Schadevergoeding na schending auteursrecht website IntoCash

De gedaagde heeft op de website van zijn incassobureau teksten van de website van IntoCash geplaatst. Hij heeft hierbij het woord 'IntoCash' vervangen door de naam van zijn eigen incassobureau. IntoCash stelt dat omdat zij de maker is van deze teksten het een inbreuk is op het auteursrecht van IntoCash. De gedaagde zegt dat het niet vast staat dat IntoCash de maker van de teksten is. Bovendien zegt de gedaagde dat hij geen gebruik meer maakt van de teksten van IntoCash. Doorslaggevend voor auteursrechtelijke bescherming is dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt (HR 04 januari 1991, NJ 1991, 608). De website van IntoCash voldoet aan die voorwaarden. De rechter oordeelt dus dat IntoCash gezien moet worden als de opsteller van de teksten en dus als auteursrechthebbende hiervan. Het woordgebruik, de zinsbouw en de volgorde van de zinnen komen zozeer overeen met de teksten van IntoCash dat er geen sprake van toeval kan zijn. De inbreuk op het auteursrecht van IntoCash is dan ook aan Gedaagde toe te rekenen.

Datum: 27 januari 2012
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton, locatie Rotterdam
Zaaknummer: 1266686 CV EXPL 11-46632

Vonnis

in de zaak van

IntoCash, gevestigd te Rotterdam,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 3 augustus 2011, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

Gedaagde, h.o.d.n. Gedaagde, wonende te, gedaagde,

gemachtigde: mr. S.J. Schoonhoven.

Partijen worden hierna aangeduid als 'IntoCash" respectievelijk "Gedaagde".

De procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

het exploot van dagvaarding van 3 augustus 201 1, met producties;

de conclusie van antwoord;

de conclusie van repliek, met producties;

de conclusie van dupliek.

Ten slotte is vonnis bepaald.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

IntoCash en Gedaagde zijn beide incassobureaus.

Gedaagde heeft een website met het internetadres X. Het adres van deze website is later veranderd in Y.

Gedaagde heeft zich onder de namen A en B op respectievelijk 10 oktober 2009 en 14 februari 2011 op de website van IntoCash aangemeld als klant.

IntoCash heeft Gedaagde op 16 februari 2011 per brief medegedeeld dat IntoCash heeft geconstateerd dat Gedaagde diverse teksten van de website van IntoCash gebruikt op de website X, en dat Gedaagde daarmee inbreuk maakt op het auteursrecht van IntoCash. IntoCash heeft Gedaagde bij voornoemde brief gesommeerd de teksten te verwijderen en heeft Gedaagde aansprakelijk gesteld voor de door IntoCash gestelde schade ten bedrage van € 5.000,-,

IntoCash heeft Gedaagde op 16 februari 2011 per e-mail een "aankondiging gerechtelijke procedure" gestuurd waarin de mededeling staat dat Gedaagde een laatste gelegenheid wordt gegeven om binnen drie dagen € 5.000,- aan IntoCash te voldoen.

De vordering

IntoCash heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat Gedaagde inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van IntoCash en daarmee toerekenbaar onrechtmatig heeft gehandeld jegens IntoCash; en voorts dat Gedaagde wordt veroordeeld:

tot verwijdering van de van IntoCash gekopieerde teksten binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor elke dag dat Gedaagde in gebreke blijft dit te doen, met een maximum van € 100.000,-;

om aan IntoCash een bedrag van € 5.157,68 te betalen, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag;

in de proceskosten.

Aan haar vordering legt IntoCash - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang ~ het volgende ten grondslag:

Gedaagde heeft zonder medeweten en zonder toestemming van IntoCash teksten van de website van IntoCash (hierna: de teksten) gekopieerd en op zijn eigen website geplaatst. Gedaagde heeft daarbij het woord "IntoCash" vervangen door "Gedaagde".

IntoCash is de maker van de teksten.

Gedaagde heeft door het kopiëren en vervolgens openbaar maken en verveelvoudigen een inbreuk gemaakt op het auteursrecht van IntoCash en daarmee onrechtmatig jegens IntoCash gehandeld.

De teksten hebben tot doel om klanten voor IntoCash te werven. Vanwege het gebruik van de teksten door Gedaagde, vermindert de exclusiviteit en lijdt IntoCash schade.

Gedaagde heeft weliswaar vijf weken nadat hij door IntoCash is gesommeerd de teksten van zijn website te halen, zijn website een nieuwe layout gegeven en een deel van de teksten verwijderd, maar er staan nog steeds delen van de teksten op de Website van Gedaagde.

IntoCash heeft schade geleden door het verlies van exclusiviteit en vermindering van exploitatiemogelijkheden. Gedaagde heeft de teksten op zijn website geplaatst om een hoog zoekresultaat te krijgen in Google. Er is nu sprake van "duplicate content". Ten gevolge daarvan moet IntoCash maandelijks meer geld in Google investeren om op de eerste pagina van de zoekresultaten te worden vermeld. Voorts heeft IntoCash schade geleden in de vorm van reputatieschade en gederfde inkomsten.

Gedaagde heeft zich bij het aanmelden als klant akkoord verklaard met de algemene voorwaarden van IntoCash. Op grond van artikel 7 van voornoemde algemene voorwaarden is Gedaagde een boete verschuldigd van € 5.000,-. Tevens is Gedaagde aan IntoCash de economische waarde van een artikel verschuldigd ten bedrage van € 157,68.

Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van IntoCash in de proceskosten en de nakosten.

Gedaagde heeft daartoe het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang -aangevoerd:

Het staat niet vast dat IntoCash de maker van de teksten (als bedoeld in de Auteurswet) is.

Gedaagde heeft geen inbreuk gemaakt op een aan IntoCash toekomend auteursrecht. Gedaagde heeft de teksten met toestemming van de heer A overgenomen. Gedaagde is er toentertijd te goeder trouw vanuit gegaan dat het auteursrecht bij A berustte.

Gedaagde heeft niet onrechtmatig gehandeld jegens IntoCash. Voorts heeft IntoCash niet aangetoond dat zij schade heeft geleden.

Gedaagde maakt geen gebruik meer van de teksten. De huidige teksten op de website van Gedaagde komen niet overeen met de teksten van IntoCash. De huidige teksten gaan slechts over dezelfde onderwerpen en bevatten slechts op enkele algemene punten overeenkomende woorden.

De algemene voorwaarden van IntoCash zijn niet relevant, omdat IntoCash haar vordering op een onrechtmatige daad grondt. Daarnaast ziet artikel 7 van voornoemde algemene voorwaarden slechts op stukken die in het kader van een contractuele relatie van IntoCash met een opdrachtgever zijn geproduceerd. In de onderhavige situatie is daar geen sprake van.

IntoCash heeft haar vordering voor wat betreft het deel dat ziet op het "freelancertarief' niet onderbouwd. Gedaagde is het door IntoCash gestelde bedrag van € 157,68 niet aan IntoCash verschuldigd.

De gevorderde dwangsom is onredelijk hoog.

De beoordeling

Voor beantwoording van de vraag of Gedaagde inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van IntoCash, dient eerst vastgesteld te worden of het auteursrecht van de onderhavige teksten bij IntoCash berust.

De website van IntoCash, waarop IntoCash haar werkwijze uitlegt en zich aan potentiële klanten presenteert, moet gezien worden als een (online) brochure en de inhoud van de website, dat wil zeggen, de teksten die daar door IntoCash op zijn gezet, kan derhalve als een werk beschouwd worden in de zin van artikel 10 lid 1 van de Auteurswet waarvoor auteursrechtelijke bescherming bestaat. De omstandigheid dat er andere incassobureaus zijn die teksten over dezelfde onderwerpen en met een vergelijkbare strekking op hun websites publiceren, doet daar - anders dan Gedaagde stelt - niet aan af. Doorslaggevend voor auteursrechtelijke bescherming is dat het werk een eigen, oorspronkelijk karakter bezit en het persoonlijk stempel van de maker draagt (HR 04 januari 1991, NJ 1991, 608). De website van IntoCash voldoet aan die voorwaarden. Aan de hand van de door IntoCash in het geding gebrachte screenshots - waarvan de juistheid niet door Gedaagde is betwist - waaruit blijkt dat de teksten sinds 10 januari 2007 op de website van IntoCash staan, oordeelt de kantonrechter dat - op grond van het in artikel 4 van de Auteurswet geformuleerde bewijsvermoeden ten gunste van degene die op of in het openbaar gemaakte werk als maker wordt aangeduid - IntoCash gezien moet worden als de opsteller van de teksten en dus als auteursrechthebbende hiervan. IntoCash is dan ook bij uitsluiting gerechtigd tot openbaarmaking van de teksten.

Nu Gedaagde niet heeft betwist dat de aanvankelijk door hem op zijn website gebruikte teksten, zoals door IntoCash is gesteld en op de door haar in het geding gebrachte stukken is aangegeven, gelijk zijn aan de teksten op de website van IntoCash en minstens vijf weken op de website van Gedaagde hebben gestaan, is er - in ieder geval gedurende die periode van vijf weken - sprake geweest van een schending van het auteursrecht van IntoCash.

Nu Gedaagde heeft betwist dat de door hem op zijn huidige website gebruikte teksten dezelfde zijn als de teksten van IntoCash, dient vervolgens te worden beoordeeld of hetgeen op de huidige website van Gedaagde staat een zodanige gelijkenis vertoont met de teksten op de website van IntoCash, dat er nog steeds sprake is van een schending van het auteursrecht. Hiervoor maakt de kantonrechter gebruik van de door IntoCash in het geding gebrachte screenshots van deze website van Gedaagde, waarvan Gedaagde de juistheid niet heeft betwist. Naar het oordeel van de kantonrechter is het gebruik door Gedaagde van de teksten op zijn huidige website aan te merken als een onrechtmatige vorm van openbaarmaking in de zin van de Auteurswet, en dus is er sprake van een schending van het auteursrecht van IntoCash door Gedaagde. Immers, enkele alinea's van de website van Gedaagde zijn exact gelijk aan alinea's van de website van IntoCash. Voorts zijn weliswaar in sommige alinea's op de website van Gedaagde een of enkele woorden gewijzigd ten opzichte van de teksten (bijvoorbeeld door het woord "altijd" te vervangen door "24/7"), maar het woordgebruik, de zinsbouw en de volgorde van de zinnen komen zozeer overeen met de teksten dat van toeval geen sprake kan zijn.

Gedaagde heeft gesteld dat hij de teksten van A heeft overgenomen en er vanuit gegaan is dat het auteursrecht bij A berustte. Voorzover Gedaagde hiermee heeft bedoeld te zeggen dat hij te goeder trouw was en de hierboven geconstateerde schending van het auteursrecht zodoende niet aan hem zou kunnen worden toegerekend, wordt dit verweer verworpen. Immers, Gedaagde heeft niet onderbouwd waarom hij er bij het kopiëren van de teksten vanuit mocht gaan dat A het auteursrecht bezat. Dat Gedaagde te goeder trouw was, is daarnaast niet geloofwaardig nu vaststaat dat Gedaagde zich tweemaal als klant heeft aangemeld via de website van IntoCash en dus bekend moet worden geacht met de website van IntoCash en haar inhoud. Voorts had het op de weg van Gedaagde gelegen om na ontvangst van de door IntoCash gestuurde sommatie te verifiëren of A rechtmatig gebruik maakte van de teksten. Gedaagde had er - door het bekijken van de site van IntoCash -op eenvoudige wijze achter kunnen komen dat hetgeen hij op zijn website had gezet gelijk was aan de teksten op de website van IntoCash. De inbreuk op het auteursrecht van IntoCash is dan ook aan Gedaagde toe te rekenen. Zodoende is hij aansprakelijk voor de door IntoCash als gevolg van die inbreuk geleden schade, in hoeverre IntoCash schade heeft geleden, wordt hieronder beoordeeld.


Ten aanzien van de gestelde schade heeft IntoCash onder meer aangevoerd dat zij schade heeft geleden, omdat het plaatsen van dezelfde teksten op meerdere websites ("duplicate content") mogelijk een negatieve invloed heeft op de rangschikking van de website van IntoCash binnen de zoekresultaten van Google. Echter, IntoCash heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de "duplicate content" rechtstreeks heeft geleid tot schade aan haar zijde. IntoCash heeft dit - mede in het licht van de betwisting van de schade door Gedaagde - niet voldoende onderbouwd en uit de door haar in het geding gebrachte producties blijkt niet dat een situatie als de onderhavige leidt tot een lagere inschaling door
Google van de website van IntoCash.

IntoCash heeft ter onderbouwing van de door haar geleden schade tevens verwezen naar een in haar algemene voorwaarden opgenomen beding over het auteursrecht op door IntoCash geproduceerde stukken. Gedaagde heeft als verweer aangevoerd dat er in het onderhavige geval geen sprake is van een contractuele relatie en dus geen situatie als bedoeld in artikel 7 van de algemene voorwaarden van IntoCash. Dit verweer slaagt. Immers, nu er sprake is van buitencontractuele aansprakelijkheid en voornoemd artikel is aan te merken is als een boetebeding in geval van contractuele aansprakelijkheid en derhalve het hierin genoemde bedrag van € 5.000,- niet de daadwerkelijk geleden schade weergeeft, kan dit artikel uit de algemene voorwaarden van geen enkele betekenis zijn voor de vaststelling van de in casu door IntoCash geleden schade. Voorts heeft IntoCash het gevorderde freelancertarief van € 157,68 - gezien ook de betwisting hiervan door Gedaagde -niet voldoende onderbouwd.

IntoCash heeft daarnaast gesteld dat de door haar geleden schade bestaat uit reputatieschade en inkomstenderving. Hoewel IntoCash ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van reputatieschade heeft gewezen op online discussie-fora waarop negatieve uitlatingen worden gedaan over Gedaagde (en Gedaagde), is niet aannemelijk geworden dat de gestelde slechte naam van Gedaagde schade aan de reputatie van IntoCash heeft toegebracht. De kantonrechter acht wel voldoende aannemelijk dat IntoCash door het handelen van Gedaagde schade heeft geleden in de vorm van inkomstenderving. Nu aan IntoCash geen toestemming is gevraagd voor het gebruik van de door haar opgestelde teksten, is IntoCash de mogelijkheid onthouden om haar toestemming te weigeren, dan wel om vooraf een prijs te bepalen. Nu IntoCash niet heeft aangegeven hoe hoog de schade door inkomstenderving is en deze schade niet nauwkeurig is vast te stellen, zal de kantonrechter de schade schatten. Daarbij wordt meegenomen dat de teksten door Gedaagde voor commerciële doeleinden zijn gebruikt. De schade wordt begroot op € 1.000.- en voor dit bedrag zal een schadevergoeding worden toegewezen.

Voldoende is vast komen te staan dat Gedaagde ook na door IntoCash gewezen te zijn op het onrechtmatig gebruik van de teksten, deze op zijn website heeft laten staan en de openbaarmaking vervolgens op een nieuwe website (deels) heeft gecontinueerd. IntoCash heeft derhalve recht op en belang bij de gevorderde verwijdering van de teksten van de website(s) van Gedaagde, voor zover deze daarop nog geplaatst staan. Dit onderdeel van de vordering zal worden toegewezen. Echter, de gevorderde dwangsommen en het maximum worden gematigd.

Nu Gedaagde wordt veroordeeld tot schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen door het maken van inbreuk op het auteursrecht van IntoCash, heeft IntoCash bij de door haar gevorderde verklaring voor recht geen belang meer, aangezien die in de veroordeling besloten ligt.

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van IntoCash vastgesteld op:

-dagvaarding €76,31
-vastrecht €426,-
- salaris gemachtigde € 500,- (2 punten x tarief € 250,-)

Totaal € 1002,31.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om de van IntoCash gekopieerde teksten van zijn websites te verwijderen, binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan tot een maximum van € 10.000,- indien en zo lang Gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

veroordeelt Gedaagde om aan IntoCash tegen kwijting te betalen € 1.000,-;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van IntoCash vastgesteld op € 1002,31;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Vlaswinkel en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2012.