Ontbinding ondanks niet bewonen van de woning

Gedaagden hebben een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met de eiser. Gezien de huurachterstand wilt Eiser dat Gedaagden het gehuurde verlaten en vordert hij ontbinding van de huurovereenkomst alsmede de betaling van de huurachterstand en alle kosten. Gedaagde 1 is niet verschenen en heeft ook niet gereageerd waarna de kantonrechter verstek tegen hem heeft verleend. Gedaagde 2 stelt dat hij nooit de woning heeft bewoond. De rechter is met eiser van oordeel dat het voor haar rekening en risico is dat de huurovereenkomst wel nog op haar naam staat. De vordering wordt dan ook toegewezen.

Datum: 30 mei 2007
Rechtbank: Alkmaar, Sector Kanton, Locatie Alkmaar
Zaaknummer: 232162 CV EXPL 07-906

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonende te, eiser

gemachtigde: mr.drs. C. Sneevliet, medewerker bij IntoCash te Rotterdam

tegen

Gedaagde sub 1, wonende te

Gedaagde sub 2, wonende te, gedaagden

gedaagde sub 1 tegen wie heden verstek is verleend

gedaagde sub 2 met als gemachtigde: mr. J.P.M. Bol, advocaat te Alkmaar [toevoeging nr. 4GC4802].

Het procesverloop

Eiser heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 1 februari 2007. Gedaagde sub 1 is niet ter zitting verschenen en heeft geen conclusie van antwoord ingediend, noch heeft gedaagde sub 1 (schriftelijk) om uitstel verzocht. Gedaagde sub 2 heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Vervolgens is gediend van repliek en gedaagde sub 2 heeft gediend van dupliek. De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast. Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

Gedaagden hebben op 8 oktober 2006 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten met eiser voor de huur van de woning aan de, tegen een huurprijs van € 895,- en servicekosten van € 126,74 per maand, welke voor de vijfde van de maand moeten zijn voldaan.

Het geschil

Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst als onder de feiten voormeld;

veroordeling van gedaagden om de woning met al hunnen en het hunne te ontruimen en te verlaten en door afgifte van de sleutels ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen, met machtiging van eiser om die ontruiming zonodig zelf te doen bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van justitie en politie en op kosten van gedaagden;

hoofdelijke veroordeling, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, van gedaagden om aan eiser te betalen ad € 3.533,57, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.065,22 sedert de dag der dagvaarding tot dag der voldoening;

hoofdelijke veroordeling, als hiervoor vermeld, van gedaagden om aan eiser tegen kwijting te betalen ad € 1.021,74 voor iedere maand te rekenen vanaf 5 februari 2006 (lees: 2007) dat gedaagden met de ontruiming van de woning ingebreke blijven, een ingegane maand te rekenen voor een gehele;

een en ander met hoofdelijke veroordeling, als hiervoor vermeld, van gedaagden in de proceskosten.

Eiser stelt hiertoe, zakelijk samengevat, dat de huurpenningen over de maanden november 2006, december 2006 en januari 2007 onbetaald zijn gebleven, in totaal een bedrag van € 3.065,22. Ondanks aanmaningen bleven gedaagden ingebreke met betaling, zodat eiser genoodzaakt was zijn vordering ter incassering uit handen te geven aan zijn gemachtigde. Voorts maakt hij aanspraak op buitengerechtelijke incassokosten ad € 450,- (exclusief BTW) en op wettelijke rente, tot de dag van dagvaarding bedragende € 18,35. De hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt naar het oordeel van eiser de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde.

Gedaagde sub 2 heeft gemotiveerd verweer gevoerd, waarop - voor zover van belang -bij de beoordeling van het geschil nader in zal worden gegaan. Gedaagde sub 1 is niet verschenen.

De beoordeling

Ten aanzien van gedaagde sub 1

Gedaagde sub 1 is niet verschenen waarna de kantonrechter verstek tegen hem heeft verleend.

Ingevolge artikel 140 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt tussen partijen één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

De vorderingen jegens gedaagde sub 1 komen de kantonrechter niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat deze voor toewijzing in aanmerking komen.

Ten aanzien van gedaagde sub 2

Vaststaat dat gedaagde sub 2 zich niet verzet tegen de ontbinding van de huurovereenkomst, zodat deze vordering voor toewijzing gereed ligt.

Gedaagde sub 2 stelt dat haar relatie met gedaagde sub 1 een dag na ondertekening van de huurovereenkomst is verbroken en dat zij dientengevolge nimmer de woning heeft bewoond. Gedaagden hebben onderling afgesproken dat gedaagde sub 1 ervoor zou zorgen dat de huurovereenkomst slechts op zijn naam zou komen te staan en dat hij de huurpenningen zou voldoen. Nu gedaagde sub 1 deze afspraak niet is nagekomen en gedaagde sub 2 hier wel vanuit is gegaan en mocht gaan, stelt gedaagde sub 2 dat haar niet verweten kan worden dat er een huurachterstand is ontstaan. Bovendien is zij niet in de gelegenheid gesteld te reageren op de aanmaningen van de incassogemachtigde van eiser, aangezien deze zijn verzonden naar de woning waar zij immers niet woont of heeft gewoond.

De kantonrechter is met eiser van oordeel dat het voor rekening en risico van gedaagde sub 2 dient te komen dat de huurovereenkomst nog steeds op haar naam staat, zulks onder meer als gevolg hebbende dat de achterstallige huurpenningen op haar verhaald kunnen worden. Het feit dat gedaagde sub 1 de onderling gemaakte afspraak (zoals voormeld onder 9) niet is nagekomen, regardeert eiser niet. Bovendien had gedaagde sub 2 gedaagde sub 1 in vrijwaring kunnen oproepen, hetgeen zij niet heeft gedaan. De vordering ad € 3.065,22 te vermeerderen met de wettelijke rente ad € 18,35 dient derhalve te worden toegewezen.

De vordering tot ontruiming van de woning dient te worden afgewezen, nu gebleken is dat gedaagde sub 2 niet aan de te Alkmaar woont.

Voorts zullen de buitengerechtelijke incassokosten als niet voldoende betwist worden toegewezen.

De proceskosten

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Ten aanzien van gedaagde sub 1

Veroordeelt gedaagde sub 1 om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis de woonruimte aan de te ontruimen, te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken -voor zover deze laatste niet het eigendom van eiser zijn - en onder overgave der sleutels ter vrije beschikking van eiser te stellen, met machtiging aan eiser om, zo gedaagde sub 1 daarmede in gebreke mocht blijven, deze daartoe te noodzaken met behulp van de sterke arm, een en ander op kosten van gedaagde sub 1.

Ten aanzien van gedaagde sub 1 en sub 2

Ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de woning aan te.

Veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan eiser tegen kwijting te betalen € 3.533,57, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.065,22 sedert 1 februari 2007 tot dag der voldoening.

Veroordeelt gedaagden om aan eiser tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1 021 74 voor iedere maand te rekenen vanaf 5 februari 2007 dat gedaagde sub 1 met de ontruiming van de woning aan de ingebreke blijft, een ingegane maand te rekenen voor een gehele.

Veroordeelt gedaagden, hoofdelijk als voormeld, in de proceskosten die tot heden voor eiser worden vastgesteld op een bedrag van € 633,31 [inclusief BTW indien en voor zover door gedaagden verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 350,-- voor salaris van de gemachtigde van eiser [waarover gedaagden geen BTW verschuldigd zijn].

Verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van der Heijden, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 30 mei 2007 in het openbaar uitgesproken.