Opzettelijke verzwijging zakelijke geschillen is schending waarheidsplicht, tegenclaim afgewezen

Een supermarkt is gesloten vanwege het ontbreken van een opvolger van de eigenaar. De eiser in deze zaak leverde bakkerij producten aan deze supermarkt. Omdat de woningcorporatie financiële steun heeft gegeven, kan de supermarkt heropend worden door de gedaagde in deze zaak. Er is toen een bestelprocedure afgesproken over de levering van bakkerij producten. Na weken geleverd te hebben kwamen er tussen partijen zakelijke geschillen die er uiteindelijk voor zorgde dat de levering van bakkerijproducten gestaakt werden. De eiser wilt dat er zes onbetaalde facturen betaald worden en de gedaagde stelt dat dit verrekend kan worden met zijn schadie, die volgens hem is geleden omdat er plotseling geen leveringen meer kwamen van bakkerijproducten. De gedaagde heeft hierbij geprobeerd om door het een en ander te verzwijgen het te doen lijken alsof de leveringen zonder reden zijn gestaakt.  De rechter oordeelt echter dat gedaagde het aan zijn eigen manier van communiceren heef te danken dat de leveringen zijn gestaakt. Er is dan ook geen recht op schadevergoeding. De vordering wordt in zijn geheel toegewezen en de gedaagde moet de overige facturen dan ook betalen.

Datum: 19 maart 2014
Rechtbank: Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg
Zaaknummer: 2429670/ 13-4970

Vonnis

in de zaak van

de commanditaire vennootschap Eiser, gevestigd te, gemeente, eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie, verder te noemen: Eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, IntoCash Rotterdam,

tegen:

Gedaagde, wonende te en handelende te, gemeente, onder de naam, gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, verder te noemen: Gedaagde,

gemachtigde: mr. V.G.G. Veldhuis, advocaat te Roosendaal

Het verloop van de procedure

De procedure is als volgt verlopen:

-    dagvaarding van 7 oktober 2013,
-    conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie,
-    comparitievonnis,
-    conclusie van antwoord in reconventie,
-    producties van Gedaagde,
-    verschijning van partijen d.d. 13 februari 2014.


De beoordeling van de zaak

in conventie en in reconventie:

1.1.    De enige supermarkt in X is op 30 januari 2011 gesloten vanwege het ontbreken van een opvolger van de eigenaar. Eiser en zijn voorganger hadden bakkerij producten geleverd aan die supermarkt. De woningcorporatie heeft teneinde de leefbaarheid in het dorp te verbeteren een financiële stimulans gegeven voor de heropening van de supermarkt. Gedaagde heeft begin 2012 de supermarkt in heropend. Vooraf hebben partijen met elkaar gesproken over de levering van bakkerij producten door Eiser. Daarbij is een bestelprocedure afgesproken.

1.2.    Eiser heeft wekelijks aan Gedaagde geleverd. Vanaf medio maart 2013 zijn er tussen partijen zakelijke geschillen gerezen die hoog opliepen. Gedaagde verlangde dat Eiser de verkoop en bezorging aan huis van bakkerijproducten in de omgeving van zijn supermarkt zou staken. Gedaagde maakte voorts aanspraak op een marge van 25 % in plaats van 23 %. Hij wilde een correctie met terugwerkende kracht over een geheel jaar. In zijn e-mail d.d. 20 maart 2013 heeft Gedaagde aan Eiser meegedeeld:

"Contacten verlopen in het vervolg alleen via de mail, rekeningen maak ik wel over via de bank. Wel wil ik van de rekeningen vanaf 15 februari een correctie met daarin verrekent het marge percentage naar 25 %. En een correctie op de marge van het afgelopen jaar van 2 % (ongeveer 52.000 euro omzet = 1000 euro) ".

Vervolgens heeft Gedaagde in een e-mail d.d. 20 maart 2013 met als onderwerp: "waarschuwing" aan Eiser meegedeeld:

"Ik zou hier maar weg blijven. Je beseft blijkbaar niet hoe boos we zijn."

1.3.    Eiser heeft toegestemd in een marge van 25 %, maar niet met terugwerkende kracht. Gedaagde heeft echter eigenmachtig € 1.000,- ingehouden bij de betaling van drie facturen. Voorts eiste Gedaagde in een e-mail d.d. 4 april 2013 een schriftelijke bevestiging van Eiser dat hij, Gedaagde, het alleenrecht heeft op de verkoop van Bunderbrood in. Daarop heeft Eiser diezelfde dag per e-mail aan Gedaagde geantwoord:

"dit kan niet een korting van 25 % na de pasen vindt ik prima maar niet met terugwerkende kracht dus is het voor mij duidelijk morgen kom ik nog leveren zaterdag niet meer... "

1.4.    Eiser heeft de levering van bakkerijproducten vanaf 6 april 2013 gestaakt. Gedaagde heeft vanaf 6 april 2013 brood betrokken van B uit en banket van andere leveranciers.

2.1.    Eiser heeft in conventie betaling gevorderd van zes onbetaald gebleven facturen, totaal € 6.746,98 in hoofdsom met € 277,21 wegens de wettelijke handelsrente tot en met 20 september 2013 en € 712,34 wegens buitengerechtelijke kosten, totaal € 7.736,44 met verdere wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 20 september 2013.

2.2.    Gedaagde heeft vordering van Eiser in hoofdsom erkend, maar heeft zich beroepen op een bevoegdheid tot verrekening van zijn schade, die volgens hem is geleden doordat Eiser plotseling zonder opgaaf van reden en zonder een opzegtermijn in acht te nemen de levering van bakkerijproducten gestaakt heeft. In reconventie heeft Gedaagde een schadevergoeding ad € 37.308,11 gevorderd.

3.1.    Gedaagde heeft een bestelling per e-mail d.d. 5 april 2013 overgelegd, waarop Eiser aanstonds per e-mail heeft gereageerd met: "ik lever niets meer". Gedaagde heeft het in de conclusie d.d. 11 december 2013 willen doen voorkomen dat Eiser met deze e-mail d.d. 5 april 2013 plotseling zonder opgaaf van reden en zonder inachtneming van een opzegtermijn de leveringen heeft gestaakt. Daarbij heeft Gedaagde verzwegen dat zakelijke geschillen tussen partijen hoog waren opgelopen, dat Gedaagde zelf eigenmachtig zich met terugwerkende kracht over een heel jaar een marge van 2 % had toegekend en daarom € 1000,- met facturen had verrekend en dat om die reden Eiser per e-mail d.d. 4 april 2013 aan Gedaagde had meegedeeld dat de leveringen vanaf 6 april werden gestaakt. Aldus gaf Eiser Gedaagde nog een dag de tijd om andere leveranciers te vinden. Gedaagde heeft door een en ander te verzwijgen opzettelijk een geheel verkeerd beeld geschetst in de conclusie d.d. 11 december 2013. Gedaagde heeft haar waarheidsplicht neergelegd in art. 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geschonden. Daaruit zal hierna de conclusies worden getrokken die geraden voorkomen.

3.2.    Gedaagde heeft gesteld dat partijen hebben afgesproken dat Eiser voor onbepaalde tijd brood en banket zou leveren aan Gedaagde. Gedaagde wenst dat te zien als een duurovereenkomst. Eiser heeft ontkend dat hij verplicht was wekelijks aan Gedaagde te leveren. Volgens Eiser is er slechts sprake van een opeenvolgende reeks van koopovereenkomsten en niet van een duurovereenkomst. Eiser heeft voorts gesteld dat Gedaagde niet verplicht was wekelijks brood en banket af te nemen van Eiser. Ter zitting heeft Gedaagde dat laatste bevestigd. Voorafgaand aan de heropening van de supermarkt is slechts een bestelprocedure afgesproken. Ook over exclusiviteit is vooraf niet gesproken, zo heeft Gedaagde ter zitting verklaard. Gedaagde baseert zijn beweerde recht op exclusiviteit op zijn belang daarbij, zo is ter zitting gebleken. Een belang is echter niet toereikend voor een recht. Aan de gestelde verplichting van Eiser om te leveren wordt voorbijgegaan, nu gelet op het voorgaande gebleken is dat de visie van Gedaagde op de werkelijkheid sterk door zijn eigen belangen wordt gekleurd. Ook hier is de wens de vader van de gedachte. Niet wordt aanvaard dat een leveringsplicht van Eiser is overeengekomen.

3.3.    Indien men de relatie tussen partijen zou willen benoemen als een duurovereenkomst, dan is dat een zeer vrijblijvende zonder leveringsplicht, zonder afnameplicht en zonder exclusiviteit. Voor de beëindiging van een dergelijke losse band is geen zwaarwegende grond nodig. Overigens heeft Gedaagde aan Eiser wel een zwaarwegende grond gegeven voor het staken van de leveringen. Gedaagde heeft zich in de e-mail correspondentie met Eiser niet beperkt tot zakelijke communicatie. Gedaagde heeft lucht gegeven aan zijn eigen gevoelens, waarbij hij niet is teruggeschrokken voor fysieke dreiging (zie e-mail d.d. 20 maart 2013, geciteerd onder 1.3.) Gedaagde heeft voorts scherpe verwijten gemaakt aan Eiser. Dat de zaak hoog is opgelopen is mede te wijten aan de wijze van communiceren van Gedaagde. Maar dat Gedaagde zich eigenmachtig met terugwerkende kracht over een heel jaar een marge van 2 % had toegekend en daarom € 1000,- met facturen had verrekend, behoefde Eiser niet te accepteren. Gedaagde moet dus de hand in eigen boezem steken. Hij heeft het aan zijn eigen gedrag te wijten dat Eiser de leveringen vanaf 6 april 2013 heeft gestaakt.

3.4.    Gelet op het voorgaande heeft Gedaagde jegens Eiser geen recht op schadevergoeding wegens het staken van de leveringen vanaf 6 april 2013. Daar komt dan nog bij dat de geclaimde schade een hoog gehalte van gebakken lucht heeft. Zoals reeds vastgesteld heeft Eiser aan Gedaagde een dag gegeven om andere leveranciers te vinden en Gedaagde is daarin ook tijdig geslaagd. Toch claimt Gedaagde verlies van omzet in diverse vormen over maar liefst een heel jaar. Gedaagde heeft geen moeite gedaan om een causaal verband aannemelijk te maken tussen omzetverlies over een heel jaar en het staken van de leveringen vanaf 6 april 2013.

4.1.    De conclusies zijn dat het beroep op verrekening van Gedaagde wordt verworpen en dat de vordering in reconventie zal worden afgewezen.

4.2.    In conventie rest dan nog de kwestie of voor de facturen een betalingstermijn van twee weken of van zes weken is overeengekomen. Eiser heeft de wettelijke handelsrente berekend vanaf veertien dagen na factuurdatum. Op de facturen van Eiser staat het verzoek om het factuurbedrag binnen veertien dagen te voldoen. Gedaagde heeft ter zitting aangevoerd dat hij in de praktijk na zes weken betaalde. Dat blijkt ook uit facturen, waarop door Eiser kwijting is verleend. Maar uit de e- mailcorrespondentie van partijen blijkt dat Eiser niet instemde met betaling na zes weken. Per e-mail d.d. 31 maart 2013 heeft Eiser aan Gedaagde een betalingsherinnering gezonden waar bij is gerefereerd aan de betalingstermijn van 14 dagen. Eiser heeft dat opnieuw gedaan per e-mail d.d. 22 april 2013. Gelet op een en ander en gelet op de wijze waarop Gedaagde met de waarheid omgaat (zie 3.1. en 3.2.) wordt niet aanvaard de stelling van Gedaagde dat partijen een betalingstermijn van zes weken hebben afgesproken. Uitgegaan wordt van de betalingstermijn van veertien dagen na factuurdatum, zoals op de facturen vermeld en waaraan Eiser nog voor het staken van de leveringen heeft herinnerd.

4.3.    De vordering in conventie zal geheel worden toegewezen met veroordeling van Gedaagde in de kosten van het geding in conventie en in reconventie. Het salaris van de gemachtigde van Eiser is als volgt begroot:

-    dagvaarding 1 pt a € 250,-
-    antwoord in reconventie 1 pt a € 400,-
-    comparitie 1 pt a € 400,-

totaal € 1.050,-

De nevenvordering tot veroordeling van Gedaagde in de nakosten wordt afgewezen nu deze nevenvordering in het geheel niet is onderbouwd.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt Gedaagde om tegen bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 7.736,44, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente te berekenen over de hoofdsom van € 6.746,98 vanaf 20 september 2013 tot de dag van voldoening;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie:

wijst de vordering af;

in conventie en in reconventie:

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding, welke aan de zijde van Eiser tot op heden worden begroot op € 1.574,71, waaronder begrepen een bedrag van € 1.050,- wegens salaris van de gemachtigde van Eiser;
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. Klarenbeek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.