Proceskostenveroordeling door opstelling gedaagde

Een schilder (eiser) heeft werk gedaan voor de gedaagde. Hiervoor zijn zes facturen gestuurd die door de gedaagde niet betaalt worden. Voor drie van de zes facturen is er echter een betalingsbewijs. De schilder weerspreekt deze bewijzen niet, waardoor de rechter ervan uitgaat dat deze facturen toch wel betaald zijn aan de schilder. Bij de andere drie facturen doet de gedaagde beroep op het opschortingsrecht. Na een paar financieële punten oordeelt de rechter dat er nog een bedrag van €1.437,50 aan de schilder betaalt moet worden. Een groot verschil met de oorspronkelijk gevraagde €5.914,12. Ondanks dat de vordering van de schilder grotendeels wordt afgewezen, zal de rechter de gedaagde toch veroordelen in de proceskosten. Dit komt omdat de gedaagde pas tijdens de zitting haar verweer duidelijk heeft gemaakt en de juiste processtukken naar voren heeft gebracht.

Datum: 10 oktober 2012
Rechtbank: 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond
Zaaknummer: 808232 12-523

Vonnis

in de zaak van:

Eiser, wonende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde, gevestigd te, gedaagde, procederend in de persoon van haar bestuurder.

Partijen zullen hierna worden genoemd "Eiser" en "Gedaagde".

Het verloop van het geding

Dit blijkt uit het volgende:

de dagvaarding met producties;
het mondeling antwoord met producties;
de rolbeslissing van 14 maart 2012 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;
de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 3 mei 2012 en het bij die gelegenheid door Gedaagde in het geding gebrachte overzicht genaamd "overzicht facturen Eiser";
de akte van uitlating van Eiser;
de brief van 31 juli 2012 van Gedaagde aan de rechtbank met producties;
de rolbeslissing van 8 augustus 2012 waarbij Eiser in de gelegenheid is gesteld zich bij akte uit te laten over voornoemde brief van 31 juli 2012 van Gedaagde;
de akte van uitlating van Eiser.

Vervolgens is vonnis bepaald.

Het geschil

Eiser vordert betaling van € 5.914,12, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten als vermeld in de dagvaarding.

Eiser legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. Eiser heeft in opdracht van Gedaagde diverse schilderwerkzaamheden verricht. Ondanks aanmaningen daartoe heeft Gedaagde een bedrag van in totaal € 4.975,- aan facturen onbetaald gelaten. Op grond van de overeenkomst, subsidiair op grond van de wet en meer subsidiair op grond van rapport Voorwerk II alsmede op grond van de redelijkheid en billijkheid is Gedaagde tevens buitengerechtelijke incassokosten van € 700,- verschuldigd. Tevens vordert hij een vergoeding van de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen. Tot 20 januari 2012 bedroeg de wettelijke rente € 239,12.

Gedaagde voert, zakelijk weergegeven, het volgende verweer. De facturen 003, 004 en 005 van € 2.787,50 zijn door haar betaald aan het uitzendbureau. Voor het overige voert zij aan dat zij een winst uit onderneming VAR verklaring van Eiser wil ontvangen, zodat zij gevrijwaard wordt voor naheffingen van de belastingdienst. Alsdan is zij bereid om te betalen. Voorts heeft zij € 200,- en € 150,- als contante voorschotten en een bedrag van € 600,- per bank aan Eiser betaald. Deze bedragen wil zij verrekenen met het door Eiser gevorderde bedrag.

De beoordeling

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken en/of erkend en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast:

Eiser heeft in opdracht van Gedaagde schilderwerkzaamheden verricht.

Voor die werkzaamheden heeft Eiser Gedaagde onder meer zes facturen gestuurd:

een factuur van 8 juni 2011 (nummer 3) van € 937,50;
een factuur van 8 juni 2011 (nummer 4) van € 912,50;
een factuur van 8 juni 2011 (nummer 5) van € 937,50;
een factuur van 8 juni 2011 (nummer 7) van € 750,-;
een factuur van 20 juni 2011 (nummer 8) van € 687,50;
een factuur van 26 juni 2011 (nummer 9) van € 750,-.

Gedaagde heeft deze facturen ondanks aanmaningen daartoe onbetaald gelaten.

De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen de gefactureerde bedragen niet in geschil zijn.

Wat betreft de facturen 3, 4 en 5 stelt Gedaagde dat zij die facturen in overleg met Eiser aan X heeft voldaan, zodat zij die niet meer aan Eiser behoeft te voldoen. Eiser erkent dat partijen hadden afgesproken dat de facturen 3, 4 en 5 aan X zouden worden voldaan, maar weerspreekt dat Gedaagde dat ook heeft gedaan. De vervolgens door Gedaagde in het geding gebrachte betalingsbewijzen weerspreekt Eiser niet, zodat in rechte ervan uit dient te worden gegaan dat Gedaagde die facturen bevrijdend aan X heeft betaald. Aldus zal in zoverre de vordering van Eiser worden afgewezen.

Ten aanzien van de facturen 7 tot en met 9 begrijpt de kantonrechter dat Gedaagde een beroep doet op een opschortingsrecht. Gedaagde is bevoegd haar verplichting tot betaling van de facturen op te schorten indien Eiser zijn verbintenis jegens Gedaagde niet nakomt (artikel 6:262 lid 1 BW). Eiser voert aan dat bij het inschakelen van hem nimmer als voorwaarde is gesteld dat hij over een door Gedaagde gestelde VAR-verklaring diende te beschikken. Tijdens de comparitie van partijen kon Gedaagde niet aangeven wanneer partijen waren overeengekomen dat Eiser een "winst uit onderneming VAR-verklaring" moest overleggen en wie die afspraak namens haar had gemaakt. Omdat Eiser het door Gedaagde gestelde weerspreekt en Gedaagde nalaat nadere details over de afspraak te stellen, is de kantonrechter van oordeel dat Gedaagde onvoldoende motiveert dat zij haar betalingsverplichting mag opschorten. Dit leidt er in beginsel toe dat Gedaagde de gevorderde facturen dient te voldoen.

Gedaagde stelt dat zij op 6 juni 2011 € 200,- als contant voorschot aan Eiser heeft voldaan. Eiser voert gemotiveerd aan dat hij het voorschot van € 200,- in mindering heeft gebracht op zijn factuur van 8 juni 2011 (nummer 6) en dat die factuur reeds is voldaan door Gedaagde. Omdat Gedaagde dit betoog van Eiser niet weerspreekt, dient daarvan in rechte te worden uitgegaan en daarom is de kantonrechter van oordeel dat met het betaalde voorschot van € 200,- bij de beoordeling van de onderhavige vordering geen rekening behoeft te worden gehouden.

Gedaagde stelt ook dat zij op 14 juni 2011 € 150,- als contant voorschot aan Eiser heeft voldaan en op diezelfde dag een bedrag van € 600,- per bank aan hem heeft betaald. Gedaagde legt ter onderbouwing van haar stelling onder meer een factuur van 12 juni 2011 van € 750,-(periode week 23) van Eiser over welk document gelijkenissen vertoont met de door Eiser gevorderde factuur nummer 7. Op het door Gedaagde in het geding gebrachte document is met de handgeschreven:

"14/6 €150,-contant
€ 600,- via bank"

Daarachter zijn twee handtekeningen geplaatst. Eiser heeft tijdens de comparitie van partijen erkend dat één van die handtekeningen zijn handtekening is. Voor het overige voert Eiser aan dat hij niet weet of hij € 150,- heeft ontvangen en dat hij via de bank een bedrag heeft ontvangen, maar niet meer weet hoeveel hij heeft ontvangen. De kantonrechter is van oordeel dat Eiser, in het licht van de gemotiveerde stelling van Gedaagde en de erkenning van Eiser dat de handtekening op het document zijn handtekening is, onvoldoende verweer voert tegen de stelling van Gedaagde. Daarmee staat vast dat Eiser van Gedaagde een bedrag van € 750,- heeft ontvangen, welk bedrag in mindering dient te komen op het door hem nog van Gedaagde te vorderen bedrag.

Op grond van het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat Gedaagde nog een bedrag van € 1.437,50 aan Eiser dient te voldoen.

Tegen de door Eiser gevorderde veroordeling tot betaling van de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de facturen voert Gedaagde onvoldoende verweer, zodat die vordering zal worden toegewezen. Het door Eiser gevorderde bedrag van € 239,12, zijnde de rente tot 20 januari 2012, zal niet worden toegewezen, omdat dat bedrag is gebaseerd op een te hoge hoofdsom.

De door Eiser gevorderde buitengerechtelijk incassokosten zullen worden afgewezen. Hij onderbouwt die vordering onvoldoende. Nergens uit blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn. Voor het overige geldt dat kennelijk geen ter zake relevante kosten zijn gemaakt, dat wil zeggen andere kosten dan die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak (zoals kosten van het zenden van aanmaningen en sommaties), waarvoor de veroordeling in de proceskosten een vergoeding pleegt in te houden. Gelet op navolgende overweging met betrekking tot de proceskosten is er daarom geen grond voor toewijzing van de vordering ter zake buitengerechtelijke kosten.

Ondanks dat de vordering van Eiser grotendeels wordt afgewezen, zal de kantonrechter Gedaagde toch veroordelen in de proceskosten. Gedaagde heeft pas tijdens de comparitie van partijen haar verweer duidelijk naar voren gebracht onder verwijzing naar door haar bij het mondeling antwoord in het geding gebrachte stukken. Bovendien heeft zij pas na de comparitie van partijen betalingsbewijzen overgelegd. Door de opstelling van Gedaagde zijn onnodig proceskosten gemaakt en extra proceshandelingen verricht en daarom zal de kantonrechter Gedaagde veroordelen in de proceskosten.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen de som van € 1.437,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de facturen tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, aan de zijde van Eiser tot heden begroot op € 90,64 aan explootkosten, € 207,- aan griffierecht en € 600,- als bijdrage in het salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Schollen-den Besten en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2012.