Mondelinge lening aangetoond door email, whatsapp en facebook als bewijs

Een geldlener (gedaagde) leent van eiser €2.050,-. Dit bedrag wordt uit geleend in drie gedeelten van €1.300,- (per bank), €650,- (per creditcard) en €100,- (contant). Partijen hebben afgesproken dat de lening in zes termijnen terug wordt terug betaald. De geldlener betaalt echter maar drie termijnen, waardoor er nog een bedrag van €1.035,- openstaat. De geldlener zegt dat ze alleen de €1.300,- (per bank) heeft geleend, en ontkent de andere twee gedeelten. Het is aan de eiser om te bewijzen dat deze twee leningen bestaan. De correspondentie tussen partijen is hierbij van belang. In de e-mailwisseling heeft de geldlener alle drie de geldleningen meerdere malen erkent. De geldlener heeft ook geen enkele keer gezegt dat er sprake zou zijn van vals opgestelde e-mails. De rechter ordeelt daarom dat de geldlener het resterende bedrag van €1.035 plus rente moet betalen.

Datum: 20 maart 2013
Rechtbank: Noord-Nederland, Afdeling Privaatrecht, Locatie Heerenveen
Zaaknummer: 415039 \ CV EXPL 12-5679

Vonnis

inzake

EISER, wonende te, eiser, gemachtigde:

mr. E.C.Y. Cheung (IntoCash), tegen

GEDAAGDE, wonende te Heerenveen, gedaagde, procederende in persoon.

Partijen zullen hierna "Eiser" en "Gedaagde" worden genoemd.

Procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding
de conclusie van antwoord
de conclusie van repliek
de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

Het standpunt van Eiser

Eiser vordert betaling van een bedrag van € 1.035,00 aan hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Eiser legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.

Eiser heeft in de loop van 2011 aan Gedaagde gelden geleend tot een totaal bedrag van € 2.050,00. Dit bedrag is door Eiser in drie gedeelten - van € 1.300,00, € 650,00 en € 100,00 - aan Gedaagde betaald. Ter onderbouwing van de geldleningen verwijst Eiser naar bank(transactie)afschriften en correspondentie tussen partijen via e-mail, Whatsapp en Facebook. Het bedrag van € 1.300,00 is per bank aan Gedaagde betaald, het bedrag van € 650,00 via de Medius prepaid creditcard van Gedaagde en het bedrag van € 100,00 contant, na een geldopname door Eiser bij de bank in Wageningen. Partijen hebben afgesproken dat de geldlening in zes termijnen, ingaande 1 oktober 2011, door Gedaagde zou worden terugbetaald. Daarmee zou het volledige bedrag op 1 maart 2012 zijn terugbetaald.

Gedaagde heeft echter slechts drie van de afgesproken zes termijnen (2 x € 345,00 en 1 x € 325,00) betaald, waardoor er nog een bedrag van € 1.035,00 open staat uit hoofde van de geldleningen. Ondanks herhaalde aanmaning is Gedaagde in gebreke gebleven met het aflossen van dit resterende bedrag. Eiser was daarom genoodzaakt om zijn vordering ter incasso uit handen te geven aan zijn gemachtigde, die Gedaagde eveneens herhaaldelijk - tevergeefs - tot betaling heeft gemaand.

Het standpunt van Gedaagde

Gedaagde erkent dat zij een bedrag van € 1.300,00 van Eiser heeft geleend, waarvan nog een bedrag van € 285,00 open staat. Dit bedrag dient zij naar eigen zeggen dan ook nog aan Eiser te voldoen. Hoewel er bij het aangaan van voormelde geldlening niet is gesproken over een betalingstermijn of de verschuldigdheid van rente, is Gedaagde bereid om een bedrag van € 15,00 aan rente te betalen, zodat zij alsdan aan Eiser een totaalbedrag van € 300,00 zal betalen. Dit bedrag wil Gedaagde, gelet op haar financiële situatie, in drie gedeelten van € 100,00 betalen. Zij is niet in staat om het totale bedrag in één keer te betalen.

De twee andere door Eiser gestelde geleende bedragen -van € 650,00 en € 100,00 - zijn Gedaagde onbekend. Eiser heeft niet onderbouwd dat deze bedragen daadwerkelijk aan Gedaagde zijn betaald. Gedaagde heeft niet de beschikking (gehad) over de door Eiser genoemde Medius prepaid creditcard. Zij betwist overigens dat de door Eiser overgelegde mail- en smsberichten als bewijs toelaatbaar zijn in deze procedure. Het in de door Eiser overgelegde stukken genoemde e-mail adres X betreft niet het mailadres van Gedaagde.

De beoordeling van het geschil

De kantonrechter oordeelt als volgt. Tussen partijen staat - als door Eiser gesteld en door Gedaagde erkend - vast dat Eiser in elk geval een bedrag van € 1.300,00 aan Gedaagde heeft geleend en dat daarvan nog een bedrag van € 285,00 open staat. Laatstgenoemd bedrag komt dan ook zonder meer voor toewijzing in aanmerking.

Het geschil van partijen spitst zich toe op de vraag of Eiser óók de door hem genoemde bedragen van € 650,00 en € 100,00 aan Gedaagde heeft geleend. De bewijslast daarvan ligt bij Eiser, nu hij zich op het bestaan van deze bijkomende leningen beroept.

In dat kader stelt de kantonrechter allereerst vast dat Eiser duidelijk en gemotiveerd heeft uiteengezet hoe het verstrekken van genoemde bedragen aan Gedaagde heeft plaatsgevonden. De betwisting in rechte van de ontvangst van deze bedragen door Gedaagde acht de kantonrechter onvoldoende plausibel, mede in het licht van de door Eiser overgelegde correspondentie tussen partijen. Daartoe zijn met name de overgelegde e-mails van belang. In deze e-mailwisseling heeft Gedaagde het bestaan van de twee bijkomende geldleningen naar het oordeel van de kantonrechter zonder meer erkend.

Deze e-mailcorrespondentie vermeldt onder meer:

een e-mail van Eiser aan Gedaagde van 1 september 2011:

"Zoals aangegeven gisteren wil ik uiterlijk binnen een half jaar het geld dat ik je heb geleend terughebben. Wanneer je het volgende schema aanhoudt, dan is alles in maart volgend jaar weer kiet.

1-10-2011       €325,-
1-11-2011       €325,-
1-12-2011       €325,-
1-01-2012       €325,-
1-02-2012       €325,-
1-03-2012       €325,-

                      €1.950,-

Laat even weten of je hier aan kan voldoen.(...)"

de reactie daarop van Gedaagde bij e-mail aan Eiser van 1 september 2011:

"Bedankt voor het schema, bij deze is dat afgesproken. Ik zal je zeker op de hoogte houden!"

de e-mail van Eiser aan Gedaagde van 10 december 2011:

"Zonder commentaar verder, maar bekijk dit eens:

28 augustus, ik leen jou 1300 31 augustus, ik leen jou 650 26 september, je geeft mij terug 325 7 december, ik leen jou 100

Dat betekent dat ik nog 1725,- (!) van je moet krijgen.

Aangezien dat zo echt niet opschiet, wil ik dat je morgen hebt nagedacht over een concreet plan, hoe je dit gaat terugbetalen en hoelang je denkt daarover te gaan doen, zodat we het daar morgen over kunnen hebben, maar dit keer ook echt."

de reactie daarop van Gedaagde bij e-mail aan Eiser van 10 december 2011:

"Volkomen gelijk!;) ik heb morgen iets op papier staan. Ga je naar de grote prijs finale?"

de e-mail van Gedaagde aan Eiser van 17 januari 2012:

"(...) Over het geld, is het een mogelijkheid om vanaf februari te gaan betalen? en dan 5 keer 345, - ? Dus februari, maart, april, mei, juni? (...)"

de e-mail van Eiser aan Gedaagde van 12 mei 2012:

"(...) Dit is wat ik je heb geleend sinds vorig jaar augustus:

28-8-2011 €1.300,00
31-8-2011 €650,00
7-12-2011 €100,00
Totaal geleend € 2.050,00

Dit is watje hebt terug betaald tot en met nu:

26-9-2011 €325,00
3-2012 € 345,00
5-2012 €345,00

Dit betekent dat ik van jou dus nog €1.035,00 moet krijgen (...)

Dus, om een lang verhaal kort te maken, voor 1 juni 2012 wil ik van jou € 1.035,00 terug gehad hebben, en hoe je dat regelt is verder jouw probleem. (...)"

de reactie daarop bij e-mail van Gedaagde aan Eiser van 31 mei 2012:

"(...) Ik wil je voorstellen of ik in de komende drie maanden het bedrag mag gaan inlossen. Ik heb op dit moment zelf geen zeggenschap over mijn financiën, maar dit is wat ik wel kan doen in overleg met mijn 'begeleider daar'.(...)"

Deze e-mails zijn naar het oordeel van de kantonrechter toelaatbaar als bewijsmiddel in deze civiele procedure. De enkele betwisting door Gedaagde dat het in de e-mails genoemde e-mailadres X het hare is, zal de kantonrechter passeren Het bestaan van de e-mailcorrespondentie als zodanig is door Gedaagde niet (voldoende gemotiveerd) betwist. Gedaagde heeft ook niet gesteld dat er sprake zou zijn van door Eiser valselijk opgestelde e-mails. Tegen deze achtergrond gaat de kantonrechter ervan uit dat Gedaagde wel degelijk genoemde e-mailcorrespondentie met Eiser heeft gevoerd en dat Eiser Gedaagde de betreffende bedragen aan Gedaagde heeft geleend.

Gelet op het vorenstaande zijn ook de door Eiser gevorderde bedragen van € 650,00 en € 100,00 toewijsbaar. Daarmee kan de volledige door Eiser gevorderde hoofdsom van € 1.035,00 worden toegewezen.

Uit de hiervoor aangehaalde e-mailcorrespondentie blijkt voorts dat partijen een uiterste aflossingstermijn van 1 maart 2012 zijn overeengekomen. Vast staat dat Gedaagde het volledige geleende bedrag niet vóór deze datum heeft afgelost. Eiser heeft Gedaagde vervolgens een extra termijn voor aflossing gegeven, tot 1 juni 2012. Ook deze datum voor aflossing van de geleende bedragen heeft Gedaagde niet gehaald. Zij is dan ook in verzuim en is de wettelijke rente aan Eiser verschuldigd geworden. De wettelijke rente is daarom toewijsbaar, vanaf laatstgenoemde datum van 1 juni 2012.

Uit het dossier blijkt dat de verrichte buitengerechtelijke incassowerkzaamheden meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebbende kosten zijn dan ook - conform het rapport Voorwerk II - toewijsbaar, zij het dat deze kosten - als bovenmatig - zullen worden beperkt tot het in genoemd rapport vermelde bedrag van € 178,50.

De kantonrechter kan geen betalingsregeling ten behoeve van Gedaagde bewerkstelligen. Eiser heeft als schuldeiser recht op betaling ineens van de hiervoor genoemde posten. Indien Gedaagde een betalingsregeling wenst te treffen, dan dient zij zich te wenden tot de incassogemachtigde van Eiser.

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Eiser vastgesteld op:

dagvaardingskosten € 100,63
vast recht € 207,00
salaris gemachtigde € 200,00 (2 punten x tarief € 100,00)
Totaal €507,63.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van een bedrag van € 1 035-vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 178,50;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van Eiser vastgesteld op een bedrag van € 507,63.

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 maart 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.