Rechter oordeelt dat er sprake is van een overeenkomst ondanks de ontkenning van gedaagde

Eiser is een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid met als doel onder meer de promotie van restaurants. Een tweede doel is om vrijwilligers ervaring te laten opdoen in de horeca. Herman is de voorzitter van de vereniging. Gedaagde heeft onder meer een kookstudio waar kookworkshops worden gegeven. Eiser vordert betaling van een aantal facturen die zij heeft verstuurd aan Gedaagde. Eiser stelt dat zij in opdracht van Gedaagde een aantal kookworkshops heeft verzorgd in de periode tussen 30 december 2013 en 17 november 2014. Daar hebben de facturen betrekking op. et meest verstrekkende verweer van Gedaagde is dat zij helemaal geen overeenkomst heeft gesloten met Eiser en dat er dus geen enkele grond is voor toewijzing van de facturen. Gedaagde stelt dat zij zaken heeft gedaan met Herman in privé en dat zij hem zelf heeft ingehuurd.

Eiser legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met Gedaagde. Dit zou onder meer blijken uit het feit dat Gedaagde eerdere facturen wel heeft betaald van Eiser. Hiermee wordt volgens Eiser aangetoond dat partijen in het verleden zaken met elkaar hebben gedaan. Daarnaast beroept Eiser zich onder meer op enkele schriftelijke getuigenverklaringen en kopieën van een mailwisseling die zij bij akte na comparitie in het geding heeft gebracht.De kantonrechter is van oordeel dat de verstuurde (eerdere) facturen op zichzelf bezien geen bewijs leveren van het bestaan van een overeenkomst tussen partijen, omdat Gedaagde de ontvangst van deze facturen en ook de mondelinge overeenkomst nadrukkelijk heeft betwist. Het bestaan van de door Eiser gestelde overeenkomst kan de kantonrechter ook niet uit de mailwisselingen afleiden.

M. Den daarentegen verklaart uitdrukkelijk dat Eiser wijnen bij haar heeft ingekocht die werden gebruikt voor workshops die door Eiser zijn gegeven in het pand van Kookstudio de Fijnproeverij in Boxtel. Zij geeft ook aan dat zij een en ander heeft zien gebeuren omdat haar bedrijf tegenover het pand van Gedaagde is gevestigd, Dit is naar het oordeel van de kantonrechter wel een duidelijk aanwijzing voor het bestaan van een overeenkomst tussen Eiser en Gedaagde.

Datum: 18 april 2019
Rechtbank: Rechtbank 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: 6611278 CV EXPL 18-547

Vonnis

in de zaak van:

Eiser

eiseres,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung

tegen:

Gedaagde

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.A.C.J. van Kessel.

Partijen zullen verder worden aangeduid als `Eiser' en 'Gedaagde'.

1. De procedure

1.1          Dit blijkt uit het navolgende:

a. het vonnis van 12 april 2018;
b. de akte met producties van Eiser van 5 september 2018;
c. de comparitie van partijen van 10 september 2018;
d. de akte van Eiser van 8 november 2018;
e. de antwoordakte van Gedaagde van 10 januari 2019;
f. de akte van Eiser van 7 februari 2019.

1.2.        Hierna is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.        Eiser is een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid met als doel onder meer de promotie van restaurants. Een tweede doel is om vrijwilligers ervaring te laten opdoen in de horeca. Herman is de voorzitter van de vereniging.

2.2         Gedaagde heeft onder meer een kookstudio waar kookworkshops worden gegeven.

3. De vordering en het verweer

3.1.     Eiser vordert betaling van een aantal facturen die zij heeft verstuurd aan Gedaagde. Eiser stelt dat zij in opdracht van Gedaagde een aantal kookworkshops heeft verzorgd in de periode tussen 30 december 2013 en 17 november 2014. Daar hebben de facturen betrekking op. Daarnaast maakt Gedaagde aanspraak op de gemaakte buitengerechtelijke kosten en de wettelijke handelsrente, proceskosten en nakosten.

3.2.     Het verweer van Gedaagde strekt tot afwijzing van de vorderingen.

4. De beoordeling

4.1      Het meest verstrekkende verweer van Gedaagde is dat zij helemaal geen overeenkomst heeft gesloten met Eiser en dat er dus geen enkele grond is voor toewijzing van de facturen. Gedaagde stelt dat zij zaken heeft gedaan met Herman in privé en dat zij hem zelf heeft ingehuurd.

4.2      Eiser legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een mondelinge overeenkomst heeft gesloten met Gedaagde. Dit zou onder meer blijken uit het feit dat Gedaagde eerdere facturen wel heeft betaald van Eiser. Hiermee wordt volgens Eiser aangetoond dat partijen in het verleden zaken met elkaar hebben gedaan. Daarnaast beroept Eiser zich onder meer op enkele schriftelijke getuigenverklaringen en kopieën van een mailwisseling die zij bij akte na comparitie in het geding heeft gebracht.

4.3      De kantonrechter is van oordeel dat de verstuurde (eerdere) facturen op zichzelf bezien geen bewijs leveren van het bestaan van een overeenkomst tussen partijen, omdat Gedaagde de ontvangst van deze facturen en ook de mondelinge overeenkomst nadrukkelijk heeft betwist. Het bestaan van de door Eiser gestelde overeenkomst kan de kantonrechter ook niet uit de mailwisselingen afleiden. De mailwisseling in productie 5 bij de akte van Eiser van 5 september 2018 is een mailwisseling tussen Gedaagde en Herman in privé. Hierin wordt geen melding gemaakt van Eiser. In de mail van 28 februari 2018 leest de kantonrechter geen erkenning van Gedaagde dat zij heeft gecontracteerd met Eiser. In de mailwisseling van productie 9 bij akte na comparitie mailt J.G.L. Herman wel namens Eiser met een klant en mailt de klant met Gedaagde, maar mailt Gedaagde niet met Eiser. Ook dit is te weinig om een overeenkomst aan te kunnen nemen. Ook al is Eiser een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, dit verklaart niet waarom Eiser kennelijk nooit met haar eigen mailadres (dat zij wel heeft) heeft gemaild met Gedaagde.

4.4       Eiser wijst ook op getuigenverklaringen. De verklaring van S. Wegger is een verklaring gebaseerd op uitlatingen van Herman en/of Eiser, maar niet op uitlatingen van Gedaagde. Uit de verklaringen van Q.Q. Moar en A. Theunissen leidt de kantonrechter niet af dat Eiser en Gedaagde hebben gecontracteerd. Hierin staat slechts dat beide personen hebben gewerkt voor Eiser in het pand van Gedaagde maar niet wat de afspraken tussen Eiser en Gedaagde zijn.

4.5        M. Den daarentegen verklaart uitdrukkelijk dat Eiser wijnen bij haar heeft ingekocht die werden gebruikt voor workshops die door Eiser zijn gegeven in het pand van Kookstudio de Fijnproeverij in Boxtel. Zij geeft ook aan dat zij een en ander heeft zien gebeuren omdat haar bedrijf tegenover het pand van Gedaagde is gevestigd, Dit is naar het oordeel van de kantonrechter wel een duidelijk aanwijzing voor het bestaan van een overeenkomst tussen Eiser en Gedaagde. De kantonrechter stelt op basis van productie 6 bij de akte van Eiser van 5 september 2018 en productie 7 bij akte na comparitie van Eiser vast dat in het verleden Gedaagde wel heeft betaald aan Eiser. De bedragen op deze overboekingen corresponderen met de bedragen op facturen van Gedaagde aan Eiser die als productie 8 bij akte na comparitie zijn overgelegd. Het zijn facturen die betrekking hebben op kookworkshops.

4.6        Gelet op de verklaring van M. Den en de betalingen door Gedaagde aan Eiser in het verleden, is de kantonrechter van oordeel dat voldoende is aangetoond dat Gedaagde aan Eiser in het verleden opdracht heeft gegeven voor het verzorgen van kookworkshops. Gelet op dit oordeel kan Gedaagde niet meer volstaan met de enkele ontkenning van het bestaan van een relatie met Eiser.

4.7        Gedaagde wijst nog op een uittreksel van het register bij de Kamer van Koophandel waarin is aangegeven dat Eiser per 1 mei 2012 is ontbonden. Ook stelt Gedaagde dat Herman slechts een van de drie bestuurders was van Eiser en dat niet is gebleken dat de andere twee bestuurders toestemming hebben gegeven voor het aangaan van een handelsrelatie tussen Eiser en Gedaagde. Tot slot legt Gedaagde een twitteraccount over.

4.8.       De kantonrechter is van oordeel dat Eiser een voldoende verklaring heeft gegeven voor de rechtsvorm van de vereniging in de akte uitlaten van 7 februari 2019. Het staat vast dat Eiser na 1 mei 2012 werkzaamheden heeft verricht, waar Gedaagde voor heeft betaald. Dit kan Gedaagde niet baten. Om dezelfde reden hecht de kantonrechter geen waarde aan het ontbreken van een schriftelijke toestemming van de overige bestuurders. Daargelaten dat niet vast staat wie de bestuurders waren in de periode waar de facturen in deze zaak betrekking op hebben, staat evenmin vast dat de bestuurders géén toestemming hebben gegeven. De kantonrechter kan verder ook niets met de twitteraccount. Hieruit blijkt in ieder geval niet dat promotieactiviteiten de enige activiteiten van Gedaagde zijn.

4.9.        De kantonrechter is, gelet op het bovenstaande, van oordeel dat sprake is van een overeenkomst tussen Eiser en Gedaagde en dat Gedaagde de facturen van Eiser moet voldoen.

4.10. Gedaagde heeft gesteld dat de facturen reeds zijn verrekend met andere vorderingen. Deze stelling bevreemd de kantonrechter omdat Gedaagde heeft gesteld dat er helemaal geen overeenkomst met Eiser was. Dan valt er ook niets te verrekenen. Afgezien daarvan heeft Gedaagde haar beroep op verrekening niet onderbouwd. Daarom gaat de kantonrechter hier aan voorbij.

Dit betekent dat de gevorderde factuurbedragen van in totaal € 3.911,89 voor toewijzing in aanmerking komen. De gevorderde wettelijke handelsrente wordt als onweersproken en op de wet gegrond eveneens toegewezen. Als onbetwist staat vast dat deze rente tot 17 januari 2018, € 1.039,04 bedraagt.

4.11. Eiser maakt tevens aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten. Vaststaat dat zij op 15 juli 2017 een sommatiebrief naar Gedaagde heeft verstuurd en dat haar incassogemachtigde op 29 augustus 2017 een aanmaning heeft verstuurd. Gedaagde heeft de ontvangst van deze brieven niet betwist.

De kantonrechter overweegt dat, indien in een business-to-businessverhouding de schuldenaar in verzuim is en de schuldeiser incassohandelingen heeft verricht waartoe hij in redelijkheid kon overgaan, de schuldenaar de volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten genormeerde vergoeding is verschuldigd, ongeacht de aard en de omvang van de incassohandelingen (Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is echter hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag toewijzen tot het wettelijke tarief, zijnde € 624,59 (inclusief btw).

De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten is slechts toewijsbaar vanaf de dag waarop deze kosten zijn voldaan. Nu niet is gesteld of gebleken dat deze kosten daadwerkelijk door Eiser zijn betaald, wordt de rente over de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.

4.12. Gedaagde wordt als hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen nadat Gedaagde schriftelijk tot betaling van deze kosten is aangemaand.

4.13. De gevorderde veroordeling in de nakosten is in deze procedure toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten zullen worden toegewezen zoals in de beslissing is vermeld.

5.           De beslissing

De kantonrechter

5.1.        Veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te voldoen een bedrag van € 5.575,52, te vermeerderen met de wettelijke handelsrechte ingevolge artikel 6:1 19a BW over € 3.911,89 vanaf 17 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.        veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure, aan de zijde van de Eiser tot op heden begroot op € 98,01 aan dagvaardingskosten, € 476,00 aan griffierecht en € 500,00 met betrekking tot het salaris van haar gemachtigde (niet met btw belast), vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten, ingaande de 15e dag na dit vonnis;

5.3.        veroordeelt Gedaagde in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 120,00 als bijdrage in het salaris van de gemachtigde (niet met btw belast), en te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Gedaagde niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van de betekening van het vonnis;

5.4.        verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.       wijst af het meer en of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.J.H.M. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2019.