Lening opeisbaar ook bij geen achterstand

De gedaagde in deze zaak heeft een relatie gehad met de dochter van de eiser. Zij hebben een geldleningsovereenkomst getekend. Een deel van deze lening is door de gedaagde afgelost, maar omdat de relatie geëindigd is ging het contact over de rest van de lening heel stroef. Eiser vordert nu dat de rest van de lening afgelost wordt. De gedaagde voert hierop het verweer dat hij met de eiser heeft afgesproken dat hij de kosten die de dochter van de eiser in het kader van de beëindiging van de samenwoning aan hem moet betalen, verrekent wilt zien met de lening. Tot slot stelt de gedaagde dat de vordering niet opeisbaar is omdat niet is afgesproken dat de lening opeisbaar wordt als de relatie beëindigd. De geldlening zou alleen opeisbaar worden als een aflossing niet wordt nagekomen. De rechter verwerpt dat verweer, omdat in de overeenkomst staat dat de lening te allen tijde door de eiser kan worden opgeëist. Het verhaal over verrekening heeft gedaagde onvoldoende onderbouwd, waardoor de rechter de gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure wordt veroordeelt.

Datum: 15 december 2011
Rechtbank: 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 776360

Vonnis

in de zaak van:

EISER 1, wonende te,

EISER 2, wonende te,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen

GEDAAGDE, wonende te,  gedaagde partij, gemachtigde:

Partijen zullen hierna "Eiser" en "Gedaagde" worden genoemd.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding,

de conclusie van antwoord,

de brief van mr. Cheung van 8 november 2011 met als bijlagen de producties 4 en 5,

de aantekeningen van de zitting, die op 17 november 2011 is gehouden.

Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Gedaagde heeft een relatie gehad met de dochter van Eiser. Op 5 januari 2009 hebben partijen een geldleningsovereenkomst getekend. Op basis van deze overeenkomst heeft Eiser een bedrag van € 11.294,00 aan Gedaagde geleend. Gedaagde heeft een deel van de lening afgelost. In artikel 5 van de overeenkomst is bepaald dat de lening door de geldgever te allen tijde opeisbaar is na schriftelijke waarschuwing en/of ingebrekestelling. Bij brief van 2 september 2009 heeft Eiser aan Gedaagde meegedeeld dat de lening per direct opvraagbaar wordt gesteld zoals opgenomen in het contract bij het verbreken van de relatie. De relatie tussen Gedaagde en Dochter van eiser is geëindigd. De relatie tussen Gedaagde en Dochter van eiser/Eiser verloopt zeer stroef.

3. Het geschil

Eiser vordert betaling van een bedrag van € 5.682,50, vermeerderd met de wettelijke rente (die berekend tot 18 juli 2001 € 530,97 bedraagt), met de buitengerechtelijke kosten (€ 833,00) en met de proceskosten.

Eiser voert aan dat Gedaagde een deel van de lening nog niet heeft afgelost. Het betreft een bedrag van € 5.682,50. Verder voert hij aan dat partijen een rente van 5 % per jaar zijn overeengekomen. Eiser voert tot slot aan dat hij de vordering ter incasso uit handen heeft moeten geven, waarvoor hij kosten heeft moeten maken van € 833,00. Hij maakt aanspraak op vergoeding van deze kosten.

Gedaagde voert verweer. Hij stelt dat hij omstreeks november 2009 met Eiser heeft afgesproken dat hij de kosten die Dochter van eiser in het kader van de beëindiging van de samenwoning aan hem moet betalen, mocht verrekenen met het restant van de lening. Verder stelt hij dat hij in november 2009 een bedrag van € 1.000,00 contant aan Eiser heeft betaald. Hij wijst in dat verband op de schriftelijke verklaring van mevrouw, de huidige partner van Gedaagde, en op het bankafschrift van mevrouw waaruit blijkt dat op 29 november een bedrag van € 1.000,00 is opgenomen van de rekening. Ook wijst hij op de schriftelijke verklaring van zijn vader. Op grond van de afspraak over de verrekening en op grond van de contante betaling stelt Gedaagde dat hij niets meer aan Eiser is verschuldigd. Tot slot stelt Gedaagde dat de vordering van Eiser niet opeisbaar is omdat niet is afgesproken dat de lening opeisbaar wordt als de relatie tussen Gedaagde en Dochter van eiser wordt beëindigd. Hij stelt dat artikel 5 van de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat de geldlening alleen opeisbaar wordt als een aflossing niet wordt nagekomen.

Eiser betwist dat afspraken zijn gemaakt over verrekening van bedragen. Hij wijst in dat verband op productie 4. Dit betreft een e-mail van Gedaagde van 14 maart 2010 aan Dochter van eiser. Daarin schrijft Gedaagde dat hij al eerder aan Eiser heeft aangegeven dat de zaak tussen hem en Dochter van eiser los staat van de zaak tussen hem en Eiser en dat hij de zaak met Dochter van eiser wil oplossen en niet met haar vader omdat hij en Dochter van eiser hebben samengewoond en de rekeningen op hun naam staan. Verder stelt Eiser dat Dochter van eiser niets aan Gedaagde is verschuldigd.

Eiser betwist ook dat bedrag van 6 1.000,00 is afgelost. Hij wijst in dat verband op productie 5. Dit betreft een brief van Gedaagde aan de toenmalige gemachtigde van Eiser van 22 februari 2010. Daarin erkent Gedaagde, aldus Eiser, dat hij in totaal een bedrag van € 5.682,49 aan Eiser moet betalen.

4. De beoordeling

De kantonrechter zal als eerste het meest verstrekkende verweer beoordelen. Dat verweer houdt in dat de vordering nog niet opeisbaar is. De kantonrechter verwerpt dat verweer. In de overeenkomst is bepaald dat de lening te allen tijde door Eiser kan worden opgeëist. Dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat die alleen opeisbaar wordt als sprake is van een achterstand in de aflossing strookt niet met de tekst van de overeenkomst en ook niet met de brieven van Gedaagde (productie 4 en 5) waarin hij niet protesteert tegen de opeising, maar erkent dat de vordering opeisbaar is. Ook in de visie van Gedaagde was de lening dus te allen tijde opzegbaar.

Gedaagde stelt dat hij de kosten die Dochter van eiser aan hem moet betalen, mocht verrekenen met het restant van de lening. Eiser betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt. Verder heeft hij aangegeven dat zijn dochter betwist dat zij nog een bedrag aan Gedaagde moet betalen. Gedaagde stelt in de stukken dat Dochter van eiser hem nog een bedrag van (inmiddels) € 4.908,49 moet betalen. Ter zitting heeft hij aangegeven dat Dochter van eiser het niet met dit bedrag eens is. Omdat niet op eenvoudig wijze kan worden vastgesteld of Gedaagde een tegenvordering heeft op Dochter van eiser/Eiser zal de kantonrechter het beroep op verrekening passeren (artikel 6:136 Burgerlijk Wetboek). Het verweer van Gedaagde wordt daarom verworpen. Gedaagde stelt tot slot dat hij een bedrag van € 1.000,00 contant heeft betaald. Eiser betwist dat.

De kantonrechter is van oordeel dat Gedaagde zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Daarbij worden de volgende omstandigheden in aanmerking genomen. Gedaagde heeft niet kunnen aangeven op welke datum in november 2009 het bedrag is betaald. Ook in de schriftelijke verklaringen wordt geen concrete datum genoemd. Verder blijkt uit het bankafschrift van mevrouw  niet in welk jaar het bedrag van € 1.000,00 is opgenomen. Bovendien heeft Gedaagde in zijn brief van 22 februari 2010 aangegeven dat hij in totaal een bedrag van € 5.682,49 aan Eiser moet betalen. Hij stelt in die brief namelijk dat Dochter van eiser hem een bedrag van € 3.806,00 is verschuldigd en dat na verrekening met dat bedrag nog een door hem te betalen bedrag resteert van € 1.876,40. Dat totaalbedrag strookt niet met zijn stelling dat hij enkele maanden daarvoor (in november 2009) € 1.000,00 contant heeft betaald. In dat geval zou hij namelijk nog maar een bedrag van € 4.682,49 zijn verschuldigd. Gedaagde heeft daarover op zitting aangegeven dat deze brief een fout is en dat hij daar niet bij nagedacht heeft. De kantonrechter acht die lezing niet aannemelijk. Bovendien stelt de kantonrechter vast dat Gedaagde ook in de brief aan zijn advocaat (productie 3 bij conclusie van antwoord) aangeeft dat hij een voorstel aan de deurwaarder heeft gedaan om een bedrag van € 1.876,40 te betalen, welk bedrag volgens hem na verrekening van de kosten van Dochter van eiser overbleef. Gelet op het voorgaande heeft Gedaagde zijn stelling dat hij € 1.000,00 contant heeft betaald, onvoldoende onderbouwd zodat de kantonrechter niet toekomt aan het opdragen van bewijs. Uit het voorgaande volgt dat Gedaagde een bedrag van € 5.682,50 aan Eiser moet betalen. Dit bedrag is daarom toewijsbaar. Gedaagde heeft niet betwist dat hij een rente is verschuldigd van 5 % per jaar. Het bedrag van € 530,97 tot 18 juli 2011 is daarom ook toewijsbaar, evenals de rente van 5 % per jaar vanaf deze datum over het bedrag van €5.682,50. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden afgewezen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van andere verrichtingen dan het versturen van een enkele sommatie. Voor die verrichtingen houden de proceskosten een vergoeding in.

Gedaagde wordt grotendeels in het ongelijk gesteld. Hij wordt daarom veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser een bedrag van € 6.213,47 te betalen, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 5 % per jaar over een bedrag van € 5.682,50 vanaf 18 juli 2011 tot aan de dag van volledige betaling,

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van Eiser tot op vandaag begroot op € 90,81 aan dagvaardingskosten, € 202,00 aan griffierecht en € 500,00 voor het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast),

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.