Opschorting betalen huur bij defect slot leidt tot ontruimingsvonnis

De huur van een garagebox wordt in de maand juni niet betaald. Een maand later eindigd de huurovereenkomst van deze garagebox door opzegging, maar de huurder wilt de garagebox niet ontruimen. Dit leidt tot een ontruimingsvergoeding die de huurder zou moeten betalen. De huurder van de geragebox geeft als reden dat hij de huur niet betaald omdat het slot is veranderd of defect is. Hij kan de garagebox niet in omdat de sleutel het niet meer doet. De rechter ordeelt dat het duidelijk is dat de huurder in verzuim is geraakt. Het verweer van de huurder is totaal niet onderbouwd, wat leidt tot een verplichte ontruiming. Ook moet de huurder de huur van de maand juni betalen en een gebruiksvergoeding voor elke maand dat hij de box niet ontruimd heeft.

Datum: 26 juni 2014
Rechtbank: Den Haag, Team kanton Den Haag
Zaaknummer: 2735708 RL EXPL 14-2896

Vonnis

in de zaak van

Eiser, wonende te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, verbonden aan incassobureau IntoCash,

tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde partij, in persoon procederende.

Partijen worden aangeduid als Eiser en Gedaagde.

Procedure:

De kantonrechter heeft kennis genomen van:

de dagvaarding van 22 januari 2014 met producties;
de schriftelijke weergave van het mondeling antwoord; de akte overleggen producties zijdens Eiser;
het verhandelde ter comparitie van partijen d.d. 13 juni 2014, waarvan de aantekeningen van de griffier zich in het dossier bevinden.

1. De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, voor zover in deze van belang, het navolgende vast

a. Eiser heeft ingaande 10 mei 2011 aan Gedaagde verhuurd de garagebox aan het adres voor de maandelijks bij vooruitbetaling te betalen prijs ad € 87,00.

b. Eiser heeft de huurovereenkomst door opzegging rechtsgeldig beëindigd per 1 juli 2013. Gedaagde heeft de garagebox na het einde van de huurovereenkomst niet ontruimd.

2. De vordering

Eiser heeft gevorderd als in de dagvaarding geformuleerd.

Eiser legt aan zijn vorderingen voormelde vaststaande feiten ten grondslag alsmede de navolgende - voor zover van belang en zakelijk weergegeven - stellingen.

Gedaagde heeft de verschuldigde huurtermijn over juni 2013 niet betaald. Daardoor is hij in verzuim geraakt. Na het einde van de huurovereenkomst heeft Gedaagde het gehuurde bovendien niet ontruimd, waardoor hij een gebruiksvergoeding verschuldigd is tot het moment van ontruiming. Gedaagde is de wettelijke rente verschuldigd, evenals buitengerechtelijke kosten.

3. Het verweer

Gedaagde voert verweer en stelt daartoe - zakelijk weergegeven en voorzover van belang - het navolgende. De huur wordt niet betaald omdat het slot is veranderd of defect is. De sleutel doet het niet meer. Gedaagde kan de garage niet in.

4. De beoordeling

Onbetwist is dat Gedaagde één huurtermijn (juni 2013) onbetaald liet en bovendien de garagebox na het einde van de huurovereenkomst niet ontruimde, ondanks sommaties daartoe zijdens Eiser. Gedaagde is dus in verzuim geraakt.

Het verweer van Gedaagde snijdt geen hout. Gedaagde geeft immers niet aan hoe het slot defect raakte en hij geeft evenmin aan of (en zo ja waarom) Eiser verantwoordelijk te houden is voor het defect. Het kan immers evengoed zo zijn dat Gedaagde zelfdebet is aan het defect danwel dat het herstel van het euvel voor zijn rekening komt als huurder. Gedaagde laat dat alles ten onrechte in volledig het midden. Het verweer van Gedaagde is door hem in het geheel niet onderbouwd.

Indien er al van uitgegaan zou mogen worden dat Gedaagde krachtens de huurovereenkomst Eiser aansprakelijk houdt voor het defecte slot, heeft Gedaagde niet gesteld dat hij Eiser in gebreke stelde met betrekking tot het gebrek, met aanzegging van huuropschorting - of huurvermindering - tot Eiser in herstel voorzien zou hebben. Het zomaar onbetaald laten van huur heeft dus geen rechtsgrond, hetgeen ook geldt voor het niet ontruimen.

De vordering in hoofdsom is voor het overige niet betwist en dus toewijsbaar. Dit geldt ook voor de rente. Anders is het met de buitengerechtelijke kosten. Nu het tegendeel is gesteld noch gebleken, dient er van te worden uitgegaan dat Gedaagde de huurovereenkomst aanging als consument. Dat betekent dat de kantonrechter ambtshalve heeft te onderzoeken of Eiser volgens de daartoe in artikel 6:96 BW neergelegde regels aanspraak kan maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dat is niet het geval. Immers wettelijk is voorgeschreven dat er pas aanspraak ontstaat op vergoeding van buitengerechtelijke kosten indien een gegunde betalingstermijn voor de verschuldigde hoofdsom - zonder buitengerechtelijke kosten - van veertien dagen is verstreken zonder dat betaling volgde. In casu heeft de gemachtigde van Eiser telkens gesommeerd tot betaling van het verschuldigde vermeerderd met incassokosten. Dat strookt niet met het wettelijk systeem. De brieven die Eiser zelf stuurde, zagen slechts op de ontruiming en bevatten geen betalingstermijn in voormelde zin.

Op grond van het voorgaande zijn de vorderingen van Eiser toewijsbaar als in het dictum aan te geven. Bij deze uitslag zal Gedaagde in de kosten veroordeeld dienen te worden. Voorzover nakosten gemaakt worden, levert dit vonnis voor die nakosten een titel op.

5. De beslissing

De kantonrechter:

Verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot de garagebox is geëindigd per 1 juli 2013;

Veroordeelt Gedaagde om de garagebox binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met al wie en al wat zich daarin van de zijde van Gedaagde mochten bevinden te ontruimen en te verlaten en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van Eiser te stellen;

Veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een e rag ad fe 557,34, vermeerderd met een bedrag wegens gebruiksvergoeding ad € 87,00 voor elke ingegane maand dat Gedaagde de garagebox in gebruik heeft na januari 2014 tot de dag van ontruiming, een ingegane maand voor een hele gerekend, die hoofdsom tevens te vermeerderen met berekende rente ad € 12,88 en voort te vermeerderen met de wettelijke rente (derhalve te berekenen over € 557,34) vanaf 10 januari 2014 tot aan de dag der voldoening;

Veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, tot de dag van de uitspraak aan de zijde van Eiser begroot op € 512,80, waarin begrepen een bedrag ad € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. ten Cate, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting d.d. 26 juni 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.