Rechtbank bevoegd; geen verrekening schade met salaris

De eiser was een werknemer van de gedaagde. Gedaagde (werkgever) heeft de laatste twee maanden loon en vakantiegeld van de werknemer onbetaald gelaten. Als verweer zegt de werkgever dat deze werknemer volledig onbevoegd een sponsorovereenkomst heeft gesloten met een organisatie in naam van de werkgever. Hierdoor is er schade ontstaan en de werkgever beroept zich op 7:661 BW. De werknemer is meerdere malen tot betaling van deze schade gesommeerd. De rechter moet nu kijken of deze twee bedragen (loon en schade) verrekend dienen te worden. De rechter oordeelt dat Gedaagde had moeten kijken of er wat te regelen viel om de schade zo veel mogelijk in te perken, in plaats van zich continu te beroepen dat zij niet aan de overeenkomst was gebonden. Eiser kan niet voor deze opgevoerde kosten aansprakelijk gehouden worden. De conclusie hiervan is dat Gedaagde ook geen vordering heeft op Eiser en dat er daarom ook niets te verrekenen valt. Gedaagde dient dan ook de twee laatste maanden loon te betalen samen met het verschuldigde vakantiegeld en alle andere kosten.

Datum: 19 maart 2009
Rechtbank: 's-Hertogenbosch, Sector Kanton, locatie 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 583275 / 08-8522

Vonnis

in de zaak van:

Eiser,

wonende te, eiser in conventie,

verweerder in het incident en in reconventie, hierna te noemen Eiser, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde,

gevestigd te, gedaagde in conventie, eiseres in het incident en in reconventie, hierna te noemen Gedaagde, gemachtigde: mr. M.W. Steenpoorte,

als vervolg op het eerder in deze zaak op 23 oktober 2008 gewezen vonnis in het incident.

De verdere procedure in de hoofdzaak

Nadat bij opgemeld vonnis in het incident de zaak naar de rol was verwezen voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van Gedaagde, heeft Gedaagde een conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie genomen. Vervolgens is een comparitie van partijen gelast die heeft plaatsgevonden op 3 maart 2009. Daarna is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Het verdere geschil in de hoofdzaak

in conventie en in reconventie

Gedaagde heeft tot haar verweer onder meer het navolgende aangevoerd. Eiser heeft, in dienst van Gedaagde, volledig onbevoegd en zonder daartoe verkregen toestemming, uit naam van Gedaagde een sponsorovereenkomst gesloten met de organisatie X. Gedaagde heeft een dergelijke overeenkomst nooit willen sluiten. Toen Gedaagde met de overeenkomst bekend is geworden heeft zij ter voorkoming van verdere schade contact opgenomen met de organisatie X. Gedaagde heeft die organisatie laten weten dat er sprake is geweest van een onrechtmatige en onbevoegde vertegenwoordiging. Gedaagde is met alle macht door de organisatie X aan de door Eiser opgestelde sponsorovereenkomst gehouden. Een aanzienlijke schadeclaim werd Gedaagde in het vooruitzicht gesteld, evenals een kort geding. Gedaagde heeft moeten kiezen tussen een procedure, met een schadeclaim en veel imagoschade, of schadebeperking door met de organisatie tot een oplossing te komen. Gedaagde heeft ter beperking van haar schade met de organisatie een regeling getroffen. Zij heeft aan de organisatie beveiligers geleverd en de kosten die gemoeid zijn met de inschakeling van beveiligers getracht op Eiser te verhalen. De schade ter hoogte van € 6.407,66 heeft Gedaagde met het aan Eiser nog verschuldigde salaris ter hoogte van € 3.952,43 verrekend. Door Eiser dient nog een bedrag van € 2.455,23 te worden voldaan. Eiser is meerdere malen tot betaling van dit bedrag gesommeerd.

Eiser heeft wanprestatie gepleegd jegens Gedaagde. Subsidiair heeft hij onrechtmatig gehandeld en meer subsidiair doet Gedaagde een beroep op artikel 7:661 BW. Gedaagde heeft door toedoen van Eiser schade geleden. De vordering van Eiser in conventie is door verrekening teniet gegaan. In verband daarmee kan Eiser geen aanspraak maken op de wettelijke verhoging wegens niet tijdige betaling van het salaris.

Gedaagde vordert, onder verwijzing naar hetgeen door haar in conventie is gesteld, in reconventie, veroordeling van Eiser tot betaling van € 6.407,66, te vermeerderen met rente en kosten.

De beoordeling

in conventie en in reconventie

Tussen partijen is niet in geschil dat Gedaagde het loon over de maanden juni en juli 2008 en het vakantiegeld, samen in totaal € 3.952,43, dat zij aan Eiser verschuldigd was, niet aan Eiser heeft voldaan. Voor beantwoording van de vraag of de vordering van Eiser tot betaling van dit bedrag met de wettelijke verhoging daarover toewijsbaar is, is van belang of het beroep van Gedaagde op verrekening slaagt.

Gedaagde stelt schade te hebben geleden als gevolg van het feit dat Eiser zonder daartoe bevoegd te zijn geweest, een sponsorovereenkomst heeft gesloten met X voor beveiliging tijdens een benefietconcert in Raamsdonksveer, hetgeen door Eiser is betwist. Gedaagde heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die mee zouden brengen dat zij, indien wordt uitgegaan van het onbevoegde handelen van Eiser, tegenover X aan die overeenkomst zou zijn gebonden en door X aan die overeenkomst zou kunnen worden gehouden. Gedaagde heeft zich zelf op het standpunt gesteld dat zij niet gehouden was de overeenkomst na te komen.

Gedaagde heeft gesteld dat zij schade zou hebben geleden indien zij zich tegenover X op de ongeldigheid van die overeenkomst zou hebben beroepen en dat zij ter beperking van haar schade met X een regeling heeft getroffen waarmee voor haar kosten zijn gemoeid bestaande in kosten van inzet van beveiligingsmedewerkers bij het benefietconcert. Gedaagde heeft voorts gesteld dat het voor wat betreft de door haar verwachte schade nog niet eens zozeer zou gaan om de schadeclaim maar met name om de imagoschade. Dat Gedaagde voor relevante imagoschade zou hebben te vrezen en dat die schade hoger zou zijn geweest dan de schade die zij stelt te hebben geleden in verband met de regeling die zij met X heeft getroffen, is niet aannemelijk geworden. Volgens Gedaagde zou zij in de plaatselijke pers, zo niet de landelijke, als kwade genius worden afgeschilderd indien zij haar poot stijf zou houden en zou dit voor de goede naam van Gedaagde funest zijn, zeker in de regio waar het benefietconcert zou worden gehouden. Er zijn echter onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die deze vrees rechtvaardigt. De enkele omstandigheid dat Gedaagde als hoofdsponsor op posters en in advertenties was vermeld, is in dit verband onvoldoende, X heeft bij email van 19 juni 2008 aangegeven dat Gedaagde volledig aansprakelijk gesteld gaat worden mocht zij niet meewerken en het concert geen doorgang kan vinden. Uit niets is gebleken dat Gedaagde in de plaatselijke of de landelijke pers als kwade genius zou worden afgeschilderd als het concert niet zou doorgaan en dat daaruit daadwerkelijk imagoschade voor Gedaagde zou voortvloeien, laat staan dat die schade hoger zou zijn dan de schade waarvan thans vergoeding gevorderd wordt. Gedaagde heeft gesteld dat zij zich voor wat betreft beveiligingswerkzaamheden normaalgesproken bezig houdt met kleinschalige evenementen en niet met evenementen met een omvang als het benefietconcert. Tevens heeft zij gesteld dat het concert zou worden gehouden in een regio die is gelegen buiten de regio waar zij hoofdzakelijk werkzaam is.

Gelet op het voorgaande kan niet worden volgehouden dat Gedaagde in redelijkheid ter beperking van haar beweerdelijk te verwachten schade een regeling diende te treffen met X in plaats van zich tegenover X er op te beroepen dat zij niet aan de overeenkomst was gebonden. De als uitvloeisel van die getroffen regelingen gemaakte kosten kunnen daarom niet als redelijke kosten ter beperking van de schade worden aangemerkt. Eiser kan daarom niet voor deze als schade opgevoerde kosten aansprakelijk worden gehouden.

De conclusie van hetgeen hiervoor onder 3.2 is overwogen, is dat Gedaagde geen vordering heeft op Eiser. Gedaagde heeft derhalve niet een vordering op Eiser kunnen verrekenen met de vordering van Eiser op haar. Deze vordering van Eiser komt daarom voor toewijzing in aanmerking. In verband met de te late betaling van het salaris en de vakantietoeslag is Gedaagde de wettelijke verhoging hierover verschuldigd, waartegen Gedaagde naast haar beroep op verrekening geen nader verweer heeft gevoerd. De vordering zal daarom ook op dit onderdeel worden toegewezen.

Eiser heeft zijn vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten onvoldoende onderbouwd. Kennelijk zijn geen ter zake relevante kosten gemaakt, dat wil zeggen andere kosten dan die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak (zoals kosten van het zenden van aanmaningen en sommaties), waarvoor de veroordeling in de proceskosten een vergoeding pleegt in te houden. Gelet op navolgende overweging met betrekking tot de proceskosten is er daarom geen grond voor toewijzing van de vordering ter zake buitengerechtelijke kosten.

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de vordering in reconventie moet worden afgewezen.

Gedaagde zal als de in conventie in de hoofdzaak grotendeels alsmede in conventie in het incident en in reconventie in het geheel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie in de hoofdzaak

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen de som van €5.447,06;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van Eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op in totaal € 786,44, waarvan € 85,44 explootkosten, € 201,-griffierecht en € 500,- salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in conventie in het incident

veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van Eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 125,- salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure aan de zijde van Eiser gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op in totaal € 250,- salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, ter terechtzitting van 19 maart 2009, in tegenwoordigheid van de griffier.

Vonnis incident

Uitspraak 23 oktober 2008

in de zaak van: Eiser,

wonende te,  eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, handelend onder de naam Gedaagde,

gevestigd te, gedaagde in de hoofdzaak, eiseres in het incident, gemachtigde: mr. M.W. Steenpoorte.

De procedure

Eiser heeft bij dagvaarding gesteld en gevorderd als na te melden. Gedaagde is in rechte verschenen en heeft een incidentele eis genomen. Nadat eiser een incidentele conclusie van antwoord had genomen is vonnis bepaald. Onder de genoemde processtukken bevinden zich tevens de in die stukken nader aangeduide producties.

Partijen zullen verder worden aangeduid als Eiser' en 'Gedaagde'.

Het geschil

Eiser vordert betaling van € 3.952,43 aan hoofdsom, betaling van de wettelijke verhoging over de hoofdsom ad € 1.494,63, en betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 357,- inclusief btw, veniieerderd met de kosten zoals vernield in de dagvaarding.

Eiser legt daaraan het volgende ten grondslag. Eiser was in loondienst bij Gedaagde en heeft arbeid verricht. Betaling van de laatste maanden loon (juni en juli) en vakantiegeld" aan Eiser is achterwege gebleven. Eiser heeft getracht zijn loon zelf te incasseren, zonder resultaat. Eiser is aldus genoodzaakt geworden de vordering ter incasso uit handen te geven. De buitengerechtelijke kosten van € 357,- inclusief btw die Eiser heeft gemaakt, dient Gedaagde te vergoeden. Eiser vordert tevens de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over de verschuldigde hoofdsom, zijnde een bedrag van € 1.494,63.

 

De kantonrechter begrijpt de incidentele vordering van Gedaagde zo dat verwijzing naar de relatief bevoegde kantonrechter wordt gevorderd/Onder verwijzing naar een uittreksel van de Kamer van Koophandel, productie 2 van de door haar in het geding gebrachte producties, is zijdens Gedaagde gesteld dat de kantonrechter te 's-Hertogenbosch niet bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen omdat Gedaagde statutair gevestigd is in.

Eiser heeft in reactie op de incidentele vordering gesteld dat Gedaagde, gelet op een uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 19 augustus 2008, als productie 4 door Eiser in het geding gebracht, wel statutair gevestigd was in. Kennelijk is de statutaire zetel onlangs gewijzigd, aldus Eiser.

De beoordeling

Ingevolge artikel 99 Rv is de rechter van de woonplaats van gedaagde relatief bevoegd. Gedaagde heeft haar woonplaats, gelet op artikel 1:10 BW tweede lid, ter plaatse waar zij volgens wettelijk voorschrift of volgens haar statuten of reglement haar zetel heeft. De kantonrechter merkt hierbij op dat voor vaststelling van de relatief bevoegde rechter bepalend is de woonplaats van gedaagde ten tijde van de dag der inleidende dagvaarding.

Uit het door Eiser overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel d.d. 19 augustus 2008 blijkt dat Gedaagde op dat moment statutair gevestigd was te. Volgens het door Gedaagde overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel is zij statutair gevestigd te. Evenwel is dit uittreksel van een latere datum dan die van de inleidende dagvaarding. Het uittreksel dateert immers van 24 september 2008, terwijl de dag der dagvaarding 4 september 2008 is. Zijdens Gedaagde is gesteld noch gebleken dat op 4 september 2008 de statutaire zetel van Gedaagde reeds was gewijzigd en sedertdien te lag, zodat daar niet van uit kan worden gegaan.

Gelet op het vorenoverwogene en nu het door Eiser overgelegd uittreksel naar het oordeel van de kantonrechter een voldoende recent uittreksel is, dient het er voor worden gehouden dat Gedaagde ten tijde van de dag der dagvaarding statutair gevestigd was te. Hieruit volgt dat de kantonrechter te 's-Hertogenbosch bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige geschil. De incidentele vordering dient dan ook te worden afgewezen.

De zaak zal naar de hierna te noemen rolzitting worden verwezen voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van Gedaagde.

De kantonrechter zal de beslissing ten aanzien van de kosten van het incident aanhouden totdat in de hoofdzaak zal zijn beslist.

De beslissing

De kantonrechter:

in het incident

wijst de vordering af;

verwijst de zaak naar de rol van de sector kanton, locatie 's-Hertogenbosch van deze rechtbank van donderdag 20 november 2008 te 10.00 uur voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van Gedaagde;

reserveert de proceskosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.