tijdelijke titel juni

Datum: 19 juni 2019
Rechtbank: Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 7432628 UC EXPL 18-14592 RW/1368

Vonnis

inzake

Eiser,
verder ook te noemen Eiser,
eisende partij,
gemachtigde: Incassobureau lntoCash,

tegen:

Gedaagde,
wonende te,
verder ook te noemen Gedaagde,
gedaagde partij,
procederend in persoon.

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft een vordering ingesteld met een dagvaarding. Gedaagde heeft daarop schriftelijk gereageerd met een verweerschrift. De procedure is schriftelijk voortgezet, met een conclusie van repliek van Eiser en een verweerschrift op de conclusie van repliek van Gedaagde. Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2. De beoordeling

Waar gaat het om

2.1.       Eiser heeft van 1 december 2014 tot en met 31 januari 2018 zijn woning verhuurd aan Gedaagde. Volgens Eiser heeft Gedaagde de woning niet in dezelfde staat teruggegeven aan Eiser als waarin zij die ontvangen had, waardoor Eiser herstelkosten heeft moeten maken. Eiser vordert in hoofdsom € 1.380,74 van Gedaagde, met nevenvorderingen. Dat bedrag bestaat uit de kosten van de aannemer (€ 476,91), de schilder (€ 503,74) en de schoonmaker (€ 400,00), plus het verschil tussen de volgens Eiser onbetaald gelaten huur van januari 2018 (€ 1.275,09) en de door Eiser ingehouden waarborgsom (€ 1.275,00).

Gedaagde voert verweer.

De kantonrechter gaat uit van de inspectierapporten

2.2.      Bij aanvang van de huur is een inspectierapport opgemaakt op 27 november 2014

(hierna: het aanvangsrapport, zie bijlage A van Gedaagde). Bij het verlaten van de woning is een inspectierapport opgemaakt op 9 februari 2018 (hierna: het eindrapport, zie productie 2 van Eiser). Gedaagde stelt beide inspectierapporten ter discussie. Op 27 november 2014 zou de woning nog niet leeg zijn, waardoor het aanvangsrapport niet de werkelijke staat van de woning zou weergegeven, en op 9 februari 2018 zou zij het inspectierapport door tijdgebrek en de sfeer op dat moment tussen haar en Eiser alleen ter kennisgeving hebben ondertekend.

2.3.      De kantonrechter overweegt dat Gedaagde zowel het aanvangsrapport als het

eindrapport zonder voorbehoud heeft ondertekend. Als Gedaagde het niet eens zou zijn met de op de inspectierapporten vermelde staat van de woning, had zij dat op de rapporten moeten aantekenen. De door Gedaagde aangevoerde omstandigheden zijn te algemeen om afbreuk te doen aan de inspectieformulieren. Het uitgangspunt is dat de inspectieformulieren de staat van de woning weergeven zoals die bij aanvang en bij het eind van de huur was. Op basis daarvan zullen hieronder de verschillende onderdelen van de kosten die Eiser vordert worden beoordeeld. Gedaagde voert nog wel aan dat zij (voor zover zij zaken zou hebben moeten herstellen) daarvoor geen gelegenheid heeft gekregen, maar dat gaat niet op. De hoofdverplichting van Gedaagde is om de woning in dezelfde staat terug te geven als waarin zij deze heeft ontvangen, en zij had daar uiterlijk tot de laatste huurdag, 3 I januari 2018, de tijd voor. Eventuele herstelpunten die bij de eindinspectie op 9 februari 2018 zijn vastgesteld, mocht Eiser laten herstellen op kosten van Gedaagde.

Kosten van de aannemer

2.4.      De werkzaamheden die de aannemer (Quartel Bouw- en Renovatiebedrijf) heeft

verricht, worden gespecificeerd op haar factuur (zie productie 3 van Eiser). De aannemer heeft de door hem bestede tijd niet per werk gespecificeerd, maar voor alle werkzaamheden in totaal (onder de post 'Arbeid'). Dat levert geen problemen op, omdat alle onderdelen toewijsbaar zijn. Dat wordt hieronder toegelicht.

2.5.      De werkzaamheden zijn:

Herstel van deurknop

In het eindrapport is onder "Woonkamer/l visigrooni" onder "Deuren/doors" vermeld: "voorkamer achterkamer/ deurknop afgebroken". In het aanvangsrapport is de staat van de "Deuren/doors" als "Goed/good" aangevinkt, zonder opmerkingen. Omdat de deurknoppen dus kennelijk tijdens de huur van Gedaagde kapot zijn gegaan, had Gedaagde dit moeten herstellen. Omdat zij dat niet heeft gedaan, zijn de kosten van de werkzaamheden van de aannemer voor dit onderdeel toewijsbaar.

Herstel van een gat in de vloer

In het eindrapport is opgenomen dat er een gat in de vloer zit van ca. 10x10 cm (zie de opmerking daarover in het eindrapport onder "Woonkamerdivingrooin " onder "Vloerenfioors" en de foto daarvan bij productie 11 van Eiser). Het gat is in het aanvangsrapport niet opgenomen. Volgens Gedaagde bestond het gat al bij aanvang van de huur, maar is dat niet opgenomen in het aanvangsrapport omdat de vorige huurder daar nog meubels overheen had staan en het gat bij de aanvangsinspectie niet zichtbaar was. Pas vanaf de verhuizing zou Gedaagde op de hoogte geraakt zijn van het gat. Zij heeft dat toen niet doorgegeven aan Eiser, omdat zij naar haar zeggen geen last had van het gat (Gedaagde heeft haar piano erboven gezet).

De kantonrechter is van oordeel dat Gedaagde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gat al bij aanvang van de huur aanwezig was. Als het zo is dat Gedaagde het gat pas later opmerkte, had zij dat direct moeten melden. Het feit dat Gedaagde naar haar zeggen het aanvangsrapport voor waar heeft ondertekend, terwijl zij kennelijk niet in staat was om de staat van de woning goed te kunnen beoordelen vanwege de aanwezige meubels, blijft voor haar risico. Het gevolg is dat moet worden aangenomen dat het gat, om wat voor reden dan ook, tijdens de huurperiode is ontstaan. Omdat Gedaagde dat niet heeft gemeld aan Eiser en niet gesteld of gebleken is dat Eiser toestemming heeft gegeven, had Gedaagde dat gat bij het verlaten van de woning moeten herstellen. Omdat zij dat niet heeft gedaan, zijn de kosten van de werkzaamheden van de aannemer voor dit onderdeel toewijsbaar.

- Eiektrawerk

De kantonrechter gaat ervan uit dat onder dit werk ook de posten "Afdekraant 2V Busch Jaeger, 1 stuks", "Hybrifix wit, 330 ml", "Klein materiaal" en "Bevestigingsmatericial" (samen € 22,20) vallen.

In het eindrapport is onder "Woonkamer/livingroom" vermeld: "Achterzijde: afdekplaat + stopcontact stuk". Omdat in het aanvangsrapport geen melding wordt gemaakt van een defect aan een stopcontact, is de conclusie dat het stopcontact stuk is gegaan tijdens de huurperiode van Gedaagde. Zij had dat moeten herstellen, maar heeft dat niet gedaan. De kosten van de aannemer voor dit onderdeel zijn toewijsbaar.

-      Arbeid en afvoeren vuil

Tot slot bevat de factuur van de aannemer een post "Arbeid", 5,5 uur á € 42,50 per uur, en een post "Afvoeren vuil",€ 10,00, beide bedragen exclusief btw. Omdat alle onderdelen van de factuur van de aannemer toewijsbaar zijn en het aantal uur de kantonrechter niet onredelijk voorkomt, is de post "Arbeid" als schade toewijsbaar. Datzelfde geldt voor de post "Afvoeren vuil".

Dit alles houdt in dat het volledige bedrag van de factuur van de aannemer, € 476,91, als schade toewijsbaar is.

Kosten van de schilder

2.6.        Eiser heeft weliswaar facturen van de schilder overgelegd (zie productie 9 van Eiser), maar daaruit kan de kantonrechter niet het door Eiser gevorderde schadebedrag van € 503,74 herleiden. Volgens Eiser is dat bedrag het gedeelte van het schilderwerk wat niet valt onder het regulier onderhoud, maar Eiser maakt niet concreet wat precies nu geschilderd is, wat valt onder regulier onderhoud en wat niet, en waarom Gedaagde het niet-reguliere onderhoud zou moeten betalen. Dat en welk schilderwerk nodig zou zijn blijkt niet duidelijk uit het verschil tussen het aanvangsrapport en het eindrapport. Het is aan Eiser om het verband duidelijk te maken, maar dat doet Eiser niet. De schade op dit punt wordt daarom, als onvoldoende onderbouwd, afgewezen.

Schoomnaakkosten

2.7.      Eiser stelt dat Gedaagde de woning niet schoon heeft opgeleverd, Gedaagde zegt dat zij de woning wél heeft schoongemaakt en daarnaast dat zij de woning ook niet schoon in ontvangst heeft genomen.

2.8.      Het kan zijn dat Gedaagde de woning heeft schoongemaakt, maar kennelijk waren die inspanningen niet voldoende. In het eindrapport is niet alleen bij de algemene (slot)opmerkingen opgenomen "Woning in z'n geheel niet goed schoon opgeleverd", maar ook bevatten de verschillende onderdelen opmerkingen als "Vlekken/a.fdrukken" (bij "Woonkanzer/livingrooin" onder "Wanden/Iva/Is"), "spinneraggen" (bij "Hoofdslaapkamer" onder "Plafondfceding"), "zwarte plekken" (bij "Slaapkamer/bedroom 2" onder "Wanden/walls"), "vlekken" (bij "Slaapkamer/bedroom 3" onder "Wanclen/walls"), "luxaflex vuil" (bij "Slaapkanter/bedroom 3 " onder "Ramen/windows") en "schinunelaanslag" (bij "Badkamer" onder "Plafond/veiling"). De conclusie is dat Gedaagde de woning niet schoon heeft opgeleverd.

Heeft zij de woning wel schoon gekregen? Het aanvangsrapport maakt inderdaad melding van niet schone gedeelten. Bij "Woonkamer/livingroom" wordt onder "Wanden/walls" melding gemaakt van "2 x zwarte [...., onleesbaar, kantonrechter] op wand" en "kleine zwarte plekken", en ook bij "vensterbank" "met gele plekken". En onder "Badkamer" wordt onder "Wanden/walls " melding gemaakt van "zwarte strepen tegels'.

2.9.      De kantonrechter houdt het, op grond van het bovenstaande, ervoor dat de woning ook niet geheel schoon was bij aanvang van de huur, maar wel schoner dan dat Gedaagde de woning heeft teruggegeven.

2,10. De omvang van de schade van Gedaagde op dit punt is met de door Eiser overgelegde gegevens niet te begroten. De offerte van de schoonmaker (Peter van de Kamp, productie 12 van Eiser) bevat alleen een totaalbedrag, ongespecificeerd naar het aantal uren of zelfs naar een bedrag per uur. De kantonrechter moet de schade daarom schatten (artikel 6:97 BW), en doet dat op de helft van het door Eiser gevorderde bedrag, dus € 200,00. Dat bedrag zal warden toegewezen.

Verrekening kosten met de waarborgsom

2.11. Gedaagde voert aan dat zij de huur van januari 2018 (E. 1.275,09) betaald zou hebben door verrekening met de borgsom (E 1.275,00). Maar een waarborgsom dient naar zijn aard om de verhuurder in staat te stellen aan het eind van de huurovereenkomst eventuele kosten te verrekenen waarvoor de huurder aansprakelijk is. Niet Gedaagde is daarover beschikkingsbevoegd, maar Eiser. Gedaagde kan de waarborgsom dus niet naar eigen inzicht gebruiken om de huur te betalen. Uit de opstelling in 4.1 van de dagvaarding blijkt dat Eiser de waarborgsom per 3 maart 2018 in mindering brengt op de zeven bedragen die wat hem betreft openstaan. Die bedragen betreffen de huur van januari 2018 en zes schadeposten. Eiser meldt bij de zes schadeposten als vervaldatum 3 maart 2018. De kantonrechter leidt daaruit af dat Eiser de waarborgsom in de eerste plaats op de schadeposten in mindering heeft-gebracht. Dat is zijn goed recht. Verder begrijpt de kantonrechter uit die opstelling in 4.1 van de dagvaarding dat Eiser de waarborgsom op 3 maart 2018 heeft gebruikt om de openstaande bedragen zoveel mogelijk te betalen. Ook dat is redelijk, want hij moest eerst weten hoe hoog de schade was en mocht daarna Gedaagde nog een week de gelegenheid bieden vrijwillig te betalen.

2.12. Eiser kan dus de hiervoor toegewezen kosten van de aannemer (E 476,91) en de schilder (€ 200,00), samen € 676,91, verrekenen met de waarborgsom. Het restant van de waarborgsom, (€ 1.275,00 -1- € 676,91 =) € 598,09, mocht Eiser gebruiken om de nog openstaande huur mee zoveel mogelijk mee te betalen.

Dan blijft aan huur nog onbetaald (€ 1.275,09 -/- € 598,09 =)€ 677,00, Dat bedrag zal als hoofdsom worden toegewezen.

Rente en kosten

2.13. Eiser vordert de contractuele rente van 1% per jaar, gebaseerd op een beding in de tussen partijen overeengekomen algemene voorwaarden. De kantonrechter heeft ambtshalve de verplichting om dergelijke bedingen te toetsen op de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (Richtlijn 93/13/EEG). Van oneerlijkheid is sprake wanneer een beding voor een consument het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan sprake is bij het rentebeding. De gevorderde rente komt neer op 12% per jaar, circa zes keer zo hoog als de wettelijke rente volgens artikel 6:119 BW en zelfs 1,5 keer zo hoog als de wettelijke handelsrente van artikel 6:119a BW (zie ook het Rapport Ambtshalve toetsing III, onder 4.3.1, p. 45 e.v.). Eiser heeft niet toegelicht waarom een dergelijk hoge rente gerechtvaardigd is en de kantonrechter zal het beding ambtshalve vernietigen. Gedaagde is daarom geen contractuele rente verschuldigd.

2.14. De subsidiair gevorderde wettelijke rente is wel toewijsbaar. Omdat de huur van januari 2018 op I januari 2018 voldaan had moeten zijn, is per die datum de wettelijke rente over € 1.275,09 toewijsbaar. Per 3 maart 2018 is dat verminderd tot € 677,00 (zie hiervoor). De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen over € 1.275,09 van 1 januari 2018 tot 3 maart 2018, en over € 677,00 vanaf 3 maart 2018 tot de dag van betaling,

2.15. De buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. Voor zover Eiser zich heeft beroepen op het beding in de algemene voorwaarden voor de kosten op dit punt, geldt dat alle van artikel 6:96 lid 6 BW ten nadele van de consument afwijkende bedingen nietig zijn. Daarbij geldt hetzelfde als wat de kantonrechter hiervoor heeft overwogen over de toetsing aan de Richtlijn oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Niet gesteld of gebleken is dat Eiser een aanmaning aan Gedaagde heeft verstuurd die voldoet aan de eisen van genoemd artikellid.

Proceskosten

2.16. Gedaagde is de meest in het ongelijk gestelde partij en moet daarom de proceskosten betalen. De kosten van Eiser worden begroot op:

dagvaarding                                       99,90

- griffierecht                                      231,00

salaris gemachtigde                         240.00 (2 punten x tarief E 120,00)

Totaal                          €                    570,90

De wettelijke rente over de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente daarover zijn

zoals hierna bepaald toewijsbaar.

3.          De beslissing

De kantonrechter:

3.1.       veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen bewijs van kwijting te betalen E 677,00, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over E 1.275,09 van 1 januari 2018 tot 3 maart 2018, en over E 677,00 vanaf 3 maart 2018 tot de dag van betaling;

3.2.       veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 570,90, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis, anders wordt dat bedrag vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

3.3.       veroordeelt Gedaagde, als zij niet binnen veertien dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op: - E 60,00 aan salaris gemachtigde, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving tot de voldoening,

- te vermeerderen, als betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening tot de voldoening;

3.4.       verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.       wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Verschoof, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2019.