Niet ontvangen facturen ontslaan debiteur niet van betalingsverplichting

Gedaagde heeft een bestelbusje van eiser geleased. Hiermee zijn verkeersboetes gemaakt, schade aangericht en er wordt geen leasetermijn meer betaald. Gedaagde wilt maar een klein bedrag van dit alles betalen, aangezien hij zelf ook een vordering op de eiser heeft die hij wilt verrekenen. Hij heeft namelijk werkzaamheden verricht voor de eiser. Het beroep op deze verrekening slaagt. Hiernaast geeft de gedaagde aan dat hij geen facturen voor de leasetermijnen meer heeft ontvangen. Indien dit al juist is, is er nogsteeds de betalingsverplichting van gedaagde. Ook zonder facturen was Gedaagde verplicht de leasetermijnen aan Eiser te voldoen. Nu gedaagde grotendeels in het ongelijk is gesteld, moet hij buiten het resterende bedrag ook de proceskosten betalen.

Datum: 25 april 2014
Rechtbank: Rotterdam
Zaaknummer: 1416481 CV EXPL 13-4411

vonnis

in de zaak van

Eiser, wonende te, eiser in conventie, verweerster in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, IntoCash,

tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde in conventie, eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. J. Brouwers, SRK Rechtsbijstand.

Partijen worden hierna 'Eiser' respectievelijk 'Gedaagde' genoemd.

1.         Het verloop van de procedure in conventie en (voorwaardelijke) reconventie

1.1.      Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

•          het exploot van dagvaarding van 23 januari 2013, met producties;
•          de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;
•          het tussenvonnis van 11 april 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
•          de conclusie van antwoord in reconventie;
•          het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 4 juni 2013;
•          de akte van uitlating na comparitie van partijen in conventie en reconventie van Eiser, met producties;
•          de antwoordakte uitlaten na comparitie van partijen in conventie en reconventie aan de zijde van Gedaagde.

1.2.      De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2.         De vaststaande feiten in conventie en (voorwaardelijke) reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.1.      Eiser heeft in opdracht van Gedaagde materialen geleverd en werkzaamheden verricht. Tevens heeft Eiser op grond van het op 20 juni 2008 met Gedaagde gesloten leasecontract een busje met kenteken aan Gedaagde geleased voor de periode van 20 juni 2008 tot en met 20 juni 2012. Volgens dat leasecontract is Gedaagde akkoord gegaan met de betaling van een maandelijkse leasetermijn van € 617,49 inclusief btw, de houderschapsbelasting en de allriskverzekering.

2.2.      Ter zake van de geleverde materialen en verrichte werkzaamheden heeft Eiser de volgende facturen aan Gedaagde verzonden:

-           factuur 08-1040 d.d. 1 oktober 2008 € 567,63 incl. btw
-           factuur 08-1155 d.d. 20 november 2008 € 355,08 incl. btw
-           factuur 09-0410 d.d. 4 april 2009 € 952,- incl. btw

Totaal  € 1.874,71 incl. btw

2.3.      Ter zake van de leasetermijnen en de WA-verzekering voor het leasebusje heeft Eiser bij Gedaagde een bedrag van € 7.487,38 (11 leasetermijnen x € 654,49 + € 288,- WA- verzekering) in rekening gebracht. Gedaagde heeft vanaf 18 oktober 2010 geen leasetermijnen meer betaald.

Daarnaast heeft Eiser drie verkeersboetes aan Gedaagde doorberekend, welke verkeersovertredingen hebben plaatsgevonden op 26 en 29 maart 2011 en op 21 mei 2011. Gedaagde heeft ter zake van deze verkeersboetes een bedrag van € 314,25 aan Eiser betaald. Tot slot heeft Eiser een bedrag van € 1.785,- bij Gedaagde in rekening gebracht ter zake van schade aan het leasebusje.

2.4.      In het kader van een door Eiser aangenomen verbouwingsklus in een woning van mevrouw Z te heeft Gedaagde in de periode juli tot en met september 2008 in opdracht van Eiser werkzaamheden verricht en materialen geleverd in het kader van de voornoemde verbouwingsklus. De hiermee samenhangende kosten van Gedaagde bedragen in totaal € 6.452,14. Gedaagde heeft Eiser nimmer voor betaling van deze kosten aangemaand.

2.5.      Bij brief van 14 mei 2011 is Gedaagde door Eiser aangemaand tot betaling van facturen en de leasetermijnen voor januari en februari 2011. In deze brief wordt tevens meegedeeld dat de lease van het busje per direct wordt opgeheven en wordt geëist dat Gedaagde het leasebusje in goede staat afgeeft.

Op 8 dan wel 9 september 2011 is het leasebusje weer in bezit van Eiser gekomen.

2.6.      Eiser heeft de verzekering voor het leasebusje opgezegd per 10 september 2011.

3.         De vordering in conventie en de stellingen van partijen

3.1.      Eiser heeft, na eiswijziging, gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen aan hem te betalen € 13.027,93, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten en de nakosten.

3.2.      Het gevorderde bedrag van € 13.027,93 is als volgt opgebouwd:

-           de in 2.1 genoemde facturen € 1.874,71
-           de in 2.2 genoemde leasetermijnen en WA-verzekering € 7.487,38
-           de in 2.2 genoemde schade aan het leasebusje € 1.785,-
-           de vervallen rente berekend tot aan 10 januari 2013 € 912,83
-           de buitengerechtelijke incassokosten incl. btw € 968,-

Totaal  € 13.027,92

3.3.      Aan zijn vordering heeft Eiser naast de vaststaande feiten het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag gelegd.

Omdat het leasebusje op 9 september 2011 is ingeleverd, is Gedaagde de leasetermijnen tot en met augustus 2011 verschuldigd.

Het leasebusje was bij inlevering beschadigd. Hiervoor is ook direct een factuur aan Gedaagde verzonden. Behalve de zijspiegel, is de schade aan het leasebusje nog niet hersteld. Gedaagde is, ondanks diverse aanmaningen, met (tijdige) betaling van de voornoemde facturen, leasetermijnen en schade in gebreke gebleven. Daarop heeft Eiser zich genoodzaakt gezien zijn vordering op Gedaagde ter incasso uit handen te geven aan zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft buitengerechtelijke werkzaamheden verricht. De hiermee samenhangende kosten komen primair op grond van de overeenkomst en subsidiair op grond van de wet alsmede op grond van de redelijkheid en billijkheid voor rekening van Gedaagde en zijn berekend conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.

Vanwege het betalingsverzuim is Gedaagde tevens de wettelijke rente verschuldigd.

3.4.      Het verweer van Gedaagde strekt ertoe Eiser niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, althans deze aan hem te ontzeggen voor zover die een bedrag van € 1.874,71 te boven gaat, met veroordeling van Eiser in de proceskosten. Daartoe heeft Gedaagde het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans relevant - aangevoerd.

De betaling van de leasetermijnen voor het busje zijn opgeschort, omdat het busje vanaf 1 april 2011 niet meer verzekerd was, Eiser in detentie zat en Gedaagde zelf ook een vordering op Eiser heeft die hij wenst te verrekenen. Deze (tegen)vordering van Gedaagde ziet op de in opdracht van Eiser verrichte werkzaamheden en geleverde materialen ter zake van de verbouwing van de woning van mevrouw Z en bedragen in totaal €4.812,14.

De factuur met betrekking tot de schade wordt betwist. Het leasebusje vertoonde bij terugname door Eiser geen schade. Ten aanzien van de beschadigde zijspiegel heeft Gedaagde een vervangende spiegel aangeschaft die bij het retourneren van het leasebusje in dat busje lag. Dit punt vormt dan ook geen schade voor Eiser.

3.5.      De overige stellingen van partijen zullen voor zover daartoe relevant bij de beoordeling worden besproken.

4.         De vordering in (voorwaardelijke) reconventie en de stellingen van partijen

4.1.      Gedaagde heeft, na eiswijziging en voor zover het beroep op verrekening in conventie niet slaagt, gevorderd Eiser te veroordelen om aan hem te betalen € 6.688,96, vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf 11 april 2013 tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van Eiser in de proceskosten.

4.2.      Het bedrag van € 6.688,96 is als volgt opgebouwd:

- de facturen voor de geleverde materialen en verrichte werkzaamheden € 4.812,14
- de vervallen rente berekend tot 11 april 2013 € 1.876,82

Totaal  € 6.688,96

4.3. Aan zijn vordering heeft Gedaagde het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans relevant - ten grondslag gelegd.

De in 4.2 genoemde facturen zijn destijds zonder protest door Eiser behouden. Eiser heeft nooit concreet klachten kenbaar gemaakt over de door Gedaagde uitgevoerde werkzaamheden en hij is dan ook gehouden tot betaling van de facturen over te gaan.

Hoewel dit niet op de onderhavige facturen is vermeld, was sprake van een betalingstermijn van 14 dagen zoals die ook door Eiser wordt gehanteerd. Gedaagde maakt daarnaast aanspraak op de wettelijke handelsrente vanaf 11 april 2013.

4.4.      Het verweer van Eiser strekt ertoe Gedaagde in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren dan wel zijn vordering af te wijzen, met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten. Daartoe heeft Gedaagde het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd.

De facturen van Gedaagde zijn nimmer ontvangen en dus niet zonder protest behouden. Eiser is voor betaling van deze facturen ook nimmer aangemaand.

De werkzaamheden die Gedaagde heeft uitgevoerd in de woning van mevrouw Z zijn niet deugdelijk uitgevoerd, zodat de factuur van Eiser door mevrouw Z slechts gedeeltelijk is voldaan. Eiser heeft Gedaagde hierop ook aangesproken. Eiser is tegen mevrouw Z een gerechtelijke procedure gestart. Met Gedaagde is mondeling afgesproken dat er afgerekend zou worden nadat de uitkomst van de gerechtelijke procedure bekend zou zijn. Deze procedure tegen mevrouw Z is inmiddels in hoger beroep geëindigd door middel van een schikking.

4.5.      De overige stellingen van partijen zullen voor zover daartoe relevant bij de beoordeling worden besproken.

5.         De beoordeling van het geschil

Facturen geleverde materialen en verrichte werkzaamheden ad € 1.874,71

5.1.      Gedaagde heeft de verschuldigdheid van de in 2.1 genoemde facturen niet betwist, zodat het bedrag van € 1.874,71 in beginsel voor toewijzing gereed ligt.

Facturen leasetermijnen leasebusje ad € 7.487,38; opschorting

5.2.      Vooropgesteld wordt dat tussen partijen vaststaat dat het leasebusje begin september 2011 weer in het bezit van Eiser is gekomen en dat het leasebusje tot die tijd tot de beschikking van Gedaagde heeft gestaan. Dit betekent dat Gedaagde ook gehouden is om de leasetermijnen tot en met augustus 2011 aan Eiser te voldoen. Dat de verzekering vanaf april 2011 niet meer is voldaan, maakt dat niet anders te meer daar die verplichting tot betaling daarvan volgens de overeenkomst op Gedaagde rustte. Gedaagde is immers ook daarna nog van het leasebusje gebruik blijven maken en heeft zelf vanaf 18 oktober 2010 geen leasetermijnen meer voldaan.

Dat Gedaagde geen facturen meer voor de leasetermijnen heeft ontvangen doet, indien dit al juist is, ook niet af aan de betalingsverplichting van Gedaagde. Immers ook zonder facturen was Gedaagde conform het leasecontract gehouden de leasetermijnen aan Eiser te voldoen. Tot slot heeft de detentie van Eiser eind 2010 geen invloed op de betalingsverplichting van Gedaagde. Gedaagde was immers, ongeacht of Eiser in detentie zat, conform het leasecontract gehouden de leasetermijnen te betalen.

Een en ander leidt tot de conclusie dat Gedaagde zijn betalingen onterecht heeft opgeschort en de vordering van Eiser ter zake van de leasetermijnen tot en met augustus 2011 ad € 7.487,38 in beginsel toewijsbaar is.

Factuur schade aan leasebusje ad € 1.785,-

5.3.      Eiser heeft onweersproken gesteld dat Gedaagde het leasebusje in onbeschadigde staat heeft ontvangen, zodat hiervan in rechte wordt uitgegaan. De stelling van Eiser dat hij het leasebusje in september 2011 beschadigd heeft teruggekregen, is door Gedaagde gemotiveerd betwist, zij het dat Gedaagde - pas bij akte na comparitie - wel de schade aan de zijspiegel heeft erkend. Gelet op het verweer van Gedaagde had het op de weg van Eiser gelegen om inhoudelijk op de schade in te gaan en om foto's van de schade aan het leasebusje over te leggen, zodat deze in ieder geval tijdens de comparitie van partijen besproken hadden kunnen worden. Eiser heeft dit achter nagelaten. Eiser heeft dan ook niet aan zijn stelplicht voldaan, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

5.3.1.   Nu Gedaagde de schade aan één van de zijspiegels heeft erkend, is hij gehouden die schade aan Eiser te vergoeden. Omdat hij deze schade pas bij akte na comparitie heeft erkend, heeft Eiser hier om proceseconomische redenen niet meer op kunnen reageren. Het verweer van Gedaagde dat hij zelf een vervangende zijspiegel heeft aangeschaft en die samen met het leasebusje aan Eiser heeft geretourneerd, wordt als tardief beschouwd en zal bij de verdere beoordeling dan ook buiten beschouwing worden gelaten. Gedaagde had dit verweer immers reeds bij conclusie van antwoord kunnen voeren, maar in ieder geval tijdens de comparitie van partijen kenbaar kunnen maken.

5.3.2.   Gelet op de door Eiser overgelegde offerte van een autobedrijf te ter zake van de kosten voor herstel van de schade aan het leasebusje, welke offerte niet inhoudelijk door Gedaagde is betwist, en hetgeen hiervoor is overwogen begroot de kantonrechter de schade ten aanzien van de zijspiegel op een bedrag van € 340,- inclusief btw. Dat bedrag ligt derhalve in beginsel voor toewijzing gereed.

Rente

5.4.      Nu vast staat dat Gedaagde de aanvankelijk ook door Eiser gevorderde verkeersboetes reeds heeft voldaan en Eiser de wettelijke rente ook over die verkeersboetes heeft berekend, kan het bij dagvaarding meegevorderde bedrag aan rente niet kloppen. Voor toewijzing gereed ligt de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf de dag van de dagvaarding.

Beroep op verrekening; facturen Gedaagde

5.5.      Thans wordt toegekomen aan het beroep op verrekening van Gedaagde.

In dat kader heeft Eiser ten aanzien van de facturen van Gedaagde aangevoerd dat (a) de werkzaamheden in de woning van mevrouw Z niet goed zijn uitgevoerd en dat (b) partijen de mondelinge afspraak hebben gemaakt dat er pas afgerekend zou worden nadat de uitkomst van de gerechtelijke procedure tussen hem en mevrouw Z bekend zou zijn en dat partijen na de uitspraak met elkaar zouden bespreken of en hoeveel Eiser Gedaagde nog verschuldigd zou zijn.

5.6.      De kantonrechter overweegt met betrekking hiertoe als volgt.

5.6.1.   Hoewel Eiser, ook tijdens de comparitie van partijen, heeft aangevoerd dat Gedaagde de werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd, heeft Eiser daarbij niet concreet vermeld welke werkzaamheden niet goed zouden zijn uitgevoerd. Gedaagde heeft in ieder geval erkend dat de werkzaamheden ten aanzien van een deur en een tegeltje niet helemaal goed zouden kunnen zijn verricht en hij heeft in dat kader zijn vordering ook verminderd. Het verweer van Eiser over de uitvoering van de werkzaamheden door Gedaagde wordt verder als onvoldoende onderbouwd verworpen.

5.6.2.   Gedaagde heeft de door Eiser gestelde mondelinge afspraak gemotiveerd betwist. Nu Eiser echter onweersproken heeft gesteld dat de gerechtelijke procedure tegen mevrouw Z met gesloten beurzen is geëindigd door middel van een schikking, is de betwisting van de gestelde afspraak niet meer relevant. Immers, ook indien wel sprake is geweest van een dergelijke afspraak, is de vordering opeisbaar geworden door het einde van de procedure tussen Eiser en mevrouw Z, zodat nu aan de vereisten van verrekening is voldaan en tussen partijen over en weer afgerekend kan worden.

Ten aanzien van mevrouw Z heeft Eiser gesteld dat mevrouw Z 2/3 van zijn facturen betaald en heeft ook Gedaagde, indien hij al recht zou hebben op betaling, recht op 2/3 van zijn facturen. Eiser heeft deze stelling echter niet met betaalbewijzen onderbouwd en Gedaagde heeft ook betwist dat er naar evenredigheid betaald zou worden al naar gelang er door mevrouw Z zou worden betaald.

5.6.3.   Ter zake van de facturen van Gedaagde is reeds overwogen dat Eiser de werkzaamheden van Gedaagde niet concreet inhoudelijk heeft weersproken. Eiser heeft ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij bij Gedaagde, eerder dan in deze procedure, over de uitgevoerde werkzaamheden heeft geklaagd. Dit had wel op de weg van Eiser gelegen, aangezien hij een procedure tegen mevrouw Z is begonnen en hij dus afwist van de klachten die mevrouw Z kennelijk over de werkzaamheden had. Het verweer van Eiser tegen de factuur 08-035 ad € 312,14 ter zake van materialen wordt verworpen. Eiser heeft dit verweer niet eerder dan pas bij zijn laatste akte aangevoerd. Het had gelet op de stellingen van Gedaagde op de weg van Eiser gelegen dit verweer eerder te voeren door dit bijvoorbeeld in ieder geval op de comparitie van partijen ter sprake te brengen. Nu Eiser dit heeft nagelaten en Gedaagde dit verweer heeft weersproken, wordt niet aan bewijslevering toegekomen.

Tot slot wordt ook het verweer over de (on)duidelijkheid van de facturen van Gedaagde verworpen. Gedaagde heeft zijn vordering inzichtelijk gemaakt en hij heeft zijn vordering naar aanleiding van het verweer van Eiser op factuur 08-034 verminderd.

5.6.4.   Een en ander leidt tot de conclusie dat Eiser betaling van de facturen van Gedaagde van in totaal € 4.812,14 nog verschuldigd is.

5.6.5    De door Gedaagde gevorderde rente ad € 1.876,82 zal worden afgewezen.

Op de facturen van Gedaagde staat geen uiterste dag van betaling vermeld en Eiser heeft betwist dat er in navolging van zijn facturen een betalingstermijn van 14 dagen is overeengekomen. Bovendien heeft Eiser betwist dat hij facturen van Gedaagde heeft ontvangen en heeft Gedaagde erkend dat hij zijn vordering enige tijd heeft laten rusten.

In deze omstandigheden is de wettelijke rente, ingevolge artikel 6:119a lid 2 sub b BW, van rechtswege verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgend op die waarop de prestatie is ontvangen. Dit betekent dat het door Gedaagde gevorderde bedrag aan rente niet kan kloppen. Het is onduidelijk gebleven wanneer Gedaagde de door hem uitgevoerde werkzaamheden heeft opgeleverd en wanneer de procedure tussen Eiser en mevrouw Z is geëindigd. Toewijsbaar is dan ook de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW vanaf de dag van de dagvaarding.

5.7.      De slotsom is dat het beroep op verrekening van Gedaagde slaagt. Na verrekening van de toewijsbare factuurbedragen van Eiser (€ 9.702,09) met de toewijsbare factuurbedragen van Gedaagde (€ 4.812,14) resteert een bedrag van € 4.889,95, welk bedrag Gedaagde nog aan Eiser is verschuldigd. Dat bedrag zal dan ook worden toegewezen. Hetgeen partijen voor het overige nog hebben aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.

5.8.      Eiser vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Dit Besluit is echter slechts van toepassing indien het verzuim na 30 juni 2012 is ingetreden, waarvan in dit geval geen sprake is. Eiser vordert immers betaling van facturen uit 2008 tot en met 2011. De vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, zal daarom worden getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Uit de overgelegde correspondentie is voldoende gebleken dat door en/of namens Eiser buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. Deze werkzaamheden zijn ook niet inhoudelijk door Gedaagde betwist. Gelet op de hoogte van de toe te wijzen vordering en de gebruikelijke tarieven zal aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 714,- worden toegewezen.

5.9.      Nu Gedaagde grotendeels in het ongelijk is gesteld, zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De door Eiser gevorderde informatiekosten worden gematigd tot € 1,97 inclusief btw gezien de aanbevelingen van het LOVCK van 22 april en 17 juni 2013.

in voorwaardelijke reconventie

5.10.    Nu het beroep van Gedaagde op verrekening is geslaagd, wordt aan een inhoudelijke beoordeling van de voorwaardelijke vordering in reconventie niet meer toegekomen.

6.         De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen € 5.603,95, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 4.889,95 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 307,79 aan verschotten en € 625,- aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en uitgesproken ter openbare terechtzitting.