Verhuurder was niet in verzuim, de huurder mocht de huur niet opschorten

Tussen de huurders en de verhuurder is een huurovereenkomst gesloten. De verhuurder vordert in de procedure de huurachterstand welke de huurders hebben laten ontstaan. De huurders zijn het hier niet mee eens en geven aan dat er verschillende gebreken waren aan het huis en stellen dat ze de verhuurder hiervoor gevraagd hebben om dit op te lossen of de kosten te vergoeden. Volgens de huurders heeft de verhuurder vervolgens geweigerd dit te doen, waardoor ze zelf de problemen opgelost hebben en vervolgens de huur hebben ingehouden op deze kosten. De verhuurder reageert hierop met dat hij niet geweigerd heeft de gebreken te herstellen. Hij is langs geweest om te bekijken wat de problemen waren en dit bleek toen mee te vallen. Voor de problemen die er daadwerkelijk waren heeft de verhuurder meerdere malen via de e-mail contact gezocht met de huurders, maar de huurders hebben een afspraak tegengewerkt. De rechter beoordeeld dat de verhuurder in verzuim verkeert ter zake het herstel van gebreken aan het gehuurde, indien de huurder hem uitdrukkelijk op deze gebreken heeft gewezen, zij hem in de gelegenheid heeft gesteld deze gebreken te verhelpen, en hem daartoe een laatste termijn heeft gesteld. Aan de kant van de huurders zijn er verder geen e-mails of brieven in de procedure gekomen waaruit blijkt dat ze de verhuurder een kans hebben gegeven om de gebreken te herstellen. De huurders worden dan ook veroordeelt en dienen ook de proceskosten te betalen.

Datum: 22 juni 2016
Rechtbank: Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummer: 4411677 / LC EXPL 15-3413

Vonnis

in de zaak van

Eiser,

wonende te Duitsland, eiser in conventie,

verweerder in reconventie, hierna ook te noemen: Eiser, gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung, Incassobureau IntoCash,

tegen

1. Gedaagde 1,

wonende te,

2 Gedaagde 2,

wonende te, gedaagden in conventie,

eisers in reconventie, hierna tezamen te noemen: Gedaagden, gemachtigde mr. S. Mangal, advocaat te Almere.

1. De procedure

1.1.          Het verloop van de procedure blijkt uit:

-    de dagvaarding

-    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

-    de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie

-    de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie, tevens houdende akte aanvulling eis tevens verzoek descente

-  de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte wijziging eis.

1.2.          Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

In conventie en in reconventie

2.1. Partijen hebben op 30 april 2012 een huurovereenkomst gesloten, op grond waarvan Eiser aan Gedaagden de woning verhuurt die is gelegen in Lelystad. Bij aanvang van de huurovereenkomst bedroeg de huurprijs € 750,00 per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. Op de huurovereenkomst zijn Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte (hierna: de algemene huurvoorwaarden) van toepassing.

2.2. Artikel 10 van de huurovereenkomst bepaalt onder meer:

'De woning wordt gestoffeerd opgeleverd, dat wil zeggen, inclusief gordijnen, rolgordijnen, parketvloer woonkamer, tapijt op de trap, laminaatvloer gehele 1e verdieping. Volledig ingerichte badkamer met stoomdouche, hangtoilet en luxe badmeubel. Inloopkast 1e verdieping met hang/leg rondom. Keuken met koel/vries combinatie, inbouw oven/magnetron, geïntegreerde vaatwasmachine, geïntegreerde afzuigkap. De tuin is volledig ingericht en is rietjes en ordelijk,

Alle muren, wanden, houtwerk binnen en buiten en de plafonds zijn in lichte tinten afgewerkt.

Alle stoffering, keuken, wanden, muren en houtwerk zoals hierboven omschreven is/zijn in goede staat en alle keuken apparatuur is werkend opgeleverd door verhuurder.

Het onderhoud van de stoffering en tuin is voor rekening van de huurder. Bij enig defect aan de stoffering zijn de kosten voor reparatie of vervanging voor de huurder. Met uitzondering van het

schilderwerk, deze zijn voor verhuurder.'

2.3. Artikel 16 van de algemene huurvoorwaarden luidt als volgt:

'Betalingen

16. De betaling van de huurpenningen en van al hetgeen verder krachtens deze overeenkomst is verschuldigd, zal uiterlijk op de vervaldata in Nederlands wettig betaalmiddel - zonder opschorting, korting, aftrek of verrekening met een vordering welke huurder op verhuurder heeft of meent te hebben, behoudens in het geval als gesteld in artikel 7:206 iid 3 Burgerlijk Wetboek •• geschieden door storting clan wel overschrijving op een door verhuurder op te geven rekening. Het staat verhuurder vrij door middel van schriftelijke opgave aan huurder wijziging aan te brengen in de plaats of wijze van betaling. Verhuurder is gerechtigd te bepalen op welke openstaande vordering uit de huurovereenkomst een door hem van huurder ontvangen betaling in mindering komt, tenzij huurder bij de betaling uitdrukkelijk anders aangeeft. In bef laatste geval is het gestelde in artikel 6:50 Burgerlijk Wetboek niet van toepassing.'

2.4 Na een melding van Gedaagden over lekkage in de badkamer is in opdracht van Eiser de douchecabine vervangen.

2.5. Tijdens een storm in het voorjaar van 2015 is een boom in de tuin van het gehuurde omgewaaid.

2.6. Met ingang van juli 2015 is de huurprijs verhoogd van € 750.00 tot een bedrag van €787,50.

2.7 Er is een achterstand ontstaan in de betaling van de huurtermijnen.

3. Het geschil In conventie

3.1 Eiser vordert - na eis wijziging - dat Gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld, in die zin dat als de een betaalt de ander daarvan zal zijn bevrijd, tot betaling van € 1.897.50 tei zake huurachterstand, berekend tot en met januari 2016, vermeerderd met rente en buitengerechtelijke incassokosten als gespecificeerd in de inleidende dagvaarding, met veroordeling van Gedaagden in de proceskosten.

3.2 Aan deze vordering legt Eiser ten grondslag dat Gedaagden hun huurbetalingsverplichting niet volledig zijn nagekomen. Voor zover Gedaagden stellen dat zij hebben verrekend dan wel opgeschort, stelt Eiser zich op het standpunt dat het beroep hierop in artikel 16 van de algemene huurvoorwaarden is uitgesloten.

3.3 Gedaagden voeren als verweer aan, kort samengevat, dat zij met tot volledige huurbetaling verplicht zijn vanwege aanwezigheid van gebreken aan het gehuurde, waardoor zij niet het volledige huurgenot hebben. Gedaagden stellen dat zij Eiser in kennis hebben gesteld van deze gebreken en dat zij hem hebben verzocht deze te verhelpen dan wel de kosten daarvan aan hen te vergoeden. In het licht van dit laatste hebben zij een door hen opgestelde factuur van 9 septembei 2015 van € 3.854,50 naar Eiser gestuurd. Volgens Gedaagden heeft Eiser geweigerd de werkzaamheden uit te voeren. Daarnaast heeft Eiser geweigerd de factuur te betalen. Gedaagden stellen zich op het standpunt dat de gebreken, en het uitblijven van het betalen van een vergoeding voor herstelkosten, rechtvaardigen dat zij hun betalingsverplichting ter grootte van de sedert 1 juli 2015 doorgevoerde huurverhoging opschorten en dat zij gerechtigd zijn deze betalingsverplichting opgeschort te laten totdat Eiser de gebreken heeft hersteld, dan wel deze heeft vergoed. Daarnaast stellen Gedaagden dat zij met instemming van Eiser een bedrag van € 385,00 mochten verrekenen met de huur van de maand april (wegens geleden schade aan een auto en een hek ten gevolge van het omvallen van de boom), maar dat Eiser daarop teruggekomen is. Het bedrag van € 385,00 (vermeerderd met incassokosten) mocht vervolgens betaald worden in maandelijkse termijnen van € 50,00. Daaraan houden Gedaagden zich, zodat een bedrag van € 385.00 niet ineens opeisbaar is, aldus Gedaagden.

3.4. Op hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

In reconventie

3.5. Gedaagden vorderen dat de kantonrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:

a)   Eiser veroordeelt tot betaling van € 7.275,94 exclusief BTW voor herstelwerkzaamheden en € 385,00 als schadevergoeding,

b)   Eiser veroordeelt tot het herstel van de keukenkastjes op straffe van verbeurte van een dwangsom; of

Eiser veroordeelt een door de kantonrechter te bepalen bedrag voor herstel van de keukenkastjes aan Gedaagden te betalen; of

voor recht verklaart dat Gedaagden de betaling van de huurverhoging mogen (blijven) opschorten zo lang de keukenkastjes niet door Eiser op deugdelijke wijze zijn vervangen,

c)         Eiser veroordeelt tot betaling van € 1.000,00 aan gederfd woongenot,

d)   voor recht verklaart dat Gedaagden de toegewezen bedragen mogen verrekenen met (een deel van) toekomstige huurpenningen en/of verhogingen.

e) met veroordeling van Eiser in de proceskosten en de nakosten.

3.6. Ter onderbouwing van de reconventionele vorderingen hebben Gedaagden aangevoerd dat, nu Eiser heeft nagelaten de gebreken te herstellen, zij gerechtigd zijn de gebreken zelf te (laten) herstellen) en dat zij bevoegd zijn de kosten hiervan op Eiser te verhalen. De kosten terzake het herstel van de badkamer, herstel lekkage schade, vervangen vaatwasser, kort zagen boom en herstel schutting/poort belopen volgens Gedaagden € 3.175,94 exclusief btw. Verder wordt door Gedaagden aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade aan de auto en het hek (door het omvallen van een boom) van € 385,00. Ook heeft Eiser volgens Gedaagden nagelaten het onderhoud en schilderwerk aan de kozijnen van de ramen en deuren te verrichten, de lekkage aan de dakramen te herstellen en het onderhoud en het schilderwerk aan het tuinhuis te verrichten. De kosten hiervan worden door Gedaagden begroot op € 4.100,00 exclusief btw. Tenslotte heeft Eiser nagelaten de keukenkastjes te vervangen, aldus Gedaagden.

3.7. Eiser betwist dat hij heeft geweigerd de gestelde gebreken te herstellen. In dat verband voert hij aan dat hij op 13 maart 2015 bij het gehuurde langs is geweest om te bekijken welke onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd moesten worden. Daarnaast heeft Eiser zich beroepen op een e-mail van 29 maart 2015. Daarin heeft hij hen bevestigd, naar hij stelt, dat zij zijn overeengekomen dat Gedaagden de opgesomde werkzaamheden zelf zouden uitvoeren op kosten van Eiser. Volgens Eiser hebben Gedaagden hier nooit meer op gereageerd. Daarnaast stelt Eiser dat hij na een acute schademelding van Gedaagden in mei 2015 (waterschade vanuit de badkamer) iemand bij de woning heeft langs laten komen, die uCi gebrek heeft verholpen. I er onderbouwing hiervan heeft Eiser een e-mail van 13 mei 2015 aan Gedaagden overgelegd. Eiser voert voorts aan dat hij en zijn waarnemer heboen geconstateerd dat Gedaagden schade aan het gehuurde hebben toegebracht. Om die reden heeft hij Gedaagden bij brief van 25 juni 2015 gesommeerd zich te onthouder, van hel toebrengen van schade aan het gehuurde, de toegebrachte schade te herstellen, en heeft hij zijn eigen verplichting tot herstel van gebreken opgeschort totdat Gedaagden de door hen ' toegebrachte schade hebben hersteld. Eiser stelt voorts dat hij in de periode van 9 augustus 2015 tot en met 22 september- 2015 heeft getracht een afspraak met Gedaagden te maken om Je won mg te inspecteren eu herstelwerkzaamheden te her-vatten. Op grond van het voorgaande stelt Eiser zich op het standpunt dat hij niet in verzuim verkeert ten aanzien van zijn verplichting gebreken aan het verhuurde te verhelpen. Het bedrag van € 385,00 betreft verder geen schade, maar door Gedaagden gestelde kosten van het inschakelen van een hovenrer voor het wegvoeren van de omgevallen boom. Er is geen schade toegebracht aan liet hek (dat overigens aan Eiser toebehoort) en de auto van Gedaagden. Dit blijkt uit niets aldus Eiser.

3.8 Op hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht wordt hierna, voor zover- nodig, ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie

4.1. Het verweer van Gedaagden dat de dagvaarding nietig is, omdat de door hen gevoerde verweer en daarin niet vermeld worden, gaat niet op. Een dergelijke omissie wordt niet met nietigheid gesanctioneerd (artikel 120 lid 4 Rv.).

4.2. Voor wat betreft de gevorderde betaling van de huurachterstand is volgens Gedaagden een bedrag van € 385,00 niet opeisbaar, omdat daarvoor een betalingsregeling van € 50,00 per maand is getroffen, welke regeling zij deugdelijk nakomen. Gedaagden hebben zich daarnaast beroepen op opschorting ter zake de huurverhoging van € 37,50 per maand met ingang van 1 juli 2015 vanwege gestelde gebreken aan het gehuurde. Tenslotte hebben zij tegen de door Eiser tot 1 december 2015 berekende huurachterstand van € 1.922,50 aangevoeld (onder overlegging van hun productie H) dat zij de maanden augustus 2015 tot en met november 2015 hebben betaald, althans telkens het oorspronkelijk overeengekomen huurbedrag van € 750,00 per maand.

Niet opeisbaarheid van een bedrag van €385,-
4.3.
Het verweer dat van de huurachterstand een bedrag van € 385,00 niet opeisbaar is, houdt geen stand. Tegen de stelling van Gedaagden dat zij dit voor dit bedrag een betalingsregeling hebben getroffen van € 50,00 per maand, heeft Eiser ingebracht dat de gemachtigde, die regeling slechts is aangegaan onder voorbehoud van goedkeuring van Eiser. Gedaagden hebben dan wel betwist dat er een mededeling is verzonden dat Eiser niet akkoord gaat met de betalingiegeling, maar dat is niet relevant. Het ging er immers om dat Eiser zijn goedkeuiing zou geven en niet is gesteld of gebleken dat hij die goedkeuring heeft gegeven. Het enkele feit dat Gedaagden maandelijks € 50,00 zijn gaan overmaken ter nakom ingaan die regeling impliceert nog geen goedkeuring van Eiser met de voorgestelde regeling Daai bij komt dat uit de als productie j bij dagvaarding overgelegde e-mailwisselins tussen Gedaagden en de gemachtigde van Eiser van 8 en 9 juli 2015 genoegzaam op te maken is dat Eiser zijn goedkeuring aan de voorgestelde betalingsregeling juist (expliciet) niet gegeven heeft en dat Gedaagden daarvan op de hoogte zijn gebracht.

Opschorting

4.4. Op zichzelf kan een huurder zijn betalingsverplichting opschorten, indien de verhuurder in de nakoming van zijn verplichtingen te kort schiet. De wettelijke regelingen omtrent opschorting zijn van regelend recht, waarvan bij overeenkomst kan worden afgeweken. Eiser heeft er terecht op gewezen dat in artikel 16 van de huurvoorwaarden de bevoegdheid van Gedaagden om de betaling van de huurprijs op te schorten ofte verrekenen is uitgesloten. Deze bepaling kent enkel een opschortingsrecht of een recht op verrekening aan de huurder toe in het geval van artikel 7:206 BW, welk artikel ziet op het recht op verrekening met de te betalen huurprijs wanneer de verhuurder in verzuim is met het herstellen van gebreken. De verhuurder verkeert in verzuim ter zake het herstel van gebreken aan het gehuurde, indien de huurder hem uitdrukkelijk op deze gebreken heeft gewezen, zij hem in de gelegenheid heeft gesteld deze gebreken te verhelpen, en hem daartoe een laatste termijn heeft gesteld.

4.5. Uit de stellingen van Gedaagden begrijpt de kantonrechter dat zij zich op het standpunt stellen dat zij Eiser hebben gewezen op de beweerde gebreken, maar dat hij desondanks niet tot herstel van die gebreken is overgegaan. Zij stellen zich op het standpunt dat Eiser om die reden in verzuim verkeert. Eiser heeft gemotiveerd betwist dat hij op dit punt in verzuim is, onder verwijzing naar de door hem in het geding gebrachte e- mailcorrespondentie. Uit deze correspondentie volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat Eiser veelvuldig heeft getracht om tot een oplossing te komen voor het herstel van de beweerde gebreken. Uit de reacties van Gedaagden op die e-maiis kan gevoegelijk worden opgemaakt dat het door toedoen van Gedaagden niet tot een afspraak is gekomen. De verwijzing van Gedaagden naar de aanwezigheid van Eiser in december 2015 acht de kantonrechter n iet relevant, nu op dat moment deze procedure aanhangig was, zodat van Eiser niet langer behoefde te worden verwacht dat hij contact met Gedaagden zou opnemen. Bovendien blijkt nergens uit dat Gedaagden Eiser hebben uitgenodigd om in die periode de woning te komen inspecteren. Gedaagden hebben volstaan met een blote ontkenning van de (met stukken onderbouwde) stellingen van Eiser. Gedaagden hebben ook geen e-mail of brief in het geding gebracht, waaruit blijkt dat zij Eiser een laatste termijn hebben gesteld waarbinnen hij de gebreken diende te herstellen. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat Eiser in verzuim verkeert, zodat aan Gedaagden geen opschortingsrecht toekomt.

4.6. Voor wat betreft de hoogte van de gevorderde huurachterstand wordt uitgegaan van de bij conclusie van repliek in conventie gevorderde huurachterstand van € 1.922,50. Bij conclusie van dupliek in reconventie heeft Eiser (onder verwijzing naar zijn productie 15) zijn vordering in conventie terzake van de huurachterstand gewijzigd. Hij heeft enerzijds (tevens) aanspraak gemaakt op betaling van de inmiddels vervallen, en volgens hem niet betaalde huurtermijnen over de maanden december 2015 en januari 2016. Anderzijds heeft hij in mindering gebracht op 6 november 2015 en op 8 december 2015 betaalde bedragen van telkens € 750,00 alsmede op 10 november 2015 en op 7 december 2015 betaalde bedragen van telkens € 50,00 aan zijn gemachtigde. Volgens hem staat er aldus berekend tot 1 februari 2016 nog een bedrag van € 1.897,50 aan achterstallige huur open. Gedaagden hebben echter niet meer kunnen reageren op de stelling van Eiser dat ook de huur van december 2015 en januari 2016 nog niet betaald is. Aan die stelling van Eiser wordt daarom voorbij gegaan. Verder rekening houdende met de laatstgemelde betalingen zal een bedrag van (€ 1.922,50 minus € 1.600,00) € 322,50 aan huurachterstand worden toegewezen. Dit betreft dus de tot 1 december 2015 berekende huurachterstand. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding.

4.7.        Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokoster! (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na ! juli 2012 is ingetreden. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu niet gebleken is dat in de aanmaning aan de gedaagde partij een betalingstermijn van 14 dagen is gegeven ingaande de dag na ontvangst daarvan, zoals vereist door artikel 6:96 lid 6 BW.

4.8.        Gedaagden zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden begroot op:
-dagvaarding           €          94,14
- griffierecht             €          221,00
- salaris advocaat    €          200,00 (2 punten x tarief € 100,00)

Totaal                                   € 515,14

4.9.            De nakosten, waarvan Eiser betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

In reconventie

Vordering sub a, eerste onderdeel: kosten herstelwerkzaamheden

4.10.          Aan de gevorderde veroordeling tot betaling van kosten voor herstelwerkzaamheden leggen Raven c.s, ten grondslag dat Eiser heeft nagelaten herstelwerkzaamheden uit te voeren. Om die reden stellen zij zich op het standpunt dat zij gerechtigd zijn de gebreken zelf te laten herstellen en dat zij bevoegd zijn de kosten daarvan te verhalen op Eiser. Gedaagden stellen dat het gebrek bestaat uit de volgende punten:

•              aan de buitenzijde van de woning:

- schilderwerk, afbrokkelen van voegwerk, lekkage aan dakramen,
- het tuinhuis dat niet wordt onderhouden door Eiser,
- de schutting die door storm is vernield, waardoor de poort niet meer kan worden gebruikt,

•              in de woning:

- de keukenkasten moeten worden vervangen
- de vaatwasser was defect en is door Gedaagden vervangen 
- gebrekkig geplaatste douchecabine
- die geen stoomcabine is zoals is overeengekomen — waardoor lekkage is ontstaan.

4.11.       Eiser betwist dat sprake is van gebreken. Bovendien stellen Gedaagden, zo stelt Eiser, hem niet in de gelegenheid om de noodzakelijke herstelwerkzaamheden uit te voeren, zodat Eiser niet in verzuim is. Gedaagden hebben de werkzaamheden ook nog helemaal niet' uitgevoetd, zodat Gedaagden ook (nog) geen vordering op Eiser hebben. Volgens Eiser is er dan ook geen rechtsgrond voor het gevorderde bedrag, waarvan bovendien iedere onderbouwing ontbreekt.

4.12.       Een gebrek is een staat of eigenschap van de gehuurde zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan \ ei schaffen dat een huurder bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. De verhuurder is verplicht op verlangen van de huurder gebreken te verhelpen, tenzij dit onmogelijk is of uitgaven vereist die in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs niet van de verhuurder zijn te vergen. Bovendien moet de huurder de verhuurder in de gelegenheid stellen om de werkzaamheden uit te voeren.

4. 13. Hoewel uit de stellingen van partijen volgt dat de woning niet in de staat verkeert zoals ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, blijkt uit de stellingen van Eiser en de tei onderbouwing daarvan door hem overgelegde correspondentie eveneens dat Gedaagden niet meewerken aan het plegen van het onderhoud. Blijkens die correspondentie reageren zij niet ofte laat op e-mails van Eiser om een afspraak te maken om de te verrichten weikzaamheden op te nemen. Zij delen aan Eiser mee dat zij er de voorkeur aan geven een procedure bij de kantonrechter af te wachten in plaats van mee te werken aan de ° voorbereidingen van de te verrichten werkzaamheden. Door deze houding van Gedaagden maken zij het Eiser onmogelijk om aan zijn verplichting tot herstel en onderhoud van de woning over te gaan. Nu ook niet is gebleken van een ingebrekestelling door Gedaagden van Eiser, is bovendien geen sprake van verzuim dat noodzakelijk is voor het ontstaan van het recht van Gedaagden om de werkzaamheden zelf te mogen uitvoeren. Gelet hierop komt de kantonrechter niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de gebreken en de gestelde gehoudenheid van Eiser om de kosten daarvan aan Gedaagden te vergoeden. Dit onderdeel van vordering sub a wordt afgewezen.

Vordering sub a, tweede onderdeel: schadevergoeding a € 385,00

4.14.        Gedaagden vorderen vergoeding van schade die zou zijn toegebracht aan de auto en aan het hek doordat de achterstallig onderhouden boom in de tuin van het gehuurde -waarvan Eiser volgens Gedaagden onderhoudsplichtig is - bij een storm is omgewaaid, Eiser heeft echter gemotiveerd betwist dat Gedaagden schade hebben geleden. Nu Gedaagden verder geen enkele onderbouwing hebben gegeven van de gestelde schade (middels overlegging van bijvoorbeeld foto's of een schaderapport), is het bestaan en de omvang daarvan onvoldoende onderbouwd. Dit onderdeel van vordering sub a wordt afgewezen.

Vordering sub b: keukenkastjes

4.15.        Gedaagden vorderen herstel van de keukenkastjes, dan wel betaling van een bedrag voor het herstel daarvan, dan wel een verklaring voor recht dat zij de betaling van de huurverhoging mogen opschorten totdat de keukenkastjes zijn hersteld. Eiser verweert zich hiertegen. Volgens hem hebben Gedaagden de keuken vernield, nu deze bij het aangaan van de huurovereenkomst in 2012 in goede staat was, hetgeen ook is vastgesteld in de huurovereenkomst. Om deze reden zijn Raven c.s, zelf gehouden voor herstel te zorgen en de kosten daarvan zelf te dragen. Ook hebben Gedaagden Eiser nooit meegedeeld dat de vaatwasser defect was, Eiser heeft dan ook geen toestemming gegeven om kosten te maken om deze te vervangen. Vergoeding van die kosten is daarom niet aan de orde, aldus Eiser.. Gedaagden hebben na dit verweer van Eiser hun vordering niet nader onderbouwd. Zij zijn op het voormelde verweer van Eiser niet meer ingegaan. Bij gebreke van een voldoende onderbouwing van de vordering zal deze dan ook worden afgewezen.

Vordering sub c: gederfd woongenot

4.16.        Zoals hiervoor onder 4.13 overwogen is de kantonrechter van oordeel dat Gedaagden zelf debet zijn aan het feit dat tot op heden geen onderhoudswerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding van gederfd woongenot is de kantonrechter daarom van oordeel dat het niet meewerken aan onderhoudswerkzaamheden tot gevolg heeft dat (voor zover daar al sprake van zou zijn) het gederfd woongenot dit voor een aanmerkelijk deel het gevolg is van de eigen opstelling van Gedaagden Om die reden moet ook deze vordering worden afgewezen.

Vordering sub d: verrekening

4.17.      Nu geen van de geldvorderingen worden toegewezen, behoeft deze vordering geen beoordeling, Deze wordt afgewezen..

Verzoek descente en benoeming deskundige

4.18.      Omdat de vorderingen van Gedaagden integraal worden afgewezen, ziet de kantonrechter geen aanleiding tot het gelasten van een descente, en ook niet tot hei aanwijzen van een deskundige. Deze vorderingen worden afgewezen.

Proceskosten en nakosten

4.19.        Gedaagden worden als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden begroot op € 200,00 (2 punten x 0,5 x € 200,00) voor salaris gemachtigde.

4.20.        Nu de hoofdvorderingen integraal worden afgewezen, in voor toewijzing van

nakosten geen plaats. Deze worden afgewezen.

5. De beslissing

De kantonrechter

In conventie

5.1.          veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan Eiser van een bedrag van € 322,50, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:1 19 BW vanaf 27 augustus 2015 tot aan de dag van volledige betaling,

5.2.          veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op €515,14,

5.3. veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Eiser volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

-   € 50,00 aan salaris gemachtigde,

-   te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.4.          verklaart dit vonnis tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.          wijst het meer of anders gevorderde af,

In reconventie

5.6.        wijst de vorderingen af,

5.7.        veroordeelt Gedaagden in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op € 200,00,

5.8.      verklaart dit vonnis wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.