Rechter veroordeelt huurder tot betaling huur van bedrijfsruimte

Er werd een bedrijfsruimte verhuurd aan Huurder 1 en Huurder 2, die een huurovereenkomst zijn aangegaan in hun hoedanigheid van vennoten van hun V.O.F. De huurovereenkomst is met wederzijds goedvinden geëindigd per 1 maart 2015. De huur is echter grotendeels onbetaald gebleven. Naast deze huurachterstand verzoekt de verhuurder om deze huurders ook te veroordelen in de incassokosten en de rente. Huurder 1 en Huurder 2 hebben beide afzonderlijk een reactie gegeven. Huurder 1 vertelt dat er sprake was van gebreken aan het pand. Hij is van mening dat de verhuurder daarom water bij de wijn moet doen en zijn vordering moet beperken. Huurder 2 geeft aan dat hij wel de huurovereenkomst heeft ondertekend, maar dat hij nooit in het bedrijf werkzaam is geweest. Hij heeft zich dan ook enkele jaren geleden uitgeschreven bij de KvK, nog voordat de huurschuld is ontstaan. Hij was niet op de hoogte van de huurschuld, totdat hij de dagvaarding ontving. De rechter oordeelt dat ondanks hij niets met het bedrijf meer te maken heeft, hij zich toch moet houden aan de verplichtingen van de door hem ondertekende huurovereenkomst. Gedaagde 2 zal Gedaagde 1 moeten aanspreken op wat hij op grond van dit vonnis moet betalen. In dit geval is het bedrag aan onbetaalde huur niet weersproken, waardoor dit bedrag zal worden toegewezen. Ook worden de huurders veroordeeld in alle kosten.

Datum: 10 februari 2016
Rechtbank: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummer: 4481858 CV EXPL 15-7317

Vonnis

in de zaak van

Eiser,

wonende te, eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam, tegen

1.    Gedaagde 1,

handelend onder de naam gedaagde 1,

wonende en zaakdoende te, gedaagde,

procederend in persoon, en

2.    Gedaagde 2,

wonende te, gedaagde 2,

procederen in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als Eiser, Gedaagde 1 en Gedaagde 2.

1.          De procedure

1.1        Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

a.  het tussenvonnis van 11 november 2015 en de daarin genoemde stukken;

b.  de aantekeningen van de griffier van de comparitie van partijen van 7 januari 2016.

1.2        Bij de hierboven bedoelde mondelinge behandeling van het geschil was Eiser aanwezig, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens was Gedaagde 2 aanwezig, samen met een medewerkster personeelszaken van zijn werkgever. Gedaagde 1 is, zonder bericht, niet ter zitting verschenen.

2.          Het geschil

2.1 Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd om bij vonnis, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk te veroordelen om aan hem te betalen:

a)  € 2.172,03 in hoofdsom, zijnde onbetaald gebleven huur met betrekking tot de maanden november 2014 en januari en februari 2015;

b)  de overeengekomen rente van 2% per maand over die hoofdsom, welke rente hij vanaf de vervaldatum tot 4 september 2015 heeft berekend op € 595,02, althans de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening;

c)  € 656,06 inclusief btw ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 14 dagen na het te wijzen vonnis, althans over een in goede justitie redelijk geachte termijn, tot aan de dag van de algehele voldoening;

d)  de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten.

2.2         Ter onderbouwing van die vorderingen heeft Eiser samengevat aangevoerd dat hij een bedrijfsruimte heeft verhuurd aan Gedaagde 1 en Gedaagde 2, die de huurovereenkomst zijn aangegaan in hun hoedanigheid van vennoten van V.O.F. De huurovereenkomst is met wederzijds goedvinden geëindigd per 1 maart 2015. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 zijn echter bij herhaling in gebreke gebleven met de betaling van de huur. Omdat hij, Eiser, Gedaagde 1 en Gedaagde 2 herhaaldelijk maar zonder resultaat tot betaling heeft aangemaand werd hij genoodzaakt om zijn vordering ter incasso uit handen te geven. Daardoor zijn Gedaagde 1 en Gedaagde 2 op grond van artikel 20 van de huurovereenkomst, op grond van artikel 6:96 BW en op grond van de redelijkheid en billijkheid de kosten voor buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verschuldigd geworden. Daarnaast vordert Eiser over de thans nog achterstallige huur primair de in de huurovereenkomst overeengekomen rente en subsidiair de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.

2.3        Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hebben ieder afzonderlijk een conclusie van antwoord ingediend.

Gedaagde 1 heeft gesteld dat sprake was van gebreken aan het gehuurde. Om die reden is de huurovereenkomst in onderling overleg beëindigd, waarbij Eiser zou afzien van de laatste huurtermijn. Hij is van mening dat Eiser water bij de wijn moet doen en dat een reëel bedrag moet worden toegewezen, dat hij in 4 termijnen wil betalen. Verder heeft hij gesteld dat Gedaagde 2 al jaren niet meer in het bedrijf is geweest en hij, Gedaagde 1, de onderneming alleen heeft voortgezet. Met de huurachterstand heeft Gedaagde 2 niets van doen, aldus Gedaagde 1.

Gedaagde 2 heeft erkend dat hij de huurovereenkomst mede heeft ondertekend. Hij is echter nooit in het bedrijf werkzaam geweest. De vennootschap heeft hem alleen maar geld gekost. Op 1 oktober 2012 heeft hij zich bij de Kamer van Koophandel laten uitschrijven als vennoot. De huurschuld is 3 jaren later ontstaan. Aanmaningen en sommaties heeft hij nooit gehad. Totdat hij de dagvaarding ontving, was hij niet op de hoogte van de vordering van Eiser.

3. De beoordeling

3.1 Aan de hand van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, alsmede de door Eiser in het geding gebrachte stukken waarvan de inhoud niet is betwist, wordt vastgesteld dat partijen op 24 februari 2012 een huurovereenkomst hebben gesloten met betrekking tot de in die overeenkomst nader genoemde bedrijfsruimte. Gedaagde 1 en Gedaagde 2 handelden daarbij als vennoten van "Vof". In de huurovereenkomst is onder meer bepaald dat de huurprijs bij vooruitbetaling verschuldigd is (art. 18.4), dat de huurder bij niet tijdige betaling een boete verbeurt van 2% per maand van het verschuldigde met een minimum van € 114,- (art. 21.2) en dat de huurder in alle gevallen waarin de verhuurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan de huurder doet uitbrengen om deze tot nakoming van de overeenkomst te dwingen, verplicht is om de daarvoor gemaakte kosten te voldoen, welke kosten bij voorbaat worden vastgesteld op een bedrag dat niet lager is dan het gebruikelijke tarief dat door gerechtsdeurwaarders wordt gehanteerd (artikel 20 van de huurovereenkomst).

3.2         Het verweer van Gedaagde 2 dat hij in feite nooit bemoeiingen met het bedrijf V.O.F. heeft gehad, kan hem in zijn verhouding tot Eiser niet baten. Door de huurovereenkomst te ondertekenen zijn Gedaagde 2 en Gedaagde 1 beiden gehouden tot nakoming van de verplichtingen uit die overeenkomst. Gesteld noch gebleken is dat Eiser Gedaagde 2 uit die verplichtingen heeft ontslagen. Indien Gedaagde 2 meent dat in de omstandigheden van het geval alleen Gedaagde 1 verantwoordelijk is voor de huurachterstand en de daaruit voortvloeiende kosten en rentelasten - hetgeen Gedaagde 1 zelf klaarblijkelijk eveneens vindt - zal Gedaagde 2 Gedaagde 1 moeten aanspreken op terug­betaling aan hem van de bedragen die hij op grond van dit vonnis aan Eiser betaalt.

3.3        Niet weersproken is dat een bedrag van in totaal € 2.172,03 aan huur onbetaald is gebleven. Uit de door Eiser bij dagvaarding overgelegde e-mailcorrespondentie tussen hem en Gedaagde 1 volgt ook dat Gedaagde 1 de betalingsachterstand erkent. Dat Eiser de laatste huurtermijn (februari 2015) zou hebben kwijtgescholden zoals Gedaagde 1 zonder nadere onderbouwing in zijn conclusie van antwoord heeft aangevoerd, is niet komen vast te staan. De vordering tot betaling van de achterstallige huur ligt dan ook voor toewijzing gereed.

3.4        Evenmin hebben Gedaagde 1 en Gedaagde 2 bestreden dat op grond van de huur­overeenkomst incassokosten verschuldigd zijn tot het door Eiser gevorderde bedrag. De hoogte van het gevorderde bedrag (€ 656,06) is in overeenstemming met artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten waar ook gerechtsdeurwaarders hun incassotarieven op plegen te baseren. Ook deze vordering is dan ook toewijsbaar,

3.5        Ook tegen de door Eiser wegens wanbetaling gevorderde contractuele boete (door Eiser rente genoemd) van 2% per maand over de onbetaalde huur hebben Gedaagde 1 en Gedaagde 2 geen, althans geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze vordering eveneens zal worden toegewezen.

3.6        Aldus zijn Gedaagde 1 en Gedaagde 2 aan Eiser verschuldigd (€ 2.172,03 + € 656,06 + € 595,02 =) € 3.423,11 en daarnaast de contractuele boete van 2% per maand over € 2.172,03 vanaf 4 september 2015 en de wettelijke rente over € 656,06 vanaf

25 februari 2016, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening. Hierna zullen zij dan ook hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van de vermelde som, boete en rente. De hoofdelijke veroordeling betekent dat wanneer een van hen aan Eiser een betaling verricht, de ander tegenover Eiser van die verplichting (tot hetzelfde bedrag) is bevrijd.

3.7        Ten aanzien van Gedaagde 1s wens om het verschuldigde in termijnen te voldoen wordt overwogen dat de wet geen mogelijkheid biedt om in dit vonnis een betalingsregeling op te nemen of vast te leggen. Gedaagde 1 zal zich tot (de gemachtigde van) Eiser moeten wenden om de haalbaarheid van een zodanige regeling te onderzoeken en zo mogelijk nadere betalingsafspraken te maken. Vanzelfsprekend geldt hetzelfde voor Gedaagde 2.

3.8        Als de in het ongelijk gestelde partijen zullen Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van Eiser. Die kosten bedragen in totaal

€ 665,19 en bestaan uit € 94,19 voor de dagvaarding, € 221,- voor het griffierecht en € 350,- (2 punten van € 175,- per punt) voor het salaris van de gemachtigde van Eiser. Op vordering van Eiser zal over de proceskosten tevens wettelijke rente worden toegewezen.

3.9 De gevorderde nakosten zullen worden afgewezen nu door Eiser niet is gesteld of onderbouwd dat na dit vonnis kosten zullen worden gemaakt, anders dan de eventuele kosten van tenuitvoerlegging daarvan.

4. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hoofdelijk om aan Eiser te betalen het bedrag van € 3.423,11, te vermeerderen met de contractuele boete van 2% per maand over € 2.172,03 vanaf 4 september 2015 en met de wettelijke rente over € 656,06 vanaf 25 februari 2016, telkens tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde 1 en Gedaagde 2 hoofdelijk in de proceskosten van Eiser, tot heden begroot op € 665,19 en te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 25 februari 2016 tot aan de dag van de algehele voldoening van deze kosten en rente;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L. Braaksma en is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2016, in aanwezigheid van de griffier.