Ontruimingsvonnis gemeentelijke grond, geen verjaring

Aan het achtererf van de woning van de huurders in deze zaak grenst een perceel grond. Het perceel grond, waarvan de gemeente (eiser) eigenaar is, wordt sinds 1992 door de huurders onderhouden. In 1999 is hier met toestemming van de gemeente een duivenhok geplaatst. De gemeente wil de overeenkomst van bruikleen over deze grond opzeggen en geeft de huurders de kans om het stuk grond waar het duivenhok op staat te kopen. De huurders hebben geen middelen om het perceel grond of een gedeelte daarvan te kopen en stellen dat de vordering van de gemeente verjaard is. Omdat de huurders stellen dat hij het perceel grond al meer dan 20 jaar in bezit heeft, beroepen hun zich op inbezitneming. Deze stelling gaat volgens de rechter niet op, aangezien de gemeente vóór 1992 ook al bezitter van het perceel grond was, en dat bezit nooit verloren heeft. Ook het feit dat de gemeente toestemming moest geven voor het plaatsen van een duivenhok laat zien dat het nogsteeds eigendom van de gemeente is. De huurders moeten tot ontruiming overgaan, met een dwangsom van €100,- per dag. Hiermee heeft de gemeente een ontruimingsvonnis.

Datum: 9 juli 2014
Rechtbank: Midden Nederland, Afdeling civiel recht
Zaaknummer: 2778374 LC 14-563

Vonnis

in de zaak van:

de publieke rechtspersoon Gemeente Urk, zetelende te Urk, eisende partij in conventie, verweerster in reconventie, hierna de Gemeente te noemen,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung van IntoCash Incasso,

tegen

1.    Gedaagde sub 1.,
en
2.    Gedaagde sub 2.,

beiden wonende te, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna Gedaagden te noemen procederend in persoon.

De procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

-de dagvaarding
- het antwoord in conventie en de eis in reconventie
-de nadere toelichting van partijen inconventie en in reconventie.

De vaststaande feiten

In conventie en in reconventie

Tussen partijen staat het volgende vast:

1.1 Aan het achtererf van de woning van Gedaagden aan de te grenst een perceel grond, kadastraal bekend gemeente (hierna: het perceel grond). Het perceel grond, waarvan De Gemeente de eigenaar is, wordt sinds 1992 door Gedaagde sub 1. onderhouden. In 1999 heeft Gedaagde sub 1. op (een gedeelte van) het perceel grond een duivenhok geplaatst.

1.2 Bij schrijven van 27 september 2013 heef de Gemeente aan Gedaagde sub 1. bericht dat de met hem gesloten overeenkomst van bruikleen met betrekking tot het perceel grond wordt opgezegd tegen 27 oktober 2013. Verder is hij daarbij in de gelegenheid gesteld het gedeelte van het perceel grond waar het duivenhok op staat te kopen en is hem voor het overige gedeelte van het perceel grond, kort gezegd, de ontruiming aangezegd. Gedaagde sub 1. heeft vervolgens te kennen gegeven niet tot koop en ontruiming van het perceel grond te zullen overgaan.

Het geschil

In conventie

2.1 De Gemeente heeft gevorderd dat bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot ontruiming van het perceel grond binnen 14 dagen na uitspraak van het vonnis, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag dat zij daarmee in gebreke blijven tot een maximum van € 25.000,00, met veroordeling van Gedaagden tót betaling van de kosten van de dagvaarding.

2.2 De Gemeente heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij het perceel grond in het kader van het uitgiftebeleid "Snippergroen" in augustus/september 1992 op verzoek van Gedaagde sub 1. aan hem in bruikleen heeft gegeven. Nu hij niet is ingegaan op aanbiedingen van De Gemeente om het perceel dan wel een gedeelte daarvan te kopen en de bruikleenovereenkomst is opgezegd, is hij gehouden tot ontruiming van het aan de Gemeente in eigendom toebehorende perceel grond, aldus de Gemeente.

2.3 Gedaagden hebben verweer gevoerd. Naar zij hebben aangevoerd, heeft Gedaagde sub 1. het perceel grond er in 1992 bijgenomen, omdat de Gemeente het niet onderhield. Hij is dat sedertdien gaan onderhouden. Met toestemming van de Gemeente heeft Gedaagde sub 1. er in 1999 het duivenhok op geplaatst. Hij heeft daar een bouwvergunning voor gekregen. Volgens een door hem geraadpleegde jurist is de vordering van De Gemeente verjaard en is Gedaagde sub 1. eigenaar van het perceel grond. Hij heeft geen middelen om het perceel grond of een gedeelte daarvan te kopen. Als hij moet ontruimen zal hij moeten stoppen met zijn hobby. Hij zou het duivenhok op het dak van de woning geplaatst hebben als de Gemeente hem niet geadviseerd had om het duivenhok op het perceel neer te zetten, aldus Gedaagde sub 1..

In reconventie

2.4 Gedaagden hebben een verklaring voor recht gevorderd dat de vordering van de Gemeente verjaard is.

2.5 De Gemeente heeft verweer gevoerd. Op dat verweer zal hierna, voor zover dienstig, worden ingegaan.

De beoordeling

In conventie

3.1 Vooropgesteld wordt dat de vordering, voor zover deze is ingesteld tegen Gedaagde sub 2., zal worden afgewezen. Zonder nadere toelichting, die echter niet gegeven is, kan niet worden ingezien waarom zij rechtens gehouden is tot ontruiming van het perceel grond.

3.2 Voorts wordt overwogen dat, voor zover Gedaagden hebben willen betwisten dat er een overeenkomst van bruikleen tussen De Gemeente en Gedaagde sub 1. tot stand is gekomen ten aanzien van het onderhavige perceel grond (het is niet echt duidelijk of zij dit verweer hebben willen voeren), die betwisting niet aan toewijzing van de vordering in de weg kan staan. Uitgaande van de situatie dat er geen overeenkomst van bruikleen heeft bestaan tussen Gedaagde sub 1. en de Gemeente, kan van verjaring van de onderhavige vordering namelijk geen sprake zijn. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.3 Gedaagde sub 1. heeft gesteld dat hij het perceel grond al meer dan 20 jaren in zijn bezit heeft. Hij beroept zich kennelijk op inbezitneming. Daartoe is, nu de Gemeente in het kadaster te boek staat als de eigenaar van het perceel grond, echter meer nodig dan het plegen van enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen. In elk geval is in een dergelijk geval vereist dat de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert eigenaar te zijn; dit met het oog op tijdig kunnen nemen van rechtsmaatregelen door de eigenaar om de inbreuk op zijn recht te beëindigen. Van dergelijke gedragingen is in casu echter niet gebleken. In elk geval kunnen niet als zodanig worden aangemerkt het onderhouden van het perceel grond door Gedaagde sub 1. gedurende meer dan 20 jaren, zonder dat daarbij aan de Gemeente wordt duidelijk gemaakt (hetgeen is gesteld noch gebleken) dat haar recht op het perceel grond niet langer wordt erkend. Ook het met toestemming van de Gemeente plaatsen van een duivenhoek op het perceel grond kan op zichzelf niet als een (ondubbelzinnige) pretentie van eigendom worden aangemerkt. De stelling van Gedaagde sub 1. dat hij het perceel grond al meer dan 20 jaren in bezit heeft, gaat dan ook niet op. De Gemeente was vóór 1992 bezitter van het perceel grond en heeft dat bezit nooit verloren. Voor zover Gedaagde sub 1. dan ook heeft willen stellen dat de vordering van de Gemeente verjaard is, gelet op artikel 3: 306 BW junto artikel 3:314 lid 2 BW, gaat die stelling dan ook niet op. Nu Gedaagde sub 1. voorts door de Gemeente als eigenaar van het perceel grond is aangezegd het perceel grond per 27 oktober 2013 te verlaten (althans zo wordt de brief van 27 september 2013 begrepen) en nu hij weigert daaraan gevolg te geven, is per 27 oktober 2013 sprake van een onrechtmatige toestand. De onderhavige vordering van de Gemeente, die strekt tot opheffing van de onrechtmatige situatie, is (in de situatie dat er geen overeenkomst van bruikleen tussen Gedaagde sub 1. en De Gemeente heeft bestaan) dan ook toewijsbaar. Voor zover Gedaagden nog hebben willen stellen dat De Gemeente misbruik van bevoegdheid maakt, gaat dat verweer, gelet op hetgeen te dier zake in rechtsoverweging 3.4 nog zal worden overwogen, niet op.

3.4 Voorts uitgaande van de situatie dat er wél een overeenkomst van bruikleen heeft bestaan tussen De Gemeente en Gedaagde sub 1., heeft de Gemeente gebruik gemaakte van de haar toekomende bevoegdheid om die (kennelijk) voor onbepaalde tijd gesloten overeenkomst op te zeggen. Niet
is gesteld of gebleken dat zij daarbij geen redelijke opzegtermijn heeft gehanteerd, terwijl van verjaring van de op de opzegging van de overeenkomst van bruikleen gebaseerde vordering tot ontruiming, gelet op het bepaalde in artikel 3:306 BW juncto artikel 3:314 lid 1 BW, geen sprake kan zijn. In beginsel dient Gedaagde sub 1. het perceel grond dan ook te ontruimen. Dit zou anders zijn als geoordeeld zou moeten worden dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de Gemeente de overeenkomst van bruikleen opzegt dan wel dat zij misbruik maakt van de aan haar toekomende bevoegdheid om die overeenkomst op te zeggen. Voor zover Gedaagde sub 1. bedoeld heeft een en ander te stellen wordt hij daarin niet gevolgd door de kantonrechter. Dat de Gemeente bij afweging van de wederzijdse belangen naar redelijkheid niet tot opzegging van de overeenkomst van bruikleen kan overgaan, kan in elk geval niet gezegd worden. Tegen het door de Gemeente gestelde belang om het perceel grond tot een natuurlijke oever om te vormen, heeft Gedaagde sub 1. dan wel betoogd dat hij het perceel grond nodig heeft voor het duivenhok en dat hij bij een eventuele ontruiming zijn duivenhobby dan ook zal moeten beëindigen, maar, nog daargelaten dat dit duivenhok slechts op een gedeelte van het perceel grond staat, dat betoog heeft hij in het licht van de betwisting door de Gemeente onvoldoende onderbouwd. Niet alleen volgt uit zijn stellingen dat hij het duivenhok op het dak van zijn woning kan plaatsen (hetgeen de Gemeente bij conclusie van dupliek in reconventie heeft beaamd), evenmin is gesteld of gebleken dat Gedaagde sub 1. het duivenhok niet in zijn tuin kan neerzetten.

3.5 Op grond van al het vorenstaande, wordt de vordering, voor zover ingesteld tegen Gedaagde sub 1., toewijsbaar geacht. De gevorderde dwangsom wordt beperkt tot € 100,00 per dag en gemaximeerd tot een bedrag van € 10.000,00. De ontruimingstermijn wordt bepaald op twee weken na betekening van dit vonnis.

3.6 Gedaagde sub 1. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze bestaan uit het griffierecht van € 115,00, uit de explootkosten van € 77,52 en uit het salaris gemachtigde van € 400,00 (2 punten bij een tarief van € 200,00 per punt).

3.7 Nu de vordering, voor zover ingesteld tegen Gedaagde sub 2., niet voor toewijzing vatbaar is, zal De Gemeente in de verhouding tot Gedaagde sub 2. als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu Gedaagde sub 2. in persoon heeft geprocedeerd zullen die kosten (zoals gebruikelijk) op nihil worden bepaald.

In reconventie

3.8 De reconventionele vordering zal worden afgewezen. Van verjaring van de door De Gemeente ingestelde vordering is, gelijk in conventie is overwogen, geen sprake.

3.9 Gedaagden worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Dit bestaat uit het salaris van de gemachtigde van De Gemeente, begroot op € 200,00 ( de helft van het aantal punten in conventie, oftewel 1 punt bij een tarief van € 200,00 per punt).

De beslissing

De kantonrechter:

In conventie

veroordeelt Gedaagde sub 1. om het perceel grond, kadastraal bekend Gemeente te Urk met al de zijnen en het zijne binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten en ter algehele beschikking van De Gemeente te stellen, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag dat Gedaagde sub 1. hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 10.000,00;

veroordeelt Gedaagde sub 1. in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van De Gemeente begroot op:

•    € 400,00 voor salaris gemachtigde
•    € 77,52 voor explootkosten
•    € 115,00 voor griffierecht;

veroordeelt De Gemeente in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Gedaagde sub 2. begroot op nihil;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af

In reconventie

wijst de vordering af;

veroordeelt Gedaagden in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van De Gemeente begroot op € 200,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. M.J.C.M. Manders, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 9 juli 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.