur alsook de herinneringen en aanmaningen tot betaling heeft ontvangen, doch dat de factuur tot op heden onbetaald is gebleven.

Het Koninkrijk Saoedi-Arabië heeft tegen de vordering van Eiser uitvoerig verweer gevoerd en gesteld dat de fontein niet op de juiste wijze is gemonteerd, de gebruikte materialen niet in overeenstemming zijn met hetgeen is overeengekomen en dat de verrichte werkzaamheden niet voldoen aan de vereisten of kwaliteit die het Koninkrijk Saoedi-Arabië mocht verwachten. De fontein is derhalve non-conform de overeenkomst geleverd. Ter onderbouwing van haar verweer heeft het Koninkrijk Saoedi-Arabië allereerst aangevoerd dat de kabels zichtbaar zijn, los liggen en onveilig en slordig zijn weggewerkt. Eiser heeft dit standpunt gemotiveerd weersproken en daartoe gesteld dat het probleem dat het Koninkrijk Saoedi-Arabië ervaart met de kabels opgelost kan worden door het gebruik van mantelbuizen, maar dat de aanleg hiervan buiten de offerte valt.

Bij gelegenheid van comparitie is tussen partijen vast komen te staan dat de aanleg van zowel de mantelbuizen als de primaire stroomvoorziening geen onderdeel uitmaakt van de overeenkomst. De aanleg ervan komt derhalve voor rekening en verantwoordelijkheid van het Koninkrijk Saoedi-Arabië. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 22 januari 2013 is vastgesteld dat de stroomvoorziening dient te functioneren alvorens de kantonrechter toekomt aan beantwoording van de vraag of de fontein overeenkomstig de offerte is geleverd. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië is derhalve door de kantonrechter in de gelegenheid gesteld de stroomvoorziening aan te leggen.

Tijdens de descente, welke op 4 juli 2013 heeft plaatsgevonden, heeft de kantonrechter geconstateerd dat de stroomvoorziening inmiddels was aangelegd, doch niet overeenkomstig het elektriciteitsschema dat door Eiser aan het Koninkrijk Saoedi-Arabië is toegezonden. De pomp van de fontein functioneerde niet, omdat de aanwezige elektriciteitsaansluiting maximaal 6 ampère door liet, terwijl de pomp 7,3 ampère nodig heeft. Dit probleem is tijdens de descente verholpen, waarna de kantonrechter heeft geconstateerd dat de fontein functioneerde. Eiser heeft hierop gesteld dat de fontein thans naar behoren functioneert en dat zij dus overeenkomstig de offerte aan het Koninkrijk Saoedi-Arabië heeft geleverd. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië heeft echter betwist dat vastgesteld kan worden dat de fontein conform de overeenkomst is geleverd, nu de vormgeving van de fontein, of anders gezegd het spuitbeeld, niet overeenkomt met hetgeen partijen zijn overeengekomen.

Gelet op voorgaande houdt partijen nog verdeeld de vraag of de vormgeving van de fontein voldoet aan hetgeen het Koninkrijk Saoedi-Arabië hiervan had mogen verwachten. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië heeft aangevoerd dat de vormgeving van de fontein te smal en puntvormig is, terwijl een bredere vormgeving is overeengekomen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft het Koninkrijk Saoedi-Arabië een afbeelding van de fontein overgelegd, die door Eiser met de offerte was meegestuurd teneinde een impressie van de fontein te geven. Eiser betwist dat de vormgeving van de fontein niet voldoet aan hetgeen partijen zijn overeengekomen.

Tijdens de descente op 4 juli 2013 heeft de kantonrechter geconstateerd dat de vormgeving van de fontein, zoals die is geleverd en geïnstalleerd door Eiser, niet afwijkt van de vormgeving van de fontein zoals te zien op de bij de offerte gevoegde afbeelding. Het verweer van het Koninkrijk Saoedi-Arabië slaagt derhalve niet. Eiser heeft de fontein geleverd en geïnstalleerd conform de overeenkomst en de vordering van Eiser tot betaling van het resterende bedrag voor de fontein ad € 4.879,- zal dan ook worden toegewezen.

Het Koninkrijk Saoedi-Arabië heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Het Koninkrijk Saoedi-Arabië voert daartoe aan dat deze opgelopen kosten voor rekening van Eiser dienen te komen, nu het Koninkrijk Saoedi-Arabië herhaaldelijk en regelmatig te kennen heeft gegeven de geleverde werkzaamheden niet te accepteren en herstel te verwachten. Nu in deze procedure is komen vast te staan dat Eiser conform de overeenkomst heeft geleverd, slaagt dit verweer van het Koninkrijk Saoedi-Arabië niet. De vordering tot betaling van de wettelijke rente zal derhalve worden toegewezen. Voor wat betreft de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter verder dat Eiser deze kosten voldoende heeft onderbouwd en dat is gebleken dat de kosten zien op werkzaamheden anders dan die ter voorbereiding van de procedure en ter instructie van de zaak. De buitengerechtelijke kosten ad € 600,- zullen, als op de wet gegrond en als een redelijk geacht bedrag, eveneens worden toegewezen.

Het Koninkrijk Saoedi-Arabië zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

6. Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt het Koninkrijk Saoedi-Arabië om aan EISER te betalen een bedrag van € 5.479,-, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen over € 4.879,- vanaf de vervaldatum tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt het Koninkrijk Saoedi-Arabië in de kosten van de procedure tot op heden aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 1.513,17, waarvan € 1.000,-aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. T.J. Sleeswijk Visser-De Boer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 september 2013.

Vonnis in incident

d.d. 15 oktober 2012

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, gevestigd te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y Cheung, werkzaam bij IntoCash,

tegen

HET KONINKRIJK SAOEDI-ARABIË, alhier te Nederland vertegenwoordigd door haar Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur Z.E. de heer X, zetelend te 's-Gravenhage, gedaagde partij, gemachtigde: mr. A.I. Al-Alim/Ruttink.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" en "Het koninkrijk Saoedi-Arabië".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de dagvaarding van 15 maart 2012;
de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele vordering;
de conclusie van antwoord in het incident.

Vordering, grondslag en verweer in het incident

Het koninkrijk Saoedi-Arabië vordert dat de kantonrechter:

I de dagvaarding nietig verklaart dan wel deze vernietigt als gevolg van een vormverzuim, namelijk het ontbreken van een geldige vertaling;

II Eiser veroordeelt om alsnog een (beëdigde) vertaling van de dagvaarding te doen leveren naar de Arabische taal;

III Eiser veroordeelt om aan te tonen dat de procedure ex artikel 3a van de Deurwaarderswet is gevolgd alvorens de dagvaarding is betekend;

IV Eiser veroordeelt in de kosten van dit incident.

Het koninkrijk Saoedi-Arabië legt aan deze vordering ten grondslag dat de dagvaarding nietig dan wel vernietigbaar is, nu Eiser heeft verzuimd de dagvaarding te doen vergezellen van een vertaling. Deze verplichting volgt onder meer uit artikel 22 lid 1 en lid 3 van de United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property van 2 december 2004. Bovendien blijkt niet dat Eiser de procedure ex artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet heeft gevolgd.

Eiser concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van het koninkrijk Saoedi-Arabië in haar incidentele vorderingen, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van het koninkrijk Saoedi-Arabië in de kosten van dit incident te vermeerderen met de wettelijke rente. Eiser voert daartoe aan dat er geen sprake is van enig vormverzuim en de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. Hiertoe voert Eiser aan dat een vertaling van de dagvaarding rechtens niet noodzakelijk is en dat het koninkrijk Saoedi-Arabië niet in haar belangen is geschaad, nu zij tijdig verweer ten principale heeft gevoerd en voldoende tijd heeft gehad de dagvaarding te (laten) vertalen. Bovendien is de United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property van 2 december 2004 niet van toepassing, omdat dit verdrag betrekking heft op handelingen die een staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak, waarvan in dit geval geen sprake is. Tot slot heeft Eiser contact gehad met een medewerker van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, die heeft aangegeven dat de dagvaarding op juiste wijze is betekend en er geen sprake is van strijdigheid met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse staat. Om die reden is er geen sprake van dat artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet niet is nageleefd.

Beoordeling in het incident

Tussen partijen is in geschil of de uitgebrachte dagvaarding nietig is dan wel vernietigd dient te worden, nu de dagvaarding niet is vergezeld van een vertaling. De kantonrechter is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag achterwege kan worden gelaten, nu het koninkrijk Saoedi-Arabië in de procedure is verschenen en in de Nederlandse taal' gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de vordering. Voor zover er al sprake geweest zou zijn van een nietigheid in de dagvaarding, is deze nietigheid door het tijdig verschijnen en gemotiveerd verweer voeren door het koninkrijk Saoedi-Arabië gedekt en kan dit niet leiden tot vernietiging van de dagvaarding. De incidentele vorderingen tot nietigverklaring dan wel vernietiging van de dagvaarding zullen om die reden worden afgewezen.

De incidentele vordering om Eiser te veroordelen om alsnog een vertaling van de dagvaarding te doen leveren wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter overweegt daartoe dat het koninkrijk Saoedi-Arabië reeds kennis heeft genomen van de inhoud van de dagvaarding, hetgeen blijkt uit het gemotiveerde verweer dat van haar zijde in de Nederlandse taal is gevoerd. Het koninkrijk Saoedi-Arabië heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen belang meer bij de vertaling van de dagvaarding.

Het voorgaande brengt mee dat de incidentele vorderingen sub I en II zullen worden afgewezen.

Met betrekking tot de stelling van het koninkrijk Saoedi-Arabië dat Eiser de procedure ex artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet niet heeft gevolgd overweegt de kantonrechter als volgt. Eiser heeft bij conclusie van antwoord in het incident een productie in het geding gebracht, te weten een brief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, waaruit blijkt dat Eiser deze procedure wel heeft gevolgd. Dit brengt mee dat de incidentele vordering sub III zal worden afgewezen.

Nu de incidentele vorderingen worden afgewezen, zal het koninkrijk Saoedi-Arabië worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

Alvorens in de hoofdzaak verder te beslissen heeft de kantonrechter behoefte aan nadere inlichtingen. De kantonrechter zal daartoe een comparitie van partijen bepalen, die tevens benut kan worden voor het beproeven van een minnelijke regeling. Partijen wordt verzocht stukken, waarop zij zich ter comparitie willen beroepen, tijdig - in kopie - toe te zenden aan de kantonrechter en de wederpartij.

Beslissing

De kantonrechter:

in het incident

wijst de vorderingen af;

veroordeelt het koninkrijk Saoedi-Arabië in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op € 250,- aan salaris gemachtigde, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

gelast partijen, desgewenst vergezeld van hun gemachtigden, te verschijnen voor de kantonrechter die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan no. 60 te 's-Gravenhage in een der vertrekken op de eerste etage (melden bii balie C) op:

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. T.J. Sleeswijk Visser-de Boer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2012.