Verklaring van partijgetuige is alleen voor aanvulling van onvolledig bewijs

In de rechtszaak is het aan de gedaagde partij (huurder) om te bewijzen dat zij de huur over de maanden april 2014 tot en met juli 2014 aan de eiser (verhuurder) heeft betaald. De huurder zegt namelijk dat ze dit contant heeft gedaan, maar heeft hier geen kwitanties van. Om de betalingen te bewijzen gaat de huurder zelf getuigen. Ze verklaard dat ze op 13 oktober 2016 is gaan pinnen en ze laat haar bankafschriften zijn. Vervolgens zegt de huurder dat ze na het pinnen naar haar vader is gegaan en hem het geld zou hebben overhandigd.

De rechter geeft aan dat haar verklaring alleen kan strekken tot aanvulling van onvolledig bewijs. Dit is omdat zij partijgetuige is. De huurder verklaart dan wel over de door haar gestelde contante betalingen, maar deze verklaring wordt niet ondersteund door stukken of andere getuigenverklaringen. Dat haar bankafschriften laten zien dat ze €600,- heeft gepind laat nog niet zien wat na de pintransactie met dit geld is gebeurd. De rechter concludeerd dan ook dat niet bewezen is dat gedaagde de huur contant heeft betaald. De gedaagde verliest dan ook de gerechtelijke procedure. Omdat de partijen familie van elkaar zijn bepaald de rechter dat elke partijen zijn eigen kosten draagt.

Datum: 23 maart 2017
Rechtbank: Rechtbank Rotterdam
Zaaknummer: 3975550 CV EXPL 15-2430

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van:

EISER,

wonende te,

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung,

tegen:

GEDAAGDE,

wonende te Heerjansdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde mr. drs. P.A. Visser.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

I.          het tussenvonnis van 15 september 2016 en de daarin genoemde stukken;

2.          de akte aan de zijde van gedaagde;

3.          het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 december 2016;

4.          de conclusie na enquête aan de zijde van gedaagde;

5.          de akte van uitlating aan de zijde van eiser;

6.          de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

1.          De inhoud van het op 15 september 2016 gewezen tussenvonnis wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Beoordeling van het geschil

In conventie

2.          Bij tussenvonnis van 15 september 2016 is gedaagde een bewijsopdracht gegeven. Gedaagde is opgedragen te bewijzen dat zij de huurpenningen over de maanden april 2014 tot en met juli 2014 aan eiser heeft betaald. Bij akte heeft gedaagde vervolgens drie producties in het geding gebracht en bericht dat zij daarnaast bewijs wenste te leveren door middel van het horen van zichzelf als getuige.

3.          Door gedaagde is tijdens het op 1 december 2016 gehouden getuigenverhoor onder meer verklaard:

"U houdt mij voor productie A bij de akte van 13 oktober 2016 zijnde een overzicht van betalingen van mijn bankrekening. Daaruit blijkt dat ik op 19 april een bedrag van zeshonderd euro heb opgenomen. Nadat ik dat bedrag heb opgenomen, ben ik naar mijn vader gegaan en heb hem dat geld overhandigd. Het betrof de huur over de maand april 2014. Er was behalve mijn vader en ik niemand bij die overhandiging aanwezig.

Aan productie B die u mij voorhoudt van dezelfde akte heb ik niets toe te voegen. Die spreekt voor zich. Daaruit blijkt dat op 6 mei een betaling van een bedrag van zeshonderd euro heeft plaatsgevonden."

4.           Ten aanzien van het door haar te leveren bewijs is gedaagde partijgetuige. Haar verklaring kan derhalve alleen strekken tot aanvulling van onvolledig bewijs. Gedaagde verklaart over de door haar gestelde contante betaling van de huur in april 2014. Deze verklaring wordt niet ondersteund door stukken of andere getuigenverklaringen. Gedaagde heeft weliswaar een bankafschrift in het geding gebracht, waaruit blijkt dat 19 april 2014 een bedrag van € 600,-- is gepind in Ridderkerk, maar daaruit blijkt niet wat na de pintransactie met dit geld is gebeurd. Geconcludeerd moet dan ook worden dat niet bewezen is dat gedaagde de huur over de maand april 2014 contant heeft betaald.

5.           Gedaagde heeft voorts een transactieoverzicht van haar bankrekening in het geding gebracht. Daaruit blijkt dat op 6 mei 2014 een bedrag van € 600,- van haar bankrekening is afgeschreven. Eiser heeft erkend dat hij dit bedrag van gedaagde heeft ontvangen. Volgens eiser is dit bedrag toegerekend aan de vordering van de huur over de maand maart 2014. Hiervoor is reeds overwogen dat niet is komen vastte staan dat gedaagde in april 2014 een contante betaling heeft gedaan aan eiser. Op grond van het bepaalde in artikel 6:43 BW mocht eiser daarom de huurbetaling van 6 mei 2014 op de oudst openstaande vordering - in dit geval de huur over maart 2014 - in mindering brengen.

6.           Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat gedaagde niet geslaagd is in de levering van het haar opgedragen bewijs. Gesteld noch gebleken is dat gedaagde meer betalingen heeft verricht dan thans opgenomen in het overzicht van eiser (productie 6). Zoals reeds overwogen onder 8 in het tussenvonnis van 15 september 2016 komt gedaagde bij deze stand van zaken geen beroep toe op een opschortingsrecht. De gevorderde huurachterstand van € 7.200,— is daarom toewijsbaar.

7.          Door de achterstand in de huurbetalingen is sprake van verzuim aan de zijde van gedaagde. Gedaagde is daarom eveneens wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd. Daarbij wordt de wettelijke rente op na te melden wijze toegewezen.

8.           Ten aanzien van de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wordt het volgende overwogen. Eiser heeft ter zitting erkend dat hij met de conclusie van antwoord kennis heeft genomen van de opzegging van de huurovereenkomst door gedaagde. Nu deze opzegging eiser in ieder geval op 3 juni 2015 heeft bereikt, moet er van worden uitgegaan dat thans geen sprake meer is van een huurovereenkomst tussen partijen. Voor de vordering tot ontbinding bestaat derhalve geen grondslag meer. Dit deel van de vordering dient daarom te worden afgewezen.

In reconventie

9.           Gedaagde heeft haar vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en vergoeding van schade voorwaardelijk ingesteld, namelijk voor het geval geoordeeld wordt dat sprake is van een huurovereenkomst die thans nog voortduurt. Zoals hiervoor onder 7 is overwogen, is daarvan geen sprake. De reconventionele vorderingen worden daarom afgewezen.

In conventie en in reconventie

10. Gelet op het feit dat partijen in een familierelatie tot elkaar staan worden de proceskosten gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt gedaagde aan eiser te betalen een bedrag van € 7.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de opeisbaarheid van de huurtermijnen tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde aan eiser te betalen een bedrag van € 889,35 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie:

wijst de vorderingen af;

in conventie en in reconventie:

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.P.M. Weusten en uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.