Tegenvordering tot schadevergoeding afgewezen

Tussen partijen is in 2016 een mondelinge overeenkomst van onderaanneming gesloten. De facturen voor de werkzaamheden heeft de gedaagde onbetaald gelaten. Gedaagde stelt dat Eiser aansprakelijk is voor schade dat is ontstaan door het boren van gaten in een asbesthoudende wandbeplating.

Het standpunt van Eiser: Gedaagde had volledige zeggenschap en toezicht over de door Eiser uit te voeren werkzaamheden. Gedaagde had Eiser dan ook ervoor moeten waarschuwen dat hij rekening moest houden met de aanwezigheid van asbest, wat niet is gebeurd. Ook was aan de betreffende geverfde wandbeplating niet te zien dat het' om asbesthoudend materiaal ging en evenmin waren er waarschuwingsstickers aangebracht. De werkzaamheden zijn bovendien uitgevoerd tezamen met een werknemer van Gedaagde, de heer J, die ook gaten in de betreffende wandbeplating heeft geboord. Daarom 'kan niet het volledige schadebedrag op Eiser worden afgewenteld. Tot slot is Eiser niet in gebreke gesteld, noch is hem de gelegenheid geboden om tot herstel over te gaan. Er is daarom geen sprake van verzuim.

Het standpunt van Gedaagde: Gedaagde erkent de door Eiser gevorderde factuurbedragen verschuldigd te zijn, maar zij beroept zich in conventie op verrekening. Eiser heeft gaten geboord in asbesthoudende wandbeplating. Dat heeft hij tijdens een bezichtiging ter plaatse erkend. Het gaat daarom niet aan om de schuld af te wentelen op (de werknemer van) Gedaagde. Er wordt vergoeding gevorderd van schade dié het directe gevolg is van de door Eiser geboorde gaten. Als professioneel handelende partij had Eiser bovendien kunnen en moeten weten dat er asbest in de wandbeplating aanwezig kon zijn; in elk geval lag het op zijn weg om daar onderzoek naar te doen alvorens gaten te boren.

De rechter oordeelt dat Eiser onweersproken heeft aangevoerd dat aan de wandbeplating niet te zien was dat het om asbesthoudend materiaal ging en dat er evenmin waarschuwingsstickers op waren aangebracht. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Eiser onweersproken heeft aangevoerd dat Gedaagde volledige zeggenschap en toezicht over de door hem uit te voeren werkzaamheden had. Het lag dan ook veeleer op de weg van Gedaagde om Eiser te informeren over de (mogelijke) aanwezigheid van asbest. Uit het door Gedaagde overgelegde (maar niet ingevulde) V&G-deelplan wordt in de beschrijving van de algemene en projectspecifieke risico's echter geen melding gemaakt over asbest; bovendien betwist Eiser het betreffende plan ontvangen te hebben. Gelet op het vorenstaande oordeelt de kantonrechter dat de gestelde tekortkoming niet aan Eiser kan worden toegerekend. De conclusie is dan ook dat Gedaagde geen vordering tot schadevergoeding op Eiser heeft. De rechter beslist dat Gedaagde de facturen moet betalen plus alle kosten van de procedure.

Datum: 13 februari 2018
Rechtbank: Rechtbank Groningen
Zaaknummer: 6043121 \ CV EXPL 17-6954

vonnis

inzake

- EISER, handelend onder de naam A, wonende te, eiser in conventie, verweerder in reconventie, gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GEDAAGDE B.V.,

gevestigd te,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: LAVG.

Partijen zullen hierna Eiser en Gedaagde worden genoemd.

1. Procesverloop

1.1.         Het verloop van de procedure blijkt uit:

-   de dagvaarding;

-   de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie; :

-   de conclusie van repliek in conventie tevens antwoord in reconventie;

-   de conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie;

-   de conclusie van dupliek in reconventie;

-   de akte uitlating producties van de zijde van Gedaagde.

1.2.         Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1.         Tussen partijen is in 2016 een mondelinge overeenkomst van onderaanneming gesloten. Gedaagde was op haar beurt ingeschakeld door de hoofdaannemer (verder te noemen: S). Op grond van voornoemde overeenkomst heeft Eiser regenwaterafvoeren aangebracht in een fabriekshal van het bedrijf H. Soortgelijke werkzaamheden zijn ook uitgevoerd door de heer J, een werknemer van Gedaagde.

2.2.         Eiser heeft ter zake van de door hem uitgevoerde Werkzaamheden het volgende aan Gedaagde in rekening gebracht:

factuurnummer datum                  bedrag                    vervaldatum

2016-0019              11 juli 2016 11 augustus 2016 € 1.185,00

2016-0020              18 juli 2016 18 augustus 2016 € 1.200,00

2016-0021              25 juli 2016 25 augustus 2016 € 1.200,00

totaal                                                                            € 3.585,00

2.3.         De facturen van Eiser zijn, ondanks aanmaningen, tot op heden onbetaald gebleven,

2.4.         In dc bouwvak heeft S ontdekt dat er bij het aanbrengen van de regenwaterafvoeren gaten in asbesthoudende wandbeplating zijn geboord. Op 16 en 30 augustus 2016 heeft Asbest Adviesbureau B.V. in opdracht van S een asbestinveniarisatie uitgevoerd. De kosten hiervan bedragen in totaal € 1.554,85 inclusief btw. Blijkens het op 31 augustus 2016 uitgebrachte definitieve rapport zijn er in de ruimten "TD werkplaats" en "ruimte aangrenzend aan beschadigde beplating" asbesthoudende bronnen aangetroffen.

2.5.         SMTS B.V. te Peize heeft in opdracht van S een asbestsanering uitgevoerd. Die werkzaamheden zijn uitgevoerd in de periode van 29 augustus tot en met 9 september 2016 en van 26 september tot en met 30 september 2016. De kosten hiervan bedragen in totaal 6 20.070,00 inclusief btw.

2.6.          Gedaagde heeft Eiser bij e-mail van 26 augustus 2016 op de hoogte gesteld van het asbestincident.

2.7 Gedaagde heeft bij factuur van 21 oktober 2016 de kosten van de asbestinventarisatie en -sanering bij Eiser in rekening gebracht. Na aftrek van de onder 2.2 genoemde factuurbedragen resteert ter zake daarvan een door Eiser te betalen bedrag van € 18.039,85 inclusief btw. Eiser heeft geweigerd deze kosten aan Gedaagde te vergoeden.

3. Het geschil in conventie en reconventie

Het standpunt van Eiser

3.1. Eiser vordert - verkort weergegeven - veroordeling van Gedaagde tot betaling van een bedrag van € 3.585,00 in hoofdsom, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de facturen (tot aan 18 mei 2017 berekend op een bedrag van € 214,99) en tot betaling van buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 483,50, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.         Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat Gedaagde gehouden is om haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst na te komen. Volgens Eiser is Gedaagde niet gerechtigd is om tot verrekening over te gaan.

3.3.         Eiser betwist jegens Gedaagde aansprakelijk te zijn voor schade ontstaan door het boren van gaten in de asbesthoudende wandbeplating. Gedaagde had volledige zeggenschap en toezicht over de door Eiser uit te voeren werkzaamheden. Gedaagde had Eiser dan ook ervoor moeten waarschuwen dat hij rekening moest houden met de aanwezigheid van asbest, wat niet is gebeurd. Ook was aan de betreffende geverfde wandbeplating niet te zien dat het' om asbesthoudend materiaal ging en evenmin waren er waarschuwingsstickers aangebracht. De werkzaamheden zijn bovendien uitgevoerd tezamen met een werknemer van Gedaagde, de heer J, die ook gaten in de betreffende wandbeplating heeft geboord. Daarom 'kan niet het volledige schadebedrag op Eiser worden afgewenteld. Tot slot is Eiser niet in gebreke gesteld, noch is hem de gelegenheid geboden om tot herstel over te gaan. Er is daarom geen sprake van verzuim.

Het standpunt van Gedaagde

3 .4. Gedaagde erkent de door Eiser gevorderde factuurbedragen verschuldigd te zijn, maar zij beroept zich in conventie op verrekening. In het verlengde daarvan vordert Gedaagde in reconventie - verkort weergegeven - primair, voor het geval zij kan verrekenen, betaling van € 18.039,85 wegens schadevergoeding, dan wel subsidiair betaling van het volledige schadebedrag van € 21.624,85, in beide gevallen te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

3.5. Gedaagde legt zowel aan haar vertekeningsberoep als aan haar tegenvordering ten grondslag dat Eiser toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst, doordat hij gaten heeft geboord in asbesthoudende wandbeplating. Dat heeft hij tijdens een bezichtiging ter plaatse erkend. Het gaat daarom niet aan om de schuld af te wentelen op (de werknemer van) Gedaagde. Er wordt vergoeding gevorderd van schade dié het directe gevolg is van de door Eiser geboorde gaten. Als professioneel handelende partij had Eiser bovendien kunnen en moeten weten dat er asbest in de wandbeplating aanwezig kon zijn; in elk geval lag het op zijn weg om daar onderzoek naar te doen alvorens gaten te boren. Gedaagde kan tot slot niet worden verweten Eiser niet eerder van het asbestincident in kennis te hebben gesteld. Gedaagde had hier zelf vanwege de bouwvak niet eerder kennis van en bovendien diende de asbestsanering, gezien de schadelijkheid en spoedeisendheid en de functie van het gebouw, terstond na ontdekking door S te worden aangevangen. Er is bovendien sprake van gevolgschade, zodat een ingebrekestelling niet vereist was.

4. De beoordeling van het geschil

in conventie en in reconventie

4.1. De in conventie en reconventie door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

4.2.        De kantonrechter stelt vast dat Gedaagde niet de verschuldigdheid van de facturen van Eiser als zodanig betwist, maar een beroep doet op verrekening van die facturen met de dóór haar geleden schade die ontstaan is als gevolg van het boren van gaten in de asbesthoudende wandbeplating. In het verlengde daarvan vordert Gedaagde primair betaling van het na de verrekening resterende schadebedrag en subsidiair, voor het geval dat het verrekeningsverweer niet zou worden gehonoreerd, van het volledige schadebedrag. De kantonrechter zal gelet hierop nu eerst de reconventionele vorderingen beoordelen.

4.3.        Gedaagde baseert haar verweer en reconventionele vorderingen op de stelling dat Eiser toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tussen partijen. Voor het toewijzen van een vordering tot schadevergoeding is ónder meer vereist dat de tekortkoming aan de schuldenaar kan worden toegerekend (artikel 6:74 lid 1 BW). Ingevolge artikel 6:75 BW kan een tekortkoming niet aan de schuldenaar worden toegerekend, indien zij niet is te wijten aan zijn schuld, noch krachtens wet, rechtshandeling of in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Eiser heeft onweersproken aangevoerd dat aan de wandbeplating niet te zien was dat het om asbesthoudend materiaal ging en dat er evenmin waarschuwingsstickers op waren aangebracht.

4.4.         Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de kantonrechter Gedaagde ook niet volgen in haar stelling dat Eiser had moeten onderzoeken of er sprake was van asbesthoudend materiaal. Daarbij neemt de kantonrechter in aanmerking dat Eiser onweersproken heeft aangevoerd dat Gedaagde volledige zeggenschap en toezicht over de door hem uit te voeren werkzaamheden had. Het lag dan ook veeleer op de weg van Gedaagde om Eiser te informeren over de (mogelijke) aanwezigheid van asbest. Uit het door Gedaagde overgelegde (maar niet ingevulde) V&G-deelplan wordt in de beschrijving van de algemene en projectspecifieke risico's echter geen melding gemaakt over asbest; bovendien betwist Eiser het betreffende plan ontvangen te hebben.

4.5.        Gelet op het vorenstaande oordeelt de kantonrechter dat de gestelde tekortkoming niet aan Eiser kan worden toegerekend. De conclusie is dan ook dat Gedaagde geen vordering tot schadevergoeding op Eiser heeft. De reconventionele vorderingen zullen daarom worden afgewezen. De overige stellingen van partijen met betrekking tot die vorderingen van Gedaagde behoeven dan ook geen bespreking meer.

4.6.        Het bovenstaande leidt ook tot het oordeel dat het beroep van Gedaagde op verrekening in conventie niet kan worden gehonoreerd, zodat de vordering van Eiser zal worden toegewezen, een en ander zoals hierna bepaald.

4.7.        Aan hoofdsom wordt het gevorderde bedrag van € 3.585,00 toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over de hoofdsom (tot aan 18 mei 2017 berekend op een bedrag van € 214,99) zal eveneens als onweersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

4.8.        Eiser heeft voorts voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke kosten zal echter worden afgewezen, aangezien

Eiser niet heeft gesteld dat die kosten al daadwerkelijk zijn betaald aan de incassogemachtigde.

4.9.        Per saldo zal dus een bedrag van € 3.585,00 + € 214,99 + € 483,50 = 4.283,49 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.585,00 vanaf 18 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

4.10.      Gedaagde zal voorts als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. De proceskosten aan de zijde van Eiser worden vastgesteld op:

-  explootkosten                      € 80,42

-  griffierecht                           € 223,00

-  salaris gemachtigde:

-               in conventie            € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

-         in reconventie € 400.00 (2 punten x factor 0,5 x tarief € 400 00) totaal € 1.103,42

4.11.     De gevorderde rente over de proceskosten is toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de betekening van dit vonnis.

4.12.     De nakosten, waarvan Eiser betaling vordert, zullen overeenkomstig de aanbeveling van het LOVCK worden begroot op een half salarispunt (met een maximum van € 100,00).

5.  Beslissing

De kantonrechter: in conventie en in reconventie

5.1.        veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van een bedrag groot € 4.283,49, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 3.585,00 vanaf 18 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.        veroordeelt Gedaagde in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 1.103,42, te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente over het niet betaalde bedrag, tot de algehele voldoening;

5.3.        veroordeelt Gedaagde onder de voorwaarde dat indien niet binnen 14 dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis wordt voldaan, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 100,00 aan salaris gemachtigde;

5.4.        verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.      wijst de reconventionele vorderingen van Gedaagde af.

5.5.        wijst het meer of anders door Eiser gevorderde af;

Aldus gewezen door mr. M. Sanna, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.