Opschorting betaling alleen indien de tekortkoming dit rechtvaardigt

Eiser heeft in opdracht en voor rekening van gedaagde cursussen verzorgd voor een aantal leden van gedaagde. Voor deze cursus mochten de deelnemers de reparatiekoffer van gedaagde gebruiken. Na de cursus gegeven te hebben heeft de eiser een factuur gestuurd naar gedaagde en die heeft daar een betalingsregeling voor afgesproken. Na twee keer op tijd betaald te hebben laat de gedaagde weten de betalingsverplichting te willen opschorten. De reden hiervoor is dat de eiser ervoor zou zorgen dat de koffers terug gebracht zouden worden. Dit heeft hij nog niet gedaan, waardoor de gedaagde schade zou lijden. De rechter concludeert dat de gedaagde de vordering niett betwist, maar eerst de koffers terug wilt zien alvorens hij gaat betalen. Opschorten zou mogen als een van de partijen zijn verbintenis gedeeltelijk niet nakomt. Er blijkt echter uit geen enkele bewijsstuk dat de eiser verplicht was om de koffers terug te brengen. Het enige wat duidelijk is afgesproken is dat de eiser de cursus zou verzorgen. Gedaagde is dan ook onterecht overgegaan tot opschorting van de betalingsverplichting.

Datum: 29 juni 2011
Rechtbank: Roermond, sector Kanton, locatie Venlo
Zaaknummer: 295617 \ CV EXPL 11-324

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

Eiser, wonende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, tegen:

de coöperatie met uitgesloten aansprakelijkheid Gedaagde, gevestigd te, gedaagde.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het volgende:

Het exploot van dagvaarding met producties;

De conclusie van antwoord;

De conclusie van repliek;

De conclusie van dupliek.

Na de conclusiewisseling is de zaak op vonnis gesteld. De uitspraak daarvan is nader bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Eiser heeft in opdracht en voor rekening van gedaagde cursussen verzorgd voor een aantal leden van gedaagde. Voor deze cursus kregen de deelnemers de beschikking over een reparatiekoffer van gedaagde. Tussen partijen is overeengekomen dat eiser de reparatiekoffers zou aanvullen met diverse onderdelen/gereedschappen. Gedaagde heeft de betreffende koffers bij eiser neer gezet, die de koffers, na aanvulling, aan de deelnemers heeft overhandigd.

Eiser heeft de cursus verzorgd en bij factuur van 24 mei 2010 een bedrag van EUR 4.179,28 in rekening gebracht Na het treffen van een betalingsregeling op 22 oktober 2010 is een bedrag van EUR 500,00 in mindering voldaan. Op 22 november 2010 is nog een bedrag van EUR 400,00 betaald. Bij brief van 23 november 2010 heeft gedaagde laten weten de betalingsverplichting op te schorten tot het moment dat de vier ontbrekende reparatiekoffers weer in het bezit van gedaagde zijn.

De vordering en stellingen van eiser

Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen om aan eiser tegen deugdelijk bewijs van kwijting te voldoen;

de hoofdsom van EUR 3.679,28,
de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tót aan 4 januari 2011 een bedrag van EUR 170,16;
de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 4 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;
de buitengerechtelijke incassokosten van EUR 600,00 plus de daarover voor eiser niet verrekenbare BTW van EUR 0,00;
de kosten van deze procedure waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van eiser;
de kosten van de dagvaarding.

De in opdracht en voor rekening van gedaagde verzorgde cursus ligt ten grondslag aan de vorderingen. Eiser is niet verantwoordelijk voor de retournering van de reparatiekoffers. Er is ook nooit overeengekomen dat eiser deze zou retourneren.

Voor een verdere feitelijke en juridische onderbouwing van de vordering verwijst de kantonrechter naar de dagvaarding en de conclusie van repliek alsmede naar de daarbij overgelegde producties. De inhoud van voornoemde stukken moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

Het verweer van gedaagde

Gedaagde heeft de vordering betwist en heeft aangevoerd dat eiser voor retournering van de koffers zou zorgdragen. Tot op heden is dit niet gebeurd, ondanks vele telefoongesprekken. Eiser heeft nimmer overleg gepleegd inzake het meegeven van de koffers. Eiser is nadrukkelijk geïnstrueerd en heeft zich niet aan de instructies gehouden. Gedaagde lijdt hierdoor aanzienlijke schade.

De beoordeling

Gedaagde heeft de betalingsverplichting opgeschort omdat vier koffers niet zijn geretourneerd. Hieruit concludeert de kantonrechter dat gedaagde de vordering op zich niet betwist maar aan de betaling de voorwaarde verbindt dat de koffers geretourneerd moeten worden door eiser, althans dat eiser hiervoor aansprakelijk te houden is.

Omtrent opschorting is in artikel 6:262, lid 1 BW het volgende bepaald: Komt een der partijen haar verbintenis niet na, dan is de wederpartij bevoegd de nakoming van haar daartegenoverstaande verplichtingen op te schorten. In het tweede lid van voornoemd artikel is vervolgens bepaald dat ingeval van gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming opschorting slechts is toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt. Uit het verweer van gedaagde begrijpt de kantonrechter dat volgens haar op eiser de verplichting rustte om de reparatiekoffers te retourneren, althans daarvoor houdt zij eiser aansprakelijk. Deze verplichting blijkt echter uit de overgelegde e-mailcorrespondentie noch uit de overige overgelegde bescheiden.

Enkel blijkt dat partijen het verzorgen van een cursus en het aanvullen van de koffers zijn overeengekomen.

Gedaagde is dan ook ten onrechte overgegaan tot opschorting van de betalingsverplichting en dient het overeengekomen en in rekening gebrachte bedrag te voldoen. Het door gedaagde gevoerde verweer zal integraal worden verworpen, waardoor de stellingen van eiser komen vast te staan. Aan hoofdsom zal een bedrag van EUR 3.279,28 worden toegewezen, nu kennelijk geen rekening is gehouden met de door gedaagde verrichte betaling van EUR 400,00. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen overeenkomstig het rapport voorwerk II worden toegewezen tot een bedrag van EUR 450,00. De gevorderde rente is niet betwist en kan daarom worden toegewezen. Tot slot zal gedaagde als de in het ongelijkgestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

Veroordeelt gedaagde om aan eiser tegen deugdelijk bewijs van kwijting te voldoen een bedrag van EUR 3.899,44, vermeerderd met de wettelijke rente over EUR 3.279,28 vanaf 4 januari 2011 tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt gedaagde verder in de kosten van deze procedure aan de kant van eiser gevallen en aan die kant tot heden begroot op EUR 568,31, waarvan EUR 350,00 als salaris voor de gemachtigde.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Ontzegt het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.M. de Lange, kantonrechter, en ter openbare civiele terechtzitting op 29 juni 2011 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.