Kort geding - Verhuurder heeft spoedeisend belang gezien de voortdurende huurachterstand

De verhuurder heeft met de huurder een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot een studio in Rotterdam. Hiervoor zou de huurder €585,35 per maand betalen, maar heeft inmiddels een achterstand laten oplopen van €2.863,78. De verhuurder wilt dan ook de huurder laten veroordelen in ontruiming van de woning. De gedaagde weet dat hij deze huurachterstand heeft en geeft aan dat hij de huur niet heeft kunnen betalen omdat hij geen werk had en omdat hij niet wist dat hij een uitkering kon aanvragen. Hij heeft hulp gezocht bij de kredietbank en wil de huurachterstand gaan terugbetalen, desnoods met een lening bij zijn zus.

Omdat de verhuurder een kort geding is gestart is het vereist dat er sprake is van een spoedeisend belang. De verhuurder toont bij de rechter aan dat er al meer dan twee jaar sprake is van een constante huurachterstand zonder dat de huurder aantoont dat dit binnenkort verbeterd gaat worden. Gezien deze omstandigheden en de belangen van de partijen oordeelt de rechter dat het vereiste spoedeisend belang is aangenomen. Vervolgens kijkt de rechter of de vordering van de verhuurder in een bodemprocedure een grote kans van slagen heeft. Aangezien de huurder de hoogte van de huurachterstand erkend is het zeer aannemelijk dat de vordering in een eventuele bodemprocedure zou worden toegewezen. De rechter oordeelt dat het een ernstige, herhaalde en langdurige wanprestatie is dat er gedurende twee jaar telkens een oplopende huurachterstand is en wijst de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning toe. Wel geeft de rechter de huurder twee weken de tijd om aan zijn zus te vragen om de volledige achterstand en alle kosten te voldoen.

Datum: 7 februari 2017
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 5568821 VV EXPL 16-501

Vonnis in kort geding

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser B.V.,

gevestigd te,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 3 januari 2017, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung (IntoCash),

tegen

Gedaagde,

wonende te, gedaagde,

procederende in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als Eiser en Gedaagde.
 

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft overeenkomstig de dagvaarding onder overlegging van stukken gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Gedaagde:

a.   om de studio met nummer 1 op de eerste verdieping aan de straatzijde van het pand (hierna: de woning) met al de hunnen en het hunne binnen 7 dagen na uitspraak van het te wijzen vonnis te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Eiser te stellen;

b.   tot betaling van de hoofdsom van € 3.767,03;

c.   tot betaling van, onder voorbehoud van huurverhoging, een bedrag van € 585,35 voor iedere maand najanuari 2017 dat Gedaagde met ontruiming van het gehuurde in gebreke blijft, een ingegane maand te rekenen voor een gehele;

d.   tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tot aan 2 januari 2017 een bedrag van € 45,39;

e.   tot betaling van de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 2 januari 2017 tot de dag van algehele voldoening;

f.    tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 443,17 exclusief btw, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening;

g.   tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis tot de dag van algehele voldoening;

h.   tot betaling van de nakosten van 50% van het geldende salaris gemachtigde, indien en voor zover Gedaagde niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis heeft voldaan;

i.    tot betaling van de kosten van de dagvaarding.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 24 januari 2017.
 

2.  De vaststaande feiten

In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

Partijen hebben per 1 augustus 2007 een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot studio 1 van het pand te Rotterdam. Gedaagde is bij vooruitbetaling een huurprijs verschuldigd van laatstelijk € 585,35 per maand.
 

3.  De stellingen van partijen

3.1  Aan de vordering heeft Eiser naast de onder 2 genoemde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - de volgende stellingen ten grondslag gelegd. Gedaagde blijft bij herhaling in gebreke met stipte nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst. Hij gaat vaak pas na herhaalde sommaties over tot betaling en hij heeft tot en met januari 2017 een huurachterstand laten ontstaan van € 2.863,78. Er is sprake van een dusdanig ernstige wanprestatie dat ontruiming van de woning gerechtvaardigd is.

Eiser heeft een spoedeisend belang bij haar vordering.

3.2  Gedaagde heeft de huurachterstand erkend. Hij heeft aangevoerd dat hij de huur niet heeft kunnen betalen omdat hij geen werk had en omdat hij niet wist dat hij een uitkering kon aanvragen, zodat hij geen inkomen had. Hij heeft hulp gezocht bij de kredietbank en wil de huurachterstand gaan terugbetalen. Hij gaat zijn zus vragen om het bedrag van de huurachterstand voor te schieten, zodat hij Eiser ineens kan betalen.
 

4.  De beoordeling van de vordering

4.1  Voor toewijzing van een vordering in kort geding is spoedeisend belang vereist.

Daarvan is sprake als van Eiser niet kan worden gevergd dat de beslissing in een bodemprocedure wordt afgewacht. Gezien de aard van de gevorderde voorziening die ingrijpend en onomkeerbaar is dient bij de beoordeling van de vraag of Eiser voldoende spoedeisend belang heeft, terughoudendheid betracht te worden. Eiser heeft in dit geval voldoende aangetoond dat reeds meer dan twee jaren sprake is van een voortdurende huurachterstand zonder dat er een reële aanwijzing is voor verbetering van het betaalgedrag van Gedaagde. In de gegeven omstandigheden wordt, mede gelet op de wederzijdse belangen, het vereiste spoedeisend belang aangenomen.

4.2  In dit kort geding dient te worden beoordeeld of de vordering van Eiser in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd. Ten aanzien van de gevorderde huurachterstand geldt dat voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding alleen plaats is als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist. Het spoedeisend belang wordt, zoals hiervoor overwogen, aanwezig geacht. Ten aanzien van het bestaan en de omvang van de vordering geldt dat Gedaagde het bestaan van de huurachterstand en de hoogte daarvan - een bedrag van

€ 2.863,78 tot en met januari 2017 - heeft erkend. Aannemelijk is dan ook dat de vordering

op dit punt in een eventuele bodemprocedure zou worden toegewezen, zodat deze thans ook kan worden toegewezen.

4.3  Ten aanzien van de vordering tot ontruiming van de woning wordt als volgt overwogen. De huurachterstand bedraagt tot en met januari 2017 € 2.863,78 dus bijna vijfmaanden. Daarbij komt dat al gedurende lange tijd — circa twee jaren — sprake is van een telkens weer oplopende huurachterstand, waarop Gedaagde ook al meermaals is aangesproken. Gelet op deze ernstige, herhaalde en langdurige wanprestatie is met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten dat de bodemrechter de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning zal toewijzen. De vordering zal dan ook worden toegewezen, zij het met dien verstande dat aan Gedaagde alsnog op de voet van artikel 7:280 BW de gelegenheid wordt geboden bij wijze van laatste kans om alsnog aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Daartoe wordt aanleiding gezien om Gedaagde de gelegenheid te bieden zijn zus te vragen om de volledige achterstand en overige kosten te voldoen. Die gelegenheid hoeft niet langer te duren dan twee weken na de uitspraak van dit vonnis.

4.4  De vordering tot betaling van de toekomstige huurtermijnen zal worden afgewezen, nu ten aanzien van dit gedeelte van de vordering geldt dat dit zich niet leent voor toewijzing in kort geding.

4.5  De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal als niet weersproken en gelet op het betalingsverzuim van Gedaagde eveneens worden toegewezen. Het gaat om een bedrag van € 45,39 tot 2 januari 2017 en voorts de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf die datum tot de dag van algehele voldoening.

4.6  De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, nu niet is gebleken dat een aanmaning is gestuurd die voldoet aan de vereisten zoals genoemd in artikel 6:96 lid 6 BW.

4.7  Gedaagde zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De apart gevorderde nakosten worden afgewezen, nu de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich in deze zaak niet reeds vooraf laten begroten. De wet voorziet voor deze kosten in een bijzondere rechtsgang (artikel 237 lid 4 Rv).
 

5. De beslissing

De kantonrechter,

rechtdoende in kort geding:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van € 2.909,17, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom van € 2.863,78 vanaf 2 januari 2017 tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op € 197,42 aan verschotten (griffierecht € 117,-- en dagvaardingskosten € 80,42) en op € 400,— aan salaris voor de gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

en voorts voor het geval Gedaagde aan bovenstaande veroordelingen binnen 14 dagen na de uitspraak van dit vonnis niet mocht hebben voldaan:

veroordeelt Gedaagde om binnen zeven dagen na het verstrijken van voornoemde termijn de studio met nummer 1 op de eerste verdieping aan de straatzijde van het pand te Rotterdam met al het zijne en de zijnen te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van Eiser te stellen;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.