Rechter oordeelt over de declaratie van gewerkte uren van de eiser

Eiser heeft verschillende weken gewerkt voor Gedaagde, welke nu zijn facturen voor deze werkzaamheden niet wilt betalen. Gedaagde betwist dat Eiser de door hem opgegeven uren gewerkt heeft. De rechter heeft Eiser opgedragen om de door haar gefactureerde declarabele uren over de weken 6, 7, 8 en 10 te onderbouwen. Eiser heeft voor elke week een onderbouwde specificatie in de procedure gebracht. Over week 6 oordeelt de rechter dat enkel het uur van de vergadering wordt afgewezen. Gedaagde zegt over week 7 en week 8 dat Eiser enkel heeft gemaild en gebeld. Volgens hem heeft Eiser daarnaast geen werkzaamheden verricht en mag hij dan ook geen uren in rekening brengen. Uit de specificatie blijkt dat er toch enkele werkzaamheden hebben plaatsgevonden welke Gedaagde niet betwist. Dit (kleine) deel van de factuur wordt toegewezen. Bij de uren van week 10 heeft gedaagde erkend enkel uren verschuldigd te zijn. Met de specificatie oordeelt de rechter dat het grootste deel van deze uren declarabel zijn. Aangezien de partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, moeten ze ieder hun deel van de proceskosten betalen

Datum: 28 juli 2016
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 4371220 CV EXPL 15-6517

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Beheer B.V. Eiser,

statutair gevestigd te,

eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung.

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde,

gevestigd te,

gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. P.G. Baars.

Partijen worden hierna aangeduid als "Eiser" respectievelijk "Gedaagde".

1.          Het verdere verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen;

•      het tussenvonnis van 10 maart 2016 en de daarin genoemde processtukken;

•      de akte overlegging producties van de zijde van Eiser;

•      de akte uitlating tussenvonnis van de zijde van Gedaagde;

•      de akte uitlating producties van de zijde van Gedaagde;

•      het proces-verbaal van getuigenverhoor van 14 juni 2016.

2.          De beoordeling van de vordering

In conventie

2.1.       Bij tussenvonnis van 10 maart 2016 is Eiser opgedragen de door haar gefactureerde declarabele uren over de weken 6, 7, 8 en 10 van 2015 deugdelijk onderbouwd te specificeren. Eiser heeft als productie 8 specificaties overgelegd van de door haar gefactureerde uren in de weken 6, 7. 8 en 10.

Week 6

2.2.            Eiser heeft over week 6 van 2015 in totaal 29 uren bij Gedaagde in rekening gebracht. Gedaagde heeft de verschuldigdheid van de acht uren op 4 februari 2015 erkend en de verschuldigdheid van de overige uren betwist. Als grond voor deze betwisting heeft Gedaagde aangevoerd dat zij de werkzaamheden ten behoeve van 'R' heeft moeten crediteren.

2.3.         Zoals volgt uit hetgeen in het tussenvonnis van 10 maart 2016 reeds is overwogen, is Gedaagde ook de werkzaamheden ten behoeve van 'R' aan Eiser verschuldigd. Uit de overgelegde specificatie volgt dat de werkzaamheden op 4 februari 2015 en de werkzaamheden voor 'R' in totaal 28 uur hebben bedragen in week 6 van 2015. Het in rekening gebrachte uur voor een vergadering is niet aan te merken als declarabel, zodat dit deel van de gevorderde factuur wordt afgewezen.

2.4.         Gelet op het voorgaande zal over week 6 van 2015 een bedrag van (28 uur x € 28,50=) € 798,- (€ 965,58 inclusief btw) aan declarabele uren wordt toegewezen, vermeerderd met de niet betwiste reiskosten van € 158.39 inclusief btw, derhalve in totaal € 1.123,97 inclusief btw.

Week 7

2.5.        Eiser heeft over week 7 in totaal 27 uren bij Gedaagde in rekening gebracht. Gedaagde heeft de verschuldigdheid van de gehele factuur betwist, aangezien er volgens haar blijkens de specificatie enkel is gemaild en gebeld.

2.6.         Uit de overgelegde specificatie is af te leiden dat er op 11 februari 2015 een opname heeft plaatsgevonden die heeft geleid tot een opdracht, hetgeen niet door Gedaagde is betwist. De daarvoor in rekening gebrachte drie uren komen voor vergoeding in aanmerking. Dan is op de specificatie vermeld dat op 12 februari 2015 een offerte is gemaakt, die heeft geleid tot een opdracht. De die dag gewerkte zeven uren zijn niet uitgesplitst, zodat niet duidelijk is hoeveel van de gewerkte uren declarabel zijn. Naar redelijkheid en billijkheid zal de kantonrechter één uur als declarabel aanmerken. De overige uren die op de specificatie van week 7 staan vernield, hebben bestaan uit het versturen van mailings, het bellen van de telefoonlijst, opruim- en schoonmaakwerkzaamheden en het ophalen van kaartjes. Deze werkzaamheden zijn niet aan te merken als declarabele uren en komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

2.7.         Het voorgaande leidt ertoe dat over week 7 van 2015 een bedrag van (4 uren x € 28,50=) € 114,- (€ 137,94 inclusief btw) aan declarabele uren wordt toegewezen, vermeerderd met de niet betwiste reiskosten van € I 18,58 inclusief btw, derhalve in totaal € 256,52 inclusief btw.

week 8

2.8.      Eiser heeft over week 8 in totaal 34 uren bij Gedaagde in rekening gebracht. Gedaagde heeft de voor 16 februari en 19 februari 2015 gedeclareerde uren betwist, omdat er volgens haar die dagen alleen is gebeld en gemaild.

2.9.       Uit de overgelegde specificatie is af te leiden dat op 16 februari 2015 een mailing is verstuurd, is gebeld en een offerte (Haan) is gemaakt die tot een opdracht heeft geleid. Deze uren zijn niet nader uitgesplitst. Alleen de werkzaamheden ten behoeve van het opstellen van de offerte, die naar redelijkheid en billijkheid zullen worden bepaald op één uur, komen voor toewijzing in aanmerking. De zeven uren op 17 februari 2015 hebben betrekking op het opnemen en inmeten van werk, hetgeen volledig voor vergoeding in aanmerking komt. Van de op 18 februari 2015 genoteerde uren zijn alleen de uren "G" en “W" als declarabele uren aan te merken, zodat Gedaagde gehouden is vier uren aan Eiser te vergoeden. De uren op 19 februari 2015 zijn niet declarabel en komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. De uren op 20 februari 2015 betreffen het ophalen van steen wolplaten en het schilderen van platen. Dit zijn werkzaamheden die aan een klant in rekening kunnen worden gebracht, zodat ook deze vijf uren voor vergoeding in aanmerking komen.

2.10.     Het voorgaande leidt ertoe dat over week 8 van 2015 een bedrag van

(17 uren x € 28,50=0 € 484,50 (€ 586,25 inclusief btw) aan declarabele uren wordt toegewezen, vermeerderd met de niet betwiste reiskosten van € 122,39 inclusief btw, derhalve in totaal € 708,64 inclusief btw.

week 10

2.11.      Eiser heeft over week 10 in totaal 31 uren bij Gedaagde in rekening gebracht. Gedaagde heeft erkend deze uren verschuldigd te zijn, behoudens de uren op 3 maart 2015.

2.12.      Uit de overgelegde specificatie is af te leiden dat de over week 10 van 2015 gedeclareerde uren declarabel zijn, behalve de 6 uren op 3 maart 2015, die hebben bestaan uit opruimen, het versturen van een mailing en het bellen van (potentiële) klanten. Dit leidt tot de conclusie dat over week 10 van 2015 een bedrag van (25 uren x € 28,50=) € 712,50 (€ 862,13 inclusief btw) aan declarabele uren wordt toegewezen, vermeerderd met de niet betwiste reiskosten van € 175,75 inclusief btw, derhalve in totaal € 1.037,88.

Conclusie

2.13.      Gelet op het voorgaande dient Gedaagde een bedrag van in totaal € 3.127,01 over de weken 6, 7, 8 en 10 van 2015 aan Eiser te voldoen.

Zoals in het tussenvonnis van 10 maart 2016 reeds is overwogen dient Gedaagde voorts de facturen over de weken 16, 17 en 18 van 2015 aan Eiser te voldoen, verminderd met creditfactuur 2015-0025, in totaal een bedrag van € 1.713,36. Ook factuur 2015-0021 ten bedrage van € 2.299,- dient Gedaagde aan Eiser te voldoen, zoals bepaald in het tussenvonnis van 10 maart 2016.

Dit leidt ertoe dat aan hoofdsom in totaal een bedrag van € 7.139,37 wordt toegewezen.

2.14.      Voorts zal de wettelijke handelsrente worden toegewezen over de toe te wijzen hoofdsom. Op de facturen van Eiser staat vermeld dat betaling "per omgaande" dient plaats te vinden. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:119a lid 2 sub a BW is dan de rente verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, waarbij er, bij gebrek aan betwisting, vanuit wordt gegaan dat Gedaagde de respectieve facturen steeds één dag na de factuurdatum heeft ontvangen.

2.15.      Eiser heeft voorts buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De kantonrechter stelt vast dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en zal een bedrag van

€ 712,27 aan vergoeding voor deze werkzaamheden toewijzen, conform de wettelijke staffel.

2.16.      Gedaagde wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

in reconventie

2.17.    Bij tussenvonnis van 10 maart 2016 is Gedaagde opgedragen te bewijzen dat de door haar aan Eiser betaalde bedragen van € 570,- respectievelijk € 470,- per week over de weken 47 tot en met 51 van 2014, in totaal € 3.327,50, zijn betaald uit hoofde van een overeenkomst van geldlening.

2.18.      Gedaagde heeft als getuigen laten horen de heer R.F. P (hierna: P), eigenaar van Gedaagde, de heer H. B (hierna: B), algemeen directeur bij Gedaagde, en J.L. S (hierna: S), ondernemer.

2.19.       P heeft - samengevat en voor zover relevant - verklaard dat hij W naar aanleiding van zijn sollicitatie drie voorstellen heeft gedaan, te weten het huren van de spuiterij, het kopen van de spuiterij of het optreden als bedrijfsleider voor het objectspuitbedrijf, als ZZP-er. W gaf in een later gesprek aan geen inkomsten te hebben en vroeg P om een voorschot. P heeft verklaard dat partijen toen hebben afgesproken dat W € 400,- per week en een autokosten vergoeding van 670,- per week zou krijgen tot aan de Kerst. P heeft voorts verklaard dat hij heeft gezegd dat W het voorgeschoten bedrag terug moest betalen als hij omzet ging draaien en dat het woord 'lening' is gebruikt. Later is afgesproken dat W € 28,50 per uur kon declareren. Tijdens een gesprek in januari met P, W, S en B is weer bevestigd dat W omzet moest halen en dat hij het voorschot moest terugbetalen van de omzet. Het was W voorstel om iedere week een factuur te sturen. Hij leende het geld omdat zijn vrouw, bij wie hij in dienst was, het loon anders niet kon betalen.

2.20.      B heeft - samengevat en voor zover relevant - het volgende verklaard. Er is meerdere malen mei W gesproken over de verrekening met toekomstige opdrachten en over de lening. Later is in gesprekken steeds gesproken over een verrekening met toekomstige opdrachten. Er is meerdere keren gesproken over het uurloon, over provisie en over bedragen per week.

2.21.       S heeft - samengevat en voor zover relevant - volgende verklaard. S is bij een gesprek geweest met W, P en B. Het ging onder andere over de lening die te maken had met de opstart van de activiteiten in de spuiterij. W heeft in dat gesprek bevestigd dat P een lening had gegeven voor de eerste zes weken en heeft gezegd dat hij zonder geld niet kon opstarten. Het ging om € 400,- per week en € 70- per week aan reiskosten.

2.22.          In contra-enquête heeft Eiser W als getuige laten horen. W heeft - samengevat en voor zover relevant - het volgende verklaard. W heeft met P afgesproken dat hij eerst de spuiterij zou gaan doen. W heeft P gevraagd om € 500,- per week om op te starten. Daarnaast heeft W € 70,- per week gevraagd aan reiskostenvergoeding. In januari zou W een uurloon van € 28,50 krijgen. W heeft verklaard dat hij met niemand over een lening heeft gesproken en dat hij wel om geld heeft gevraagd. Verder kwam steeds ter sprake wat voor omzet er was. Bij het eerste gesprek was ook B aanwezig. Het ging niet over een lening.

W zou facturen sturen en dat is ook gebeurd. Er is niet gesproken over een voorschot. Het woord 'verrekening' is pas vier maanden later genoemd.

2.23.     P en B zijn, als leidinggevenden van Gedaagde, aan te merken als partijgetuigen in de zin van artikel 164 lid 2 Rv. Hun verklaringen kunnen dan ook geen bewijs in het voordeel van Gedaagde opleveren, tenzij de verklaringen strekken ter aanvulling van ander, onvolledig bewijs. Dat bewijs is met de verklaring van S niet geleverd. Bij het gesprek waar is afgesproken dat P € 400- per week aan W (als werknemer van Eiser) ter beschikking zou stellen, was S niet aanwezig. S heeft slechts verklaard dat hij bij een (later) gesprek aanwezig was waarbij W zou hebben bevestigd dat sprake was van een lening en dat er verrekend zou worden met toekomstige omzet. Ook P heeft verklaard over een verrekening met te behalen omzet. Dit komt (deels) overeen met hetgeen is opgenomen in het als productie 6 bij dagvaarding overgelegde verslag van het gesprek op 24 februari 2015, waarin staat vermeld dat er sprake was van een voorschot op provisie over te ontvangen spuitwerk of projecten. Over een lening staat in dit verslag niets vermeld. Partijen zijn het erover eens dat Gedaagde een bedrag van hetzij € 400,- hetzij € 500,- aan W/Eiser ter beschikking zou stellen om een spuiterij op te starten. Voorts blijkt uit de getuigenverklaringen dat de door Eiser behaalde omzet tegenviel en dat er in dat kader nadere afspraken zijn gemaakt. Dat er bij het maken van de oorspronkelijke afspraak tussen W en P expliciet is afgesproken dat sprake was van een lening die Eiser hoe dan ook, ongeacht de te behalen omzet, diende terug te betalen aan Gedaagde, is met de getuigenverklaringen, afzonderlijk en in onderling verband bezien, niet bewezen.

2.24.     Aangezien Gedaagde er niet in is geslaagd te bewijzen dat het geld dat Gedaagde aan Eiser heeft betaald, een geldlening betrof en dat Eiser gehouden was dit geld aan Gedaagde terug te betalen, wordt de vordering terzake van Gedaagde afgewezen.

2.25.     Zoals voorts is overwogen in het tussenvonnis van 10 maart 2016 dient Eiser de door Gedaagde aan haar betaalde facturen 2015-0002 (€ 827,64) en 2015-0003

(€ 827,64) terug te betalen, zodat het te dien aanzien gevorderde bedrag van

€ 1.655,28 wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het

instellen van de reconventioneie vordering, zijnde 15 oktober 2015.

De tevens gevorderde facturen OS2015/002 en 2015370 en de terugbetaling van factuur

2015-0004 worden, zoals reeds overwogen in voornoemd tussenvonnis, afgewezen.

2.26.     Aangezien partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren.

3. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van het bedrag van € 7.851,64, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over het bedrag van € 7.139,37 vanaf 3 I dagen na de respectieve factuurdata;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, in dit geding aan de zijde van Eiser gevallen, welke kosten tot op deze uitspraak zijn bepaald op:

aan explootkosten                     € 77,84

aan griffierecht                         € 466,00

aan salaris gemachtigde            € 625,00 (tweeënhalve punt x € 250,00)

totale kosten                             € 1.168,84 ;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

veroordeelt Eiser tot betaling aan Gedaagde van het bedrag van € 1.655,28, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 oktober 2015;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt,

wijst afliet meer of anders gevorderde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr, drs. E. van Schouten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.