Opschorting levering tot factuur is voldaan

Eiser heeft in opdracht en van Gedaagde diverse (sloop) tractoren en onderdelen uit de VS naar Nederland verscheept, waarbij hij alle kosten heeft voorgeschoten. Gedaagde heeft hier echter een groot bedrag van onbetaald gelaten. Eiser heeft daarom een paar onderdelen in onderpand genomen. Gedaagde heeft bezwaar gemaakt tegen de facturen vanwege de ontbrekende onderdelen. Hij geeft aan dat hij door diverse omstandigheden schade heeft geleden die de Eiser veroorzaakt heeft. Beide partijen vorderen buitengerechtelijke kosten op elkaar. Vervolgens worden er verschillende onderdelen besproken. Zo stelt gedaagde schade te hebben geleden omdat hij de incomplete tractoren niet heeft kunnen doorverkopen. Voor dit waardeverlies vordert gedaagde op zijn beurt weer van eiser. De rechter kijkt naar artikel 7:26 Burgerlijk Wetboek, waarin staat dat de koper verplicht is de prijs te betalen ten tijde en ter plaatse van de aflevering, tenzij anders is overeengekomen. Gedaagde heeft de facturen echter niet betaald. Hij was dus zelf in gebreken, al voordat hij de eiser in gebreke stelde. In die gebrekestelling was gedaagde ook nog eens onduidelijk over welke onderdelen hij nog geleverd wenste te hebben. De kantonrechter is daarom van oordeel dat Gedaagde zelf als schuldeiser in verzuim is en wijst de vordering van Gedaagde af.

Datum: 28 april 2011
Rechtbank: 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 668120/CV EXPL 10-2

Vonnis

inzake

Eiser, wonende te Amerika, eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr drs C. Sneevliet (IntoCash te Rotterdam),

tegen

Gedaagde v.o.f.

en haar vennoten:

Gedaagde sub 1, wonende,

Gedaagde sub 2, wonende,

Gedaagde sub 3, gevestigd

gedaagden in conventie, eisers in reconventie,

gemachtigde: mr A.W. van Dooren-Korenstra, advocate te 's Hertogenbosch.

Partijen worden hierna ook aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde" in enkelvoud.

Het verloop van het geding in conventie en in reconventie

De procesgang blijkt uit de volgende stukken:

de dagvaarding van 28 december 2009 met producties;

de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie met producties;

de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie met producties;

de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie met producties;

de conclusie van dupliek in reconventie met producties;

een akte aan de zijde van Gedaagde.

Het geschil en de beoordeling ervan in conventie en in reconventie:

In rechte kan van de navolgende tussen partijen vaststaande feiten worden uitgegaan.

Eiser heeft in de periode van juli 2007 tot en met februari 2008 in opdracht en ten behoeve van Gedaagde diverse (sloop) tractoren en onderdelen uit de VS naar Nederland verscheept, waarbij hij de koopprijs en de transportkosten e.d. heeft voorgeschoten c.q. betaald. In de door Eiser aan Gedaagde in voornoemde periode gestuurde facturen, die deels ook betrekking hebben op door Eiser verrichte werkzaamheden, wordt steeds vermeld: "Sold "as is, where is".

Partijen zijn het erover eens dat Gedaagde een bedrag van € 3.300,- op de aan hem gestuurde facturen onbetaald heeft gelaten. Eiser heeft Gedaagde diverse malen tot betaling gesommeerd. Voor zover uit de overgelegde en onbetwiste sommaties blijkt, is er na een ongedateerde sommatie door Eiser, door hem op 17 augustus 2008 een sommatie aan Gedaagde gestuurd, waarin deze gesommeerd wordt binnen 14 dagen € 3.300,- te betalen. Aangegeven wordt dat Gedaagde telefonisch niet te bereiken is en dat partijen elkaar voor het laatst in maart 2008 hebben gesproken. Vervolgens wordt Gedaagde op 10 november 2008 opnieuw door Eiser schriftelijk tot betaling gesommeerd. Hierbij wordt gerefereerd aan een bezoek van Eiser aan het bedrijf van Gedaagde op 1 november 2008. Op 16 november 2008 schrijft Eiser aan Gedaagde:

"Maar ik zou graag eerst betaling zien voor ik iets voor je kan doen. Ik heb de stuurmotor en de onderdelen voor je John Deere in NL liggen. (...) Los het maar op met Z voor Kerstmis anders reken ik de 1,5% rente per maand over het verschuldigde vanaf een maand nadat ik je John Deere’s voor je heb betaald. "

In zijn daarop volgende schriftelijke sommatie van 6 januari 2009 schrijft Eiser onder meer:

"U bent ook niet bereid tot een oplossing te komen. Sterker nog U gaat de situatie nog moeilijker maken door de onderdelen die ik in onderpand heb op te eisen voor betaling. De betreffende onderdelen zijn in veilige bewaring gegeven aan Z in en X in. Wanneer u het verschuldigde bedrag heeft voldaan kunt u kosteloos deze onderdelen ophalen bij de betreffende personen. "

Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

een bedrag van € 3.300,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen, welke rente tot aan 10 december 2009 volgens Eiser € 887,19 bedraagt;

de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 10 december 2009 tot aan de dag der voldoening;

de buitengerechtelijke incassokosten ad € 600,- excl. BTW;

de kosten van de procedure.

Eiser doet deze vordering onder meer steunen op bovenstaande feiten.

Gedaagde heeft hiertegen het volgende ingebracht.

Aan de verkochte tractoren ontbreken in strijd met de afspraken diverse onderdelen. Gedaagde stelt bij herhaling hierop te hebben gewezen en verwijst ter onderbouwing van die stelling naar een schrijven van de gemachtigde van Eiser, waarin deze schrijft dat Eiser die onderdelen in onderpand heeft. Het betreft de originele spanborden van de tractor John Deer, waarmee deze volgens afspraak zou worden geleverd, de beugels en de valbeugel. De waarde van deze onderdelen bedraagt ongeveer € 1.800,-.

De Ford 8000 zou worden geleverd compleet met stuurinrichting. Deze is niet meegeleverd. Ook ontbrak een goed werkende duo power. De waarde van de ontbrekende onderdelen bedraagt ongeveer € 2.800,-.

De derde tractor, Massey Ferguson 1805 zou worden geleverd met banden 20.8.38. De tractor was echter voorzien van banden maat 18.4. Deze maat is voor Gedaagde niet bruikbaar. Dit levert een schadepost op gelijk aan de dagprijs van die banden (PM) Tot slot zijn er extra kosten in rekening gebracht over februari 2008 en extra containerkosten. Anderzijds heeft Van der Goor twee gebruikte tractoren aan Eiser geleverd voor verscheping naar Amerika. De marktprijs hiervoor is per stuk € 2.500,- tot € 3.000,-. Eiser heeft slechts een voorschot betaald van 6 2.000,- in totaal. Gedaagde heeft derhalve nog € 1.600,- (naar de kantonrechter begrijpt uit de conclusie van dupliek/repliek onder 25) te vorderen wegens niet betaalde koopprijs voor deze tractoren.

Gedaagde stelt dat zij schade lijdt doordat zij de tractoren die Eiser geleverd heeft niet heeft kunnen doorverkopen. Hierdoor is er waardeverlies, dat met inbegrip van opslagkosten door haar geraamd wordt op € 6.000,-.

Gedaagde heeft bezwaar gemaakt tegen de facturen en Eiser gemaand om de ontbrekende onderdelen te leveren op 6 november 2009. Zij verwijst hier naar de producties 3 en 4 bij conclusie van antwoord.

Kort gezegd, stelt Gedaagde in reconventie in totaal door toedoen van Eiser € 11.800+ PM aan schade te hebben geleden en vordert daarvan vergoeding.

Gedaagde betwist dat Eiser buitengerechtelijke kosten zou hebben gemaakt. Gedaagde vordert zelf ook de buitengerechtelijk gemaakte kosten, gesteld op € 833,- incl. BTW, en tot slot eist Gedaagde dat Eiser in de proceskosten zal worden veroordeeld.

De kantonrechter zal hierna de stellingen van partijen met betrekking tot diverse onderdelen van de vorderingen in conventie en in reconventie beoordelen.

De vordering tot schadevergoeding van € 1800.- wegens niet meegeleverde spanborden, de beugels en valbeugels van de tractor John Deer.

Eiser heeft hiertegen ingebracht dat Gedaagde pas na 2 jaar hierover reclameert, en pas nadat Eiser Gedaagde herhaaldelijk om betaling heeft verzocht.

Gedaagde heeft zelfde container uitgeladen en daarbij onder meer de nieuwe spatborden van de John Deere 6030 uitgeladen en meegenomen. Gedaagde heeft diverse andere onderdelen achtergelaten. Eiser legt verklaringen over van de heren X van het bedrijf A, dat voor het laden en lossen in Nederland zorgt, van de heren Y en Z. De achtergelaten onderdelen zijn bij Z opgeslagen. Toen Gedaagde deze aanvankelijk door hem achtergelaten onderdelen alsnog in zijn bezit wenste te krijgen, wenste Eiser eerst betaling van zijn facturen.

Gedaagde heeft zelfde twee John Deere 6030 tractoren gekocht tijdens zijn bezoek aan Eiser, bij een sloperij B in, Louisiana, VS. Eiser heeft het aankoopbedrag voorgeschoten en het transport verzorgd. Eiser is drie dagen bezig geweest met het demonteren van die trekkers, zodat deze in de container zouden passen. Deze trekkers hadden kapotte koppelingen, eindaandrijvingen, waren niet lopend en waren niet in goede staat. Aldus Eiser.

Gedaagde stelt dat Eiser diverse onderdelen achterhield, totdat de facturen volledig betaald zouden zijn. Zij betwist de verklaringen van Y, Z en X.

De twee John Deere tractoren zijn met een latere zending aangekomen. In de container van 26 januari 2008 waren geen John Deere onderdelen aanwezig. Dit blijkt volgens Gedaagde uit de door haar overgelegde verklaringen van Gedaagde sr en E.

De kantonrechter oordeelt als volgt:

Wat er ook zij van de stellingen over en weer omtrent het tijdstip waarop de container met de (een van de?) John Deere tractor(s) zou(den) zijn geleverd, tussen partijen staat vast dat er nog onderdelen van een John Deere tractor die bestemd waren voor Gedaagde, te weten: een rolbeugel, twee spatbordsteunen en dubbellucht naven zich bevinden bij Z. Volgens Gedaagde ontbraken de originele spatborden.

Volgens een overgelegde verklaring van Z waren de 3 John Deere trekkers die hij later heeft gezien op het terrein van Gedaagde alle voorzien van spatborden. De heer Y verklaart dat hij heeft gezien dat Gedaagde Sr en diens medewerker E een set spatborden passend op een John Deere 6030 heeft geladen na afloop van het lossen van de tractor, en wel op het terrein van C in. Dit wordt bevestigd door Z, die tevens verklaart dat hij de achtergelaten onderdelen, een rolbeugel, twee spatbordsteunen en dubbellucht naven onderdelen heeft opgeslagen. Mede in aanmerking genomen dat Gedaagde in zijn aanvankelijke brieven aan Eiser enkel klaagt over het ontbreken van de steunen van de 6030, gaat de kantonrechter ervan uit dat enkel de onderdelen die door Z genoemd zijn in diens verklaring, nog niet in het bezit zijn van Gedaagde. Door Gedaagde wordt bovendien niet aangeven welke spanborden, vermeld op welke factuur, dan wel behorend bij welke John Deere trekker niet geleverd zijn. Aldus wordt zijn stelling dat een set spanborden niet geleverd is onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd.

Op grond van artikel 7:26 Burgerlijk Wetboek, is de koper verplicht de prijs te betalen ten tijde en ter plaatse van de aflevering, tenzij anders is overeengekomen. Op een aantal van de aan Gedaagde door Eiser gezonden facturen is bepaald dat er vooruit diende te worden betaald. Voorzover dat niet het geval is, had Gedaagde de achterstallige factuurbedragen dienen aan te bieden te betalen, bij het ophalen van de bij Z nog opgeslagen onderdelen. Gedaagde laat na de facturen van Eiser te voldoen, en was reeds vanaf eind augustus 2008 in gebreke jegens Eiser voor wat betreft de betaling van het restant van de koopprijs, derhalve lang voordat hij zelf Eiser schriftelijk in gebreke stelde in reactie op de aanmaning van 15 oktober 2009 van IntoCash, de gemachtigde van Eiser. In die reactie is Gedaagde overigens niet duidelijk omtrent wat hij nog geleverd wenste te hebben. Daarop is door de gemachtigde van Eiser gereageerd, met de mededeling dat Gedaagde de tractoren zelf heeft uitgeladen en dat hij na betaling de door hem niet meegenomen onderdelen kan komen ophalen. De kantonrechter is daarom van oordeel dat Gedaagde zelf als schuldeiser in verzuim is. Eiser is op grond van artikel 6:52 Burgerlijk Wetboek gerechtigd om zijn verbintenis tot levering van deze onderdelen op te schorten, totdat Gedaagde het resterende factuurbedrag betaald heeft. Gedaagde heeft immers wel getracht de ontbrekende onderdelen op te halen, doch aangezien er door haar op dat moment het ontbrekende factuurbedrag niet betaald werd, is dit terecht geweigerd door Eiser c.q. Z. Er kan dan ook geen sprake zijn van toewijzing aan Gedaagde van vervangende schadevergoeding. Zoals meermalen gesteld in dit geding, kan Gedaagde de ontbrekende onderdelen van een van de tractoren John Deere die bij Z liggen na betaling ophalen.

De stuurinrichting van de Ford 8000 dan wel de Ford 9600 en de ontbrekende Roed werkende duo power.

Door Eiser wordt betwist dat er een goed werkende duo power (versnellingsbak) zou worden geleverd. Aangezien de facturen vermelden "sold as is, where is" kan in rechte zonder nadere toelichting zijdens Gedaagde, die ontbreekt, niet ervan worden uitgegaan dat er enige garantie zou zijn gegeven omtrent een goed werkende duo power. Gedaagde heeft haar stelling hieromtrent niet nader onderbouwd of toegelicht, noch ter zake enig specifiek bewijsaanbod gedaan. Deze stelling aangaande een goed werkende duo power wordt dan ook als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd verworpen.

Voor wat betreft de ontbrekende stuurinrichting, geldt mutatis mutandis hetzelfde als hiervoor onder 5.1.3 laatste alinea is overwogen: Weliswaar stelt Gedaagde dat zij de betaling heeft opgeschort, echter zoals hiervoor reeds overwogen, diende de koopsom uiterlijk bij aflevering voldaan te zijn dan wel te worden. Vaststaat dat Gedaagde bij de aflevering nog een gedeelte van de facturen onbetaald had gelaten. Eiser was derhalve gerechtigd om op grond van de artikelen 6: 52 BW de levering van een gedeelte van een trekker op te schorten. De stuurinrichting is volgens niet weersproken stelling van Eiser opgeslagen bij de heer X in diens bedrijf in, zodat Gedaagde deze na betaling aldaar kan ophalen.

De banden behorend bij de Massev Ferguson zouden de maat 20.8.38 dienen te hebben, in plaats van de geleverde maat 18.4.38.

Volgens Gedaagde heeft Eiser telefonisch aangegeven dat deze tractor 20.8 banden van vrijwel nieuwe kwaliteit op de velgen had. Eiser heeft in ieder geval vervangende banden toegezegd. Gedaagde verwijst naar de e-mail van Eiser die zij als prod. 8 overlegt bij dupliek in conventie/repliek in reconventie.

Eiser heeft over deze kwestie aangevoerd dat hij van Gedaagde opdracht had gekregen om een Massey Ferguson 1800 of 1805 te zoeken. Hij heeft er een gevonden, waarbij de verkoper had aangegeven dat er banden met de maat 20.8.38 onder zaten. Hij heeft aan Gedaagde aangeboden om naar Kansas te rijden om de trekker te inspecteren, maar Gedaagde vond dat niet nodig. Bij aflevering bleken er 18.4.38 banden te zijn gemonteerd. Eiser heeft aangeboden om 20.8.38 banden eronder te zetten, omdat hij deze op voorraad had, welke banden echter in mindere staat waren dan de banden die erop waren gemonteerd. Gedaagde heeft toen aangegeven dat hij de banden erop kon laten zitten.

De kantonrechter stelt vast dat Eiser geen enkele garantie of toezegging aan Gedaagde heeft gedaan omtrent de maat van de banden die onder de trekker MF gemonteerd zouden zijn. Als onvoldoende gemotiveerd weersproken kan in rechte worden aangenomen dat Eiser de trekker in opdracht en ten behoeve van Gedaagde heeft gekocht, en dat zijn aanbod om deze voordien te inspecteren door Gedaagde is afgeslagen. Aldus rust het risico over de staat van de geleverde trekker op Gedaagde. Weliswaar heeft Eiser destijds onverplicht aangeboden om de banden om te ruilen wanneer hij zelf banden met de maat van 20.8.38 zou krijgen, hij heeft echter als voorwaarde gesteld dat Gedaagde dan de banden (18.4.38) die zij niet wilden, naar "D in …" diende te brengen. Echter, voegt Eiser daar aan toe: "Ik ga niks doen voor je betaald hebt". Gelet op deze laatste toevoeging, houdt de stelling van Gedaagde dat Eiser (onvoorwaardelijk) toegezegd heeft deze banden alsnog te leveren geen stand. Gesteld noch gebleken is voorts dat Gedaagde de banden 18.4.38 ingeleverd zou hebben bij "Frank in Erp". Uit de verder niet betwiste stellingen van Eiser dient te worden geconcludeerd, dat Gedaagde de trekker heeft aanvaard met de banden 18.4.38 die eronder zaten. Deze gang van zaken kan dan ook geen gerechtvaardigde grond opleveren voor de opschorting van betaling van de facturen, noch voor toewijzing van enige vervangende schadevergoeding.

De vordering van Gedaagde tot betaling door Eiser van een restant van de verkoopprijs van 2 tractoren die door Gedaagde aan Eiser zijn geleverd.

Het betreft volgens Gedaagde een Ford 4610 en een Ford 3600. Die tractoren hebben volgens Gedaagde een waarde van € 2.500 tot € 3.000 per stuk. Eiser heeft maar € 2.000,- betaald als voorschot, (dupl/repl nr 25). De opbrengst bij verkoop door Eiser zou tussen partijen worden verdeeld.

Eiser heeft hiertegen onder meer ingebracht dat de geleverde tractoren in slechte staat verkeerden en door hem als slooptractoren gekocht zijn in verband met de onderdelen. Eiser heeft deze gekocht voor € 1.000,- per stuk en deze koopprijs verrekend met de openstaande rekening van Gedaagde c.s., omdat hij nooit een factuur voor deze tractoren had ontvangen van Gedaagde. Eiser betwist dat tussen Gedaagde en hem zou zijn overeengekomen dat Gedaagde in de winst op deze tractoren met hem zou delen.

De kantonrechter wijst de vordering van Gedaagde af. Voor de betalingsverplichting van Eiser aan Gedaagde voor deze tractoren is immers enkel relevant de overeengekomen koopprijs en eventuele afspraken omtrent de verdeling van te maken winst.

De bewijslast van beide grondslagen van de vordering rust op Gedaagde. Aangezien hij noch ten aanzien van de overeengekomen prijs, noch ten aanzien van een verdeling van eventueel te maken winst specifiek bewijs aanbiedt, wordt de vordering tot betaling van een eventueel verschil tussen de waarde die de trekkers volgens Gedaagde hebben en het door Eiser middels verrekening betaalde bedrag ad 2.000,- afgewezen als onvoldoende onderbouwd.

Uit het bovenstaande vloeit voort dat de hoofdvorderingen van Gedaagde in reconventie dienen te worden afgewezen, zodat er evenmin grond is tot toewijzing van buitengerechtelijke kosten. Voor zover nodig wijst de kantonrechter erop dat het bewijsaanbod van Gedaagde wordt gepasseerd als zijnde ofwel niet ter zake doende ofwel onvoldoende gespecificeerd.

Tot slot heeft Gedaagde pas bij conclusie van dupliek in conventie onder 14 betwist dat Eiser de door hem in rekening gebrachte uren voor het demonteren van de trekkers heeft gemaakt. Ter onderbouwing van die stelling wijst hij erop dat Eiser onder 6 van zijn repliek/antwoord stelt, dat Gedaagde sr werk aan de tractoren heeft verricht. Gedaagde stelt dat Gedaagde sr de trekkers zelf heeft gedemonteerd.

Eiser heeft hiertegen ingebracht, dat hij niet het klaar maken van de John Deere trekkers die Gedaagde heeft gekocht in Basil in rekening heeft gebracht, maar het demonteren in verband met vervoer van de John Deere die hij in Taft, Texas heeft gekocht in opdracht en voor rekening van Gedaagde.

De kantonrechter oordeelt de stelling van Gedaagde bij dupliek in conventie aangaande de volgens haar ten onrechte door Eiser in rekening gebrachte uren tardief en in strijd met de goede procesorde. Gesteld noch gebleken is dat Gedaagde hier ooit eerder bezwaar tegen heeft gemaakt. Dit verweer wordt mitsdien gepasseerd.

Op het verweer van Eiser wordt daarom niet meer ingegaan.

Voor zover de vordering van Eiser betrekking heeft op de in de factuur d.d. 20 februari 2008 opgenomen en in rekening gebrachte twee uur wachtgeld ad € 140,- waarvan Gedaagde betwist dat zij tot betaling daarvan gehouden zouden zijn, wordt die vordering afgewezen. Gesteld noch gebleken is immers dat die eis gegrond is op een tussen partijen geldende afspraak, terwijl het later komen bij het lossen dan verzocht, ook niet als een onrechtmatige daad kan worden aangemerkt. De eis tot betaling van de factuur van 20 februari 2008 wordt mitsdien toegewezen tot een bedrag gelijk aan de optelsom van de overige daarop vermelde posten, zijnde van € 1.660,-. (Het in die factuur genoemde totaal van € 1.720 komt de kantonrechter onjuist voor, anders dan het zogenaamde Grand Total).

De door Eiser gevorderde wettelijke rente ad € 887,19 over de hoofdsom vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de voldoening komt de kantonrechter niet juist voor. De hoofdsom bedraagt immers slechts 6 3300,-. Toegewezen zal mitsdien worden de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf betalingsdag genoemd in de eerste in rechte gebleken ingebrekestelling, zijnde 17 augustus 2008, waarin een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven. Uit de (laatste) overgelegde facturen blijkt immers niet duidelijk een uiterste datum waarop betaald diende te zijn.

De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, aangezien de door Eiser gestelde werkzaamheden door zijn gemachtigde horen tot de normale voorbereiding van een procedure, die begrepen zijn in de werkzaamheden waarvoor de proceskostenveroordeling bedoeld is.

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van de procedure in conventie en in reconventie aan de zijde van Eiser gevallen.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt de gedaagden Gedaagde hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, om aan Eiser te betalen een bedrag van € 3.300,-, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 31 augustus 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

wijst af de vordering van Gedaagde;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding in conventie en in reconventie, gevallen aan de zijde van Eiser, welke kosten tot op heden worden vastgesteld op € 280,25 ter zake verschotten en op € 787,50 voor salaris van de gemachtigde van Eiser.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. Spoor, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2011 in aanwezigheid van de griffier.