Mogelijke claim belastingdienst ketenaansprakelijkheid rechtvaardigt geen opschorting

Eiser en Gedaagde zijn beide gespecialiseerd in schilderwerk. Ze hebben een overeenkomst gesloten voor het ter beschikking stellen (door Eiser aan Gedaagde) arbeidskrachten. Hiervoor moest Gedaagde een uurtarief per gewerkt uur per persoon voor betalen aan Eiser. Deze arbeidskrachten hebben vervolgens voor Gedaagde schilderwerkzaamheden uitgevoerd. Eiser heeft deze werkzaamheden gefactureerd, maar deze zijn niet voldaan door de Gedaagde. In de procedure verweert de gedaagde zich door de facturen te onderscheiding in 4 categorieën. Over elke categorie voert hij iets anders aan.  De rechter kijkt apart naar deze categorieën en komt tot de conclusie dat alle 4 soorten verweren falen. De hoofdsom wordt dus in zijn geheel toegewezen.

Datum: 27 juni 2012
Rechtbank: Amsterdam, Sector Kanton, Locatie Amsterdam
Zaaknummer: 1317384 \ HA EXPL 12-109

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, tevens handelend onder de naam Eiser en EISER, wonende, eiser,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde, tevens handelend onder de naam Gedaagde, wonende te, gedaagde,

Voor zover partijen niet bij hun naam worden genoemd zullen zij respectievelijk EISER en Gedaagde worden genoemd.

Verloop van de procedure

De volgende processtukken zijn ingediend:

de dagvaarding van 6 januari 2012 inhoudende de vordering van Eiser, met producties.
de conclusie van antwoord van 12 februari 2012 van Gedaagde.

Ingevolge het tussenvonnis van 29 februari 2012 heeft op 17 april 2012 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Het proces-verbaal hiervan en het daarin genoemde stuk, bevindt zich bij de stukken.

Eiser is verschenen op deze bijeenkomst van partijen. Van de zijde van Gedaagde is niemand verschenen. Gedaagde is in de gelegenheid gesteld om nog een akte te nemen. Dit heeft Gedaagde gedaan door middel van zijn brief van 5 mei 2012 op de rol van 16 mei 2012.

Daarna is vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

Feiten en omstandigheden

Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

Eiser handelt onder de naam EISER, dat blijkens het opschrift op haar facturen gespecialiseerd is in bouwadvies, stucwerk, schilderwerk en parket.

Gedaagde handelt onder de naam Gedaagde schilder- en onderhoudsbedrijf en verricht schilderwerkzaamheden.

Op 9 juni 2011 hebben Eiser namens EISER en Gedaagde namens Gedaagde een overeenkomst gesloten voor het ter beschikking stellen door EISER aan Gedaagde van arbeidskrachten. In deze overeenkomst staat onder meer:

Gedaagde betaalt aan EISER een uurtarief van € 25,- per gewerkt uur per persoon
BTW wordt verlegd naar Gedaagde
Gedaagde betaald een reiskostenvergoeding van € 0,19 per gereden kilometer aan EISER
Facturering vindt wekelijks plaats
Facturen worden betaald binnen 7 dagen na factuurdatum

Arbeidskrachten van EISER hebben vervolgens (schilder)werkzaamheden uitgevoerd voor Gedaagde in de periode van 18 juni 2011 tot 27 juli 2011 in Amsterdam. EISER heeft de onder 4 aangeduide schilderwerkzaamheden alsmede reiskosten aan Gedaagde gefactureerd. Het betreft in totaal 14 facturen voor een totaalbedrag van € 5.317,70. De facturen zijn niet voldaan door Gedaagde en/of Gedaagde.

Vordering en verweer

Eiser vordert dat Gedaagde bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

€ 5.317,70 aan hoofdsom;
€ 190,21 aan wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldata tot aan 29 december 2011;
de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 29 december 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;
€ 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten plus de daarover voor eiser niet verrekenbare BTW van € 0,00;
de kosten van het geding.

Eiser stelt kort gezegd dat EISER haar verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst, zoals weergegeven onder feit 3, is nagekomen aangezien de schilders van Eiser werkzaamheden hebben verricht voor Gedaagde. Gedaagde is de overeenkomst niet nagekomen door de 14 facturen niet te betalen. De grondslag van de vordering is derhalve nakoming van de overeenkomst.

Gedaagde voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Beoordeling

Eiser heeft als productie 1 bij de dagvaarding 13 van de in totaal 14 facturen in het geding gebracht.

Gedaagde verweert zich in zijn conclusie van antwoord tegen deze 13 overgelegde facturen. Hij maakt onderscheid tussen 4 categorieën van de facturen, door hem aangeduid als A, B, C, en D.

Categorie A betreft facturen van diverse klussen voor een totaalbedrag van € 362,50. Dit betreft kennelijk - Gedaagde heeft dit zelf niet als zodanig aangeduid - de facturen met factuurnummer 11604, 11606, 110610 en 110611. Het verweer met betrekking tot deze facturen gaat over ketenaansprakelijkheid.

Categorie B betreft facturen die verband houden met werkzaamheden die zijn verricht aan de woning in de voor een totaalbedrag van € 2.075,-. Dit betreft kennelijk de facturen 110605, 110609 en 110701. Het verweer gaat over slecht geleverd werk.

Categorie C betreft facturen van reiskosten. Dit betreft kennelijk de facturen 110608, 110612, 110702 en 110704 van in totaal € 606,20. Het verweer gaat over het niet berekenen van BTW.

Categorie D betreft de facturen van week 27 en 28 van in totaal € 2.200,-. Dit betreft kennelijk de facturen met factuurnummer 110705 en 110706. Het verweer gaat over het meer uren schrijven dan er daadwerkelijk zijn gewerkt.

De hierboven genoemde bedragen onder A, B, C en D betreft een totaalbedrag van € 5.243,70 en niet, zoals Gedaagde in zijn conclusie van antwoord schrijft: € 5.317,-. Dit verschil valt als volgt te verklaren. In de tekst van de dagvaarding noemt Eiser 14 facturen. Een daarvan is niet overgelegd. Dit betreft een factuur met het nummer 110707 ten bedrage van € 74,-.

Het verweer van Gedaagde wordt hieronder per categorie besproken.

A - Ketenaansprakelijkheidsregeling / vaak te laat

Het eerste onderdeel van het verweer van Gedaagde hangt samen met de ketenaansprakelijkheidsregeling. Deze regeling houdt - in het kort - in dat bij onderaanneming of inlening de verschillende betrokkenen in de keten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het betalen van loonheffingen om misbruik bij afdracht van toonheffingen te voorkomen (artikel 35 Invorderingswet 1990). Gedaagde, die zelf werkte onder een aannemingsbedrijf, voert aan dat hij bezorgd was over de vraag of Eiser wel loonbelasting afdroeg voor de door Gedaagde ingeleende arbeidskrachten. Kennelijk was de reden voor deze bezorgdheid dat Gedaagde vreesde zelf aansprakelijk te worden gesteld en/of problemen te krijgen met het aannemingsbedrijf dat hem weer had ingeschakeld. De bezorgdheid van Gedaagde lijkt te zijn ontstaan doordat de heer Y, één van de ingeleende arbeidskrachten van X, hem had verteld dat hij geen salaris ontving en ook nooit een loonstrookje had ontvangen. Gedaagde voert met betrekking tot de gevorderde facturen aan dat hij nog niet betaalde omdat hij eerst de zekerheid wilde dat 'alle papieren' in orde zouden zijn.

De kantonrechter vat het hierboven weergegeven verweer op als een beroep op opschorting aangezien Gedaagde aan heeft gevoerd dat hij nog niet betaalde.

Het nadere standpunt van Eiser is, voor zover van belang, als volgt. Eiser had de indruk dat Gedaagde het argument van de loonbelasting eigenlijk aanvoerde als smoes om niet te betalen. Eiser heeft uiteindelijk zelf loonbelasting afgedragen voor de uitgeleende arbeidskrachten.

Voor het opschorten van de nakoming van een verbintenis is ingevolge artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vereist dat de partij die wenst op te schorten een opeisbare vordering heeft op zijn schuldeiser. Gedaagde heeft zich in feite beperkt tot het verweer dat hij vreesde voor een mogelijke claim van de Belastingdienst. Met dit standpunt heeft hij in onvoldoende mate gesteld dat er sprake zou zijn van een opeisbare vordering. Het beroep van Gedaagde op een opschortingsrecht kan hem derhalve niet baten.

Gedaagde voert ten aanzien van categorie A tenslotte nog aan dat hij enkele dagen in de problemen kwam met zijn opdrachtgever omdat de arbeidskrachten vaak te laat waren en relatief vroeg naar huis gingen. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is de grondslag van dit verweer niet duidelijk. De kantonrechter passeert dit dan ook.

B - Spuitwerk

Het verweer van Gedaagde met betrekking tot categorie B luidt dat de ingeleende arbeidskrachten slecht werk hebben geleverd. Gedaagde onderbouwt deze stelling door te vermelden dat de mannen van Eiser in het pand stopcontacten hebben dichtgespoten. Gedaagde geeft voorts aan dat hij de rekening voor dit spuitwerk al heeft betaald, maar dat hij met Eiser een bijeenkomst wilde beleggen om "iets" te verrekenen met de andere facturen.

Eiser stelt daartegenover dat, als het spuitwerk al niet goed was, dat komt doordat Gedaagde de zaak niet goed had voorbehandeld.

Tussen partijen is niet in geschil dat de facturen die in deze procedure worden gevorderd geen betrekking hebben op het hierboven bedoelde spuitwerk. Als de kantonrechter het verweer van Gedaagde moet opvatten als een beroep op verrekening, dan heeft Gedaagde daartoe onvoldoende gesteld. Voor een geslaagd beroep op verrekening zou immers ingevolge artikel 6: 127 lid 2 BW vast moeten staan dat Gedaagde een prestatie te vorderen heeft van Eiser, die beantwoordt aan de schuld van Gedaagde jegens Eiser. Uit de hierboven weergegeven summiere stellingen van Gedaagde valt dit onvoldoende af te leiden. Ook dit verweer faalt derhalve.

C - Reiskosten

Het derde onderdeel van het verweer van Gedaagde betreft de reiskosten. Gedaagde betoogt dat Eiser ten onrechte geen BTW heeft gerekend.

Eiser heeft op de comparitie van partijen aangegeven dat hij Gedaagde had aangeboden om BTW over de reiskosten in rekening te brengen. Gedaagde heeft daar volgens Eiser toen niet op gereageerd.

Het standpunt van Gedaagde luidt dat ten onrechte geen BTW is gerekend, zonder dat hij hier juridische gevolgen aan koppelt. Dit betekent dat er, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen gerechtvaardigde grond is die de betalingsverplichting van Gedaagde wegneemt, zodat dit onderdeel van het verweer eveneens wordt verworpen.

D - Teveel uren

Het laatste onderdeel van het verweer van Gedaagde betreft zijn verwijt dat Eiser teveel uren heeft geschreven. Eiser stelt daar tegenover dat hij alle urenlijsten naar Gedaagde heeft gestuurd en dat hij nooit teveel uren heeft geschreven. Eiser wijst in dat verband op zijn e-mail van 12 juli 2011 (productie 2 bij de dagvaarding), waarin staat: ".. Hierbij de rekeningen opgesplitst per week en werkadres/werknummer... " Gedaagde voert tenslotte aan dat het voor hem niet begrijpelijk is, nu een adres en werkomschrijving ontbreken.

Gedaagde heeft deze onderbouwde stelling van Eiser niet op afdoende wijze weersproken, zodat ook dit verweer faalt.

Hoofdsom en rente

Nu de hierboven besproken verweren zijn verworpen en er voorts geen verweer is gevoerd tegen verschuldigdheid van de hierboven onder 6 genoemde factuur van € 74,-, ligt de vordering van de hoofdsom in zijn geheel voor toewijzing gereed. Gedaagde heeft evenmin verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente, zodat deze ook zal worden toegewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten

Eiser stelt dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en vordert vergoeding van deze kosten conform het rapport Voorwerk II ad € 700,-. Eiser voert aan dat hij de zaak uit handen heeft gegeven aan zijn gemachtigde IntoCash en dat IntoCash Gedaagde vervolgens herhaaldelijk heeft gesommeerd per post, e-mail en telefoon. Eiser onderbouwt zijn stelling voorts door producties over te leggen van verschillende sommatiebrieven alsmede een telefoonnotitie.

Primair legt Eiser hieraan de overeenkomst ten grondslag. Op deze grondslag kan de vordering echter niet worden toegewezen, aangezien de overgelegde overeenkomst geen bepaling bevat over buitengerechtelijke incassokosten.

Subsidiair legt Eiser artikel 6: 96 lid 1 sub c BW ten grondslag aan dit onderdeel van zijn vordering. Dat wetsartikel bepaalt dat redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking komen als vermogensschade. Gedaagde heeft niet weersproken dat bovengenoemde handelingen hebben plaatsgevonden als gevolg van het gegeven dat hij de facturen niet betaalde. Daarnaast acht de kantonrechter vergoeding van deze kosten redelijk. Dit betekent dat de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen, alsmede de daarover voor Eiser niet verrekenbare BTW.

Gedaagde zal als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van Eiser.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van:

€ 5.317,70 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 december 2011 tot de dag der algehele voldoening,
€ 190,21 aan wettelijke rente tot 29 december 2011,
€ 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, plus de daarover voor eiser niet verrekenbare BTW,
veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op

griffierecht € 207,00
explootkosten € 87,17
salaris gemachtigde € 500,00 (2,0 punten x € 250,00)
totaal €794,17.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Aldus gewezen door mr S.E. Sijsma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 juni 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.