Rechter beoordeelt de interpretatie van “bedrag mag worden ingelost in betere tijden” uit een schuldbekentenis

Eiser heeft aan Gedaagde 5 maanden lang sinaasappels geleverd. De rekeningen betaalt Gedaagde niet. Op een gegeven moment heeft Gedaagde een schuldbekentenis getekend, waarin hij erkent dat hij Eiser nog geld verschuldigd is. Gedaagde kon de vordering in betere tijden inlossen, en verwachtte dat dit na de belastingteruggave zou zijn. Ook hierna betaalt Gedaagde niet, waardoor Eiser genoodzaakt was om IntoCash in te schakelen, die zijn een gerechtelijke procedure gestart.

Gedaagde betwist dat de vordering opeisbaar is. Volgens Gedaagde volgt uit de schuldbekentenis niet dat hij per 1 mei 2017 de volledige schuld zou betalen, maar heeft hij uitstel van betaling gekregen tot "betere tijden". De in de overeenkomst genoemde teruggave inkomstenbelasting 2016 bedraagt € 815,00. De betaling van dat bedrag aan Eiser heeft Gedaagde opgeschort omdat Eiser, in strijd met de overeenkomst, incassomaatregelen heeft getroffen en de kosten daarvan in rekening wil brengen.

Eiser geeft aan dat in tijde van de ondertekening van de schuldbekentenis, het uitgangspunt was dat Gedaagde met zijn belastingteruggave de schuld kon afbetalen. Bovendien zijn de 'betere tijden' aangebroken, aangezien Gedaagde ook gewoon op vakantie kan gaan en alle andere leveranciers betalen.

De rechter moet nu kijken naar wat de uitleg is van de schuldbekentenis. De vraag hoe deze bepaling moet worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs hieraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Naar het oordeel van de kantonrechter kan de tekst "dat voornoemd bedrag door Gedaagde mag worden ingelost in betere tijden", niet zo worden begrepen dat Gedaagde per 1 mei 2017 uitsluitend het bedrag dat hij van de belastingdienst zou terugkrijgen hoefde te betalen en dat, als dat niet voldoende zou zijn, de rest van de schuld niet opeisbaar zou zijn. Een uitstel van betaling 'tot betere tijden" is dan onvoldoende objectief vast te stellen. Daar komt bij dat de zin "mag worden ingelost in betere tijden", na de tussenzin met betrekking tot de belastingteruggave, eindigt met, "tot uiterlijk 1 mei 2017". Ook gelet daarop is niet aannemelijk dat met "betere tijden" een moment of datum na 1 mei 2017 is beoogd.

De rechter heeft de vordering van Eiser dan ook toegewezen, en Gedaagde moet als de verliezende partij ook alle kosten van de procedure voldoen.

Datum: 28 februari 2018
Rechtbank: Rechtbank Alkmaar
Zaaknummer: 6301689 \ CV EXPL 17-6630

Vonnis

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EISER B.V., tevens handelende onder de naam …

gevestigd te, eiseres

verder te noemen: Eiser gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung

tegen

GEDAAGDE, handelende onder de naam GEDAAGDE, voorheen handelende onder de naam GEDAAGDE

wonende te …, gedaagde

verder te noemen: Gedaagde gemachtigde: mr. M.A.J. van der Klaauw

1. Het procesverloop

1.1. Eiser heeft bij dagvaarding van 31 augustus 2017 een vordering tegen Gedaagde ingesteld. Gedaagde heeft schriftelijk geantwoord.

1.2. Eiser heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna Gedaagde een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2. De feiten

2.1. Eiser heeft aan Gedaagde sinaasappels geleverd en Gedaagde daarvoor in de periode van 28 mei 2016 tot en met 25 oktober 2016 facturen gezonden. Die rekeningen heeft Gedaagde niet, althans niet volledig, betaald.

2.2. In een op 21 november 2016 door partijen getekende schuldbekentenis heeft Gedaagde erkend aan Eiser, vanwege die onbetaald gebleven facturen, een bedrag van € 4.172,28 (incl. b.t.w.) schuldig te zijn.

2.3. In de schuldbekentenis is voorts de volgende tekst opgenomen:

'Tartijen zijn overeengekomen dat voornoemd bedrag door DVM(aanvulling kantonrechter Gedaagde) mag worden ingelost "in betere tijden waarbij DVM hierbij bevestigt de te verwachten teruggave IB over 2016 op basis van het verliescijfer 2016, direct zal aanwenden ter inlossing van deze openstaande post, uiterlijk per 01 mei 2017.

Rentevergoeding tijdens deze periode is n.o.t.k. tussen partijen. "

3.   De vordering

3.1.  Eiser vordert dat de kantonrechter Gedaagde veroordeelt tot betaling van € 4.819,67 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 4.172,28, de kosten van de procedure en de nakosten. Eiser vordert tevens de wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten, zoals in de dagvaarding omschreven.

3.2.  Eiser legt aan de vordering ten grondslag - kort weergegeven - dat Gedaagde op grond van de overeenkomst van 21 november 2016 de openstaande vordering van € 4.172,28 op 1 mei 2017 had moeten betalen. Gedaagde heeft dat, ondanks herhaalde aanmaningen en 'de mcassomaatregelen van de gemachtigde van Eiser, niet gedaan.

4.   Het verweer

4.1.   Gedaagde betwist dat de vordering opeisbaar is. Volgens Gedaagde volgt uit de schuldbekentenis niet dat hij per 1 mei 2017 de volledige schuld zou betalen, maar heeft hij uitstel van betaling gekregen tot "betere tijden". De in de overeenkomst genoemde teruggave inkomstenbelasting 2016 bedraagt € 815,00. De betaling van dat bedrag aan Eiser heeft Gedaagde opgeschort omdat Eiser, in strijd met de overeenkomst, incassomaatregelen heeft getroffen en de kosten daarvan in rekening wil brengen.

4.2.   Eiser heeft in reactie op het verweer aangevoerd dat Gedaagde aanvankelijk geen einddatum in de overeenkomst wilde vermelden. Omdat Eiser daarmee niet akkoord kon gaan, is 1 mei 2017 overeengekomen. Uitgangspunt was dat, zoals Gedaagde had aangegeven, de schuld met de belastingteruggave kon worden voldaan. Nadat uit een e-mailbericht van ' Gedaagde van 26 april 2017 bleek dat de belastingteruggave slechts € 815,00 bedroeg, is Gedaagde tot betaling gemaand. Als Eiser tevoren had geweten dat de teruggave niet voldoende zou zijn, had hij dit uitstel niet verleend. De bedoeling van partijen was uitstel te verlenen tot

1 mei 2017. Voor zover geoordeeld moet worden dat Gedaagde uitstel heeft gekregen tot betere tijden", dan stelt dat Eiser dat die tijden zijn aangebroken; Gedaagde is op vakantie geweest en kan zijn andere leveranciers betalen.

4.3.  Gedaagde blijft erbij dat de overeenkomst zo moet worden uitgelegd dat hij respijt heeft gekregen, met dien verstande dat hij op de vordering het bedrag van de teruggave IB 2016 zou inlossen. Zijn financiële situatie is nog steeds slecht, ook omdat hij op een andere vordering, na een veroordeling door de kantonrechter, moet afbetalen.

5. De beoordeling

5.1.  De kantonrechter stelt voorop dat de vordering van Eiser voor 21 november 2016 de datum van ondertekening van de schuldbekentenis, opeisbaar was. Met de overeenkomst van 21 november 2016 heeft Gedaagde uitstel van betaling gekregen, in elk geval tot 1 mei 2017. Dit betekent dat, ingevolge artikel 6:39 van het Burgerlijk Wetboek (BW), tot 1 mei 2017 nakoming van Gedaagde niet kon worden gevorderd.

5.2.  Tussen partijen is in geschil de vraag of de vordering vanaf 1 mei 2017 opeisbaar is. Partijen zijn het met eens zijn over de uitleg van de daarop betrekking hebbende bepaling in de schuldbekentenis. De vraag hoe deze bepaling moet worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomst. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs hieraan mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.3.  Gedaagde heeft niet weersproken dat de datum van 1 mei 2017 in de overeenkomst is opgenomen op aandringen van Eiser. Evenmin is weersproken dat bij de totstandkoming daarvan het uitgangspunt was dat met de belastingteruggave de schuld volledig kon worden voldaan. Dat laatste is ook op te maken uit tekst van de overeenkomst, de uitdrukkelijke bevestiging door Gedaagde dat met die teruggave de schuld wordt ingelost.

5.4.  Niet is gesteld of gebleken dat partijen ten aanzien van de opeisbaarheid of nakoming van een eventueel per 1 mei 2017 bestaand restant van de vordering nadere afspraken hebben gemaakt.

5.5.  Naar het oordeel van de kantonrechter kan dan ook de tekst "dat voornoemd bedrag door DVM mag worden ingelost in betere tijden", niet zo worden begrepen dat Gedaagde per 1 mei 2017 uitsluitend het bedrag dat hij van de belastingdienst zou terugkrijgen hoefde te betalen en dat, als dat niet voldoende zou zijn, de rest van de schuld niet opeisbaar zou zijn. Een uitstel van betaling 'tot betere tijden" is dan onvoldoende objectief vast te stellen. Daar komt bij dat de zin "mag worden ingelost in betere tijden", na de tussenzin met betrekking tot de belastingteruggave, eindigt met, "tot uiterlijk 1 mei 2017". Ook gelet daarop is niet aannemelijk dat met "betere tijden" een moment of datum na 1 mei 2017 is beoogd.

5.6.   Een en ander brengt met zich dat Eiser na 1 mei 2017 onmiddellijk nakoming van Gedaagde kon vorderen. Nu al uit het e-mailbericht van Gedaagde van 26 april 2017 bleek dat Gedaagde per 1 mei 2017 niet, althans niet volledig, zou nakomen en Gedaagde ook op 23 mei 2017 nog geen betaling had gedaan, was Gedaagde in verzuim. Eiser mocht derhalve incassomaatregelen treffen en er was voor Gedaagde geen grond om de betaling op te schorten.

5.7.  De conclusie is dat de kantonrechter de vordering van Eiser zal toewijzen.

5.8.  Nu geen verweer is gevoerd tegen de gevorderde handelsrente zal ook deze worden toegewezen.

5.9. Eiser heeft voldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten van € 542 23 zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over deze proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.10. De proceskosten komen voor rekening van Gedaagde, omdat hij ongelijk krijgt.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.11. Gedaagde wordt ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Eiser worden gemaakt.

6. De beslissing

De kantonrechter:

6.1. veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van € 4.819,67, te vermeerderen met

-          de wettelijke handelsrente over € 4.172,28 vanaf 23 augustus 2017 tot aan de dag van de gehele betaling

-          de wettelijke rente over € 542,23, vanaf de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis tot aan de dag van de gehele betaling;

6.2. veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van Eiser tot en met vandaag vaststelt op € 950,42:

dagvaarding € 80,42

griffierecht € 470,00

salaris gemachtigde € 400,00;

te vermeerderen met de wettelijke rente over € 950,42, vanaf de 15e dag na de datum van betekening van dit vonnis;

6.3. veroordeelt Gedaagde tot betaling van € 100,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Eiser worden gemaakt;

6.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

6.5. wijst de vordering voor het overige af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.A. Swildens en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.