Ontbinding huurovereenkomst en ontruiming ondanks gestelde gebreken

In deze zaak vordert de eiser - kort gezegd - ontbinding van de huurovereenkomst tussen hem en de gedaagde en ontruiming van het huis. Dit komt omdat er een huurachterstand is, die de verhuurder overigens ook betaalt wilt zien. De huurder weet dat er een huurachterstand is, maar volgens hem is het de schuld van de verhuurder, omdat hij de gebreken aan het huis niet verholpen heeft. De huurder is niet naar de zitting gekomen. In deze zitting heeft de verhuurder zijn punten goed toegelicht en de punten van de huurder weersproken. Hierdoor kan de rechter alleen naar de feiten die de verhuurder heeft aangevoerd kijken, en de huurder zal veroordeeld worden.

Datum: 15 februari 2012
Rechtbank: Utrecht, Sector kanton, Locatie Utrecht
Zaaknummer: 784494 UC EXPL 11-18793

Vonnis

inzake

EISER 1,

en

EISER 2,

beiden wonende te  ,

verder tezamen ook te noemen Eisers,

eisende partijen,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, IntoCash te Rotterdam, tegen:

GEDAAGDE 1,

en

GEDAAGDE 2,

beiden wonende te ,

verder ook te noemen Gedaagden,

gedaagde partijen,

procederende in persoon.

Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 21 december 2011.

Eisers heeft voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht.

De comparitie is gehouden op 31 januari 2012. Daarvan is aantekening gehouden. Gedaagde  is - zonder bericht van verhindering - niet verschenen.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

Eisers vordert - kort gezegd - ontbinding van de huurovereenkomst tussen partijen en ontruiming van het gehuurde (), alsmede betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen. Aan deze vordering legt Eisers ten grondslag dat Gedaagden de betalingsverplichting voortvloeiend uit de tussen partijen bestaande huurovereenkomst niet is nagekomen. Op hetgeen Eisers verder naar voren heeft gebracht wordt hierna voor zover nodig teruggekomen.

Gedaagde erkent de huurachterstand, maar stelt dat de achterstand in overleg met Eisers is ontstaan, omdat sprake was van gebreken. Verder stelt Gedaagden dat de huur vanwege financiële problemen niet overgemaakt kon worden, maar dat in december 2011 alles in één keer betaald zou worden.

De kantonrechter overweegt als volgt.

Vast staat dat partijen voor de onderhavige woning een huurovereenkomst zijn aangegaan voor de duur van een halfjaar, te weten van 1 augustus 2011 tot en met 31 januari 2012. Eveneens staat vast dat door Gedaagden op 17 augustus 2011 een bedrag van € 275,00 en op 22 augustus 2011 een bedrag van € 950,00 aan Eisers is betaald. Daarnaast diende Gedaagden op grond van het bepaalde in de huurovereenkomst vóór of uiterlijk bij ondertekening van de huurovereenkomst een waarborgsom van € 1.100,00 aan Eisers te voldoen. Bij dagvaarding bestond er, inclusief de door Eisers gevorderde belastingen en voormeld bedrag aan borg, tot en met november 2011 een achterstand van € 4.580,80. Blijkens het door Eisers voor comparitie in het geding gebrachte overzicht blijkt dat de achterstand aan huur inclusief borg tot en met 31 januari 2012 is opgelopen tot een bedrag van € 6.475,00.

Gedaagden is niet ter zitting verschenen. Op de mogelijke gevolgen daarvan is Gedaagden in het hiervoor genoemde tussenvonnis gewezen. Eisers heeft haar vordering ter zitting nader toegelicht en het verweer van Gedaagden gemotiveerd weersproken. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het standpunt van Eisers en de daaraan ten grondslag liggende lezing van de feiten door de kantonrechter als juist wordt aanvaard, zodat het verweer van Gedaagden dient te worden verworpen.

Uit het voorgaande volgt dat de vordering tot betaling van huur (inclusief borg) in beginsel toewijsbaar is. De door Eisers gevorderde belastingen zijn gegrond op de huurovereenkomst. Ter zitting is door Eisers verklaard dat het gevorderde bedrag aan waterschapsbelastingen dient te worden gehalveerd. Daarom zal dit deel van de vordering tot een bedrag van € 33,00 worden toegewezen. Het vorenstaande leidt er toe dat het in hoofdsom gevorderde tot een bedrag van € 4.547,31 (€ 5.500,00 -f € 33,00 + € 239,81 = € 5.772,81 - € 275,00 - 6 950,00) zal worden toegewezen.

Rente zal worden toegewezen over de respectieve (huur)termijnen/bedragen vanaf de vervaldata van die termijnen/bedragen.

Voor zover Gedaagden de woning ook na 31 januari 2012 nog in gebruik houdt wordt overwogen dat de omvang van de huurachterstand zodanig is dat ook de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde toewijsbaar is. De door Eisers gevorderde machtiging om de ontruiming zelf uit te voeren, zal worden afgewezen, omdat de bevoegdheid tot reële executie van de veroordeling tot ontruiming reeds voortvloeit uit de artikelen 555 e.v. juncto artikel 444 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De vordering tot betaling van een bedrag van € 2.200,00 ter zake van vermogensschade zal worden afgewezen nu het door Eisers gevorderde bedrag ad € 1.100,00 voor iedere maand gelegen tussen 30 november 2011 en de ontruiming wordt toegewezen en bovendien Eisers de gestelde schade niet heeft onderbouwd.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Gedaagden in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

ontbindt voor zover vereist de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de onroerende zaak aan   te  ;

veroordeelt Gedaagden, voor het geval Gedaagden de onroerende zaak aan de   te   ook na 31 januari 2012 in gebruik mocht houden, om deze onroerende zaak met al wie en al wat zich daarin vanwege Gedaagden bevindt binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en met overgifte van de sleutels geheel ter vrije beschikking van Eisers te stellen;

veroordeelt Gedaagden hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om tegen bewijs van kwijting te betalen aan Eisers:

€ 4.547,31 ter zake van achterstallige huur tot en met 30 november 2011, vermeerderd met de wettelijke rente over de respectieve (huur)termijnen/bedragen vanaf de vervaldata van die termijnen/bedragen tot de dag van voldoening;

€ 1.100,00 voor elke maand of gedeelte van een maand, gelegen tussen 30 november 2011 en de daadwerkelijke ontruiming;

veroordeelt Gedaagden tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van Eisers tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 692,81, waarin begrepen € 400,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Jongen, kantonrechter, en is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2012.