Terugbetalingsverplichting na verkoop auto aan derde zonder ingebrekestelling eerste koper

De gedaagde (verkoper) in deze zaak was eigenaar van een Lancia Delta, die hij wou verkopen aan een koper (eiser). Er is toen afgesproken dat dit in drie termijnen betaald zou worden. Na betaling van de laatste termijn zou de auto aan de koper worden geleverd. Het tweede termijn wordt maar half betaald en vervolgens zegt de koper dat hij zijn baan en inkomen is kwijtgeraakt. Daarbij schrijft hij dat er geen enkele garantie is of en wanneer eventueel iets betaald zou kunnen worden. Later ziet de koper op internet dat de verkoper de auto heeft verkocht aan iemand anders. Hij vraagt dan ook de aanbetalingen terug. De verkopen reageert hierop dat de kosten hoger zijn geweest dan de aanbetaling en wilt het geld niet terug betalen. De verkoper zegt dat hij de overeenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden, omdat de koper in de overeenkomst tekort zou schieten. De auto is voor €1.230,- minder verkocht. Het van de koper ontvangen bedrag van €1.000,- zou de verkoper als zijn schade verrekenen, zodat er geen reden zou zijn om de koper terug te betalen. De rechter vindt dat als iemand aangeeft niet precies te weten wanneer hij kan betalen, dit niet een uitdrukkelijke mededeling is dat hij dit ook niet meer gaat doen. Doordat de auto aan een derde is verkocht, is de overeenkomst tussen de eiser en gedaagde ontbonden. Dit had niet gemogen. De vordering tot terugbetaling van de €1.000,- wordt toegewezen door de rechter.

Datum: 28 april 2014
Rechtbank: Noord Holland, Afdeling Privaatrecht Sectie Kanton - locatie Hoorn
Zaaknummer: 2360476 \ CV EXPL 13-2713 BL

Vonnis

in de zaak van

Eiser, wonende te, eisende partij in conventie / verwerende partij in reconventie, verder ook te noemen: Eiser

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam

tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie, verder ook te noemen: Gedaagde

gemachtigde: M.A. Brouwer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Zaandam

Het procesverloop in conventie en in reconventie

1. Eiser heeft bij dagvaarding van 11 september 2013 in conventie een vordering ingesteld. Gedaagde heeft in conventie bij antwoord verweer gevoerd en in reconventie een tegenvordering ingesteld. Vervolgens heeft Eiser van repliek in conventie gediend en in reconventie bij antwoord verweer gevoerd. Daarna is gediend van dupliek in conventie/repliek in reconventie en van dupliek in reconventie. De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast. Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

De feiten

in conventie en in reconventie

2. De kantonrechter neemt de volgende feiten als vaststaand aan, omdat deze door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist.

3. Gedaagde was eigenaar van een Lancia Delta (verder: de auto), die hij begin juli 2012 heeft verkocht aan Eiser. Daarbij spraken partijen af dat Eiser de koopprijs van € 2.700,00 als volgt zou betalen. Een directe aanbetaling van € 500,00, dan € 1.100,00 eind juli 2012 en de resterende € 1.100,00 op 11 september 2012. Na betaling van de laatste termijn zou de auto aan Eiser worden geleverd.

4. Eiser heeft op 10 juli 2012 een bedrag van € 500,00 aan Gedaagde betaald en op 27 juli 2012 nog eens € 500,00, in plaats van de overeengekomen € 1.100,00. Gedaagde heeft Eiser een week extra gegeven om de resterende € 600,00 van deze termijn te betalen. Eiser betaalt niet binnen deze termijn, en laat aan Gedaagde weten dat hij op 14 augustus 2012 weer een bedrag zou kunnen betalen. Daarop vraagt Gedaagde aan Eiser om te laten weten wanneer de rest betaald kan worden, of hoe Eiser het anders wil/kan oplossen.

5. Op 17 augustus 2012 schrijft Eiser in een e-mail aan Gedaagde dat hij zijn baan en inkomen is kwijtgeraakt. Daarbij schrijft Eiser dat hij geen enkele garantie kan geven of en wanneer eventueel iets betaald zou kunnen worden. Daarbij geeft Eiser Gedaagde in overweging te onderzoeken of een van de andere geïnteresseerden nog iets met de auto zou willen.

6. In reactie daarop schrijft Gedaagde op 17 augustus 2012:

"Je zet mij wel in een vrij lastige positie met dit slechte nieuws op zo 'n laat moment... Wachten op het geld wordt niet de oplossing, en hem zo snel verkopen zal ook niet bepaald eenvoudig zijn. Ik begrijp je redenen, maar snap dat dit voor mij ook niet fijn is. We spreken later nog wel even. "

7. Op 10 september 2012 leest Eiser op een forum dat Gedaagde de auto heeft verkocht aan een derde en spreekt Gedaagde hierop aan in een e-mail. Daarbij schrijft Eiser dat hij hoopt dat Gedaagde er een redelijke prijs voor heeft gekregen, en vraagt of en wanneer hij de aanbetalingen terugkrijgt. Gedaagde reageert hierop diezelfde dag met een e-mail waarin hij bevestigt dat de auto is weggegaan, maar dat zijn kosten/verlies hoger is geweest dan de aanbetaling.

De geschillen

in conventie

8. Eiser vordert veroordeling van Gedaagde tot terugbetaling van € 1.000,00. Ook vordert Eiser betaling van wettelijke rente (tot 30 augustus 2013 berekend op € 29,76) en incassokosten (€ 181,50). Daarbij stelt Eiser — kort weergegeven — het volgende. Eiser heeft Gedaagde ingelicht over zijn financiële situatie en aangegeven de overeengekomen betaalregeling niet te kunnen nakomen. Gedaagde heeft Eiser meer tijd gegeven het restant te voldoen en in reactie op de e-mail van Eiser d.d. 17 augustus 2012 aangegeven hierover later met elkaar in contact te zullen treden. Uit de e-mail van Eiser mocht Gedaagde niet afleiden dat Eiser zeker niet zou nakomen. Gedaagde heeft Eiser niet in gebreke gesteld en de overeenkomst niet ontbonden. Onder deze omstandigheden verkeerde Eiser in de veronderstelling dat partijen gezamenlijk een oplossing zouden zoeken en was geen sprake meer van een fatale betaaltermijn, zodat Eiser niet in verzuim is geraakt. En al zou er nog sprake zijn van een fatale betaaltermijn, te weten 11 september 2012, dan heeft Gedaagde de auto voor die tijd aan een derde verkocht. Daarmee is nakoming van de zijde van Gedaagde blijvend onmogelijk geworden en sprake van schuldeisersverzuim, zodat Gedaagde het door Eiser betaalde deel van de koopprijs moet terugbetalen. Het feit dat Gedaagde de auto voor 11 september 2012 voor een veel lagere prijs aan een derde heeft verkocht komt voor rekening en risico van Gedaagde.

9. Gedaagde heeft verweer gevoerd. Daartoe stelt Gedaagde - samengevat - het volgende. Partijen hebben voor de voldoening van de koopsom termijnen bepaald. Eiser heeft niet binnen deze termijnen betaald. Bovendien heeft Eiser op 17 augustus 2012 aan Gedaagde meegedeeld niet te weten of en wanneer hij het resterende deel van de koopprijs zou kunnen betalen. Uit deze mededeling mocht Gedaagde afleiden dat Eiser in de nakoming van de overeenkomst tekort zou schieten. Eiser is hiermee in verzuim is komen te verkeren
zonder dat een ingebrekestelling nodig was, waardoor Gedaagde buitengerechtelijk mocht ontbinden. Omdat er onduidelijkheid bestaat of de overeenkomst daadwerkelijk buitengerechtelijk is ontbonden heeft Eiser dit bij brief van zijn gemachtigde d.d. 15 november 2013 gedaan. Op grond van artikel 6:277 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Eiser verplicht de schade te vergoeden die Gedaagde lijdt, omdat de ontbinding is gegrond op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst door Eiser.
Gedaagde heeft de auto voor € 1.470,00 aan een derde verkocht. Dit is € 1.230,00 minder dan hetgeen Gedaagde zou hebben ontvangen wanneer Eiser zich aan zijn verplichtingen had gehouden. Het van Eiser ontvangen bedrag van € 1.000,00 mag Gedaagde met zijn schade verrekenen, zodat geen rechtsgrond bestaat voor terugbetaling daarvan aan Eiser.

in reconventie

10. Gedaagde vordert in reconventie veroordeling van Eiser tot betaling van € 230,00, zijnde het na verrekening in conventie resterende deel van de door Gedaagde geleden schade.

11. Bij de beoordeling zal zo nodig nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling van de geschillen

in conventie

12. De vordering van Eiser tot terugbetaling van € 1.000,00 wordt toegewezen en de kantonrechter overweegt daarover het volgende.

13. Partijen zijn het eens over de inhoud van de door hen gesloten koopovereenkomst, waarbij een betaling in termijnen is afgesproken. Verder staat vast dat Eiser zich niet aan deze betaalafspraak heeft gehouden.

14. Gedaagde stelt tot zijn verweer dat hiermee sprake is van een tekortkoming van Eiser die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt, en waardoor Eiser aansprakelijk is voor door Gedaagde geleden schade, die hoger is dan het door Eiser betaalde bedrag van € 1.000,00. Pas wanneer sprake is van verzuim aan de zijde van de Eiser kan het niet tijdig betalen worden gekwalificeerd als een tekortkoming, op grond waarvan ontbinding en/of schadevergoeding mogelijk is. Tenzij nakoming tijdelijk of blijvend onmogelijk is, maar dat is in deze zaak niet gesteld of gebleken. De bewijslast van het in verzuim zijn van Eiser rust op Gedaagde.

15. Uitgangspunt is dat het verzuim intreedt na ingebrekestelling (artikel 6:82 BW), tenzij sprake is van een uitzondering als bedoeld in artikel 6:83 BW. Ratio van het ingebrekestellingsvereiste en het verzuim is gelegen in de vraag tot welk moment de schuldenaar nog zonder meer, schadevrij bevrijdend kan presteren. De ingebrekestelling is in dat verband op te vatten als een laatste waarschuwing aan de schuldenaar. Vaststaat dat geen ingebrekestelling van Eiser heeft plaatsgevonden. Volgens Gedaagde is dat ook niet nodig omdat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 6:83 onderdeel a en c BW. De kantonrechter volgt Gedaagde hierin niet.

16. Uit de stukken, waaronder met name het door Gedaagde zelf in een e-mail van 15 maart 2013 gegeven feitenrelaas (productie 2 bij dagvaarding), blijkt dat Gedaagde tot twee maal toe uitstel heeft gegeven voor de betaling van de achterstand van € 600,00. De eerste keer heeft Gedaagde een week extra aan Eiser gegeven, de tweede keer heeft Gedaagde aan Eiser gevraagd of hij even kon laten weten wanneer hij kon betalen, of hoe hij het anders zou willen of kunnen oplossen. Gedaagde geeft ook in zijn e-mail van 17 augustus 2012 geen concrete nadere termijn aan Eiser voor nakoming van zijn betalingsverplichting. Onder deze omstandigheden is geen sprake van een voor de voldoening bepaalde termijn als bedoeld in artikel 6:83 onder a BW, waarbij het verzuim intreedt zonder ingebrekestelling wanneer niet binnen deze termijn betaald wordt.

17. Verder is de kantonrechter van oordeel dat de e-mail van Eiser d.d. 17 augustus 2012, waarin Eiser aangeeft dat hij geen enkele garantie kan geven of en wanneer iets betaald kan worden, niet gekwalificeerd kan worden als een uitdrukkelijke mededeling dat Eiser niet zou gaan nakomen als bedoeld in artikel 6:83 onder c BW. Te meer gezien de reactie daarop diezelfde dag van Gedaagde, waarin hij zijn dilemma's aan Eiser voorlegt en besluit met de opmerking dat partijen het later nog maar eens moeten bespreken.

18. Gedaagde heeft vervolgens de auto verkocht aan een derde, waardoor de overeenkomst met Eiser is ontbonden. Dit stond Gedaagde gelet op het voorgaande niet vrij. Gedaagde had Eiser eerst in gebreke moeten stellen, door hem schriftelijk aan te manen en een redelijke termijn voor nakoming te geven, of in elk geval schriftelijk mee te delen dat Eiser voor het uitblijven van de betaling aansprakelijk wordt gesteld. Dit is niet gebeurd en daarmee is Eiser niet in verzuim geraakt, zodat geen sprake is van een tekortkoming die Gedaagde het recht gaf de overeenkomst te ontbinden. Daarmee is niet relevant de discussie die partijen voeren over de vraag of de auto op 10 dan wel 12 september 2012 aan een derde is verkocht.

19. Doordat Gedaagde de auto aan een derde heeft verkocht en de overeenkomst met Eiser is ontbonden ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaan making van reeds ontvangen prestaties, en dus tot terugbetaling aan Eiser van het door hem betaalde bedrag van € 1.000,00. Het verweer van Gedaagde dat daarmee verrekend moet worden de door hem geleden schade van € 1.230,00 slaagt niet. Zoals hiervoor al is overwogen is Eiser niet in verzuim geraakt, zodat geen sprake is van een tekortkoming op grond waarvan Eiser gehouden is tot vergoeding van schade aan Gedaagde.

20. De  wettelijke rente over € 1.000,00 wordt toegewezen zoals gevorderd, omdat niet is bestreden dat Gedaagde dit bedrag, ondanks herhaalde aanmaning onbetaald heeft gelaten en daarmee is verzuim is gekomen.

21. Verder maakt Eiser aanspraak op € 181,50 (inclusief btw) voor buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, omdat het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De gemachtigde van Eiser heeft aan Gedaagde een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW, en voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en wordt toegewezen.

22. Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal de kantonrechter niet ingaan, omdat dit niet tot een andere beslissing leidt.

in reconventie

23. Onder verwijzing naar hetgeen in conventie is overwogen en beslist is niet toewijsbaar de vordering van Gedaagde tot betaling van (het na verrekening in conventie resterende deel van de) door Gedaagde geleden schade.

in conventie en in reconventie

24. De proceskosten komen voor rekening van Gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij, terwijl de proceskosten in reconventie wegens de nauwe samenhang van de zaak in conventie en die in reconventie worden vastgesteld op nihil. Daarbij wordt Gedaagde ook veroordeeld tot betaling van € 50,00 aan nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Eiser worden gemaakt.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

Veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen € 1.211,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.000,00 vanaf 30 augustus 2013 tot de dag van betaling.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

Wijst de vordering af.

in conventie en in reconventie

Veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, die tot heden voor Eiser worden vastgesteld op een bedrag van € 505,81 (6 92,81 aan dagvaardingskosten, € 213,00 aan griffierecht en een bedrag van € 200,00 voor salaris van de gemachtigde van Eiser), en een bedrag van € 50,00 voor nasalaris, voor zover daadwerkelijk nakosten door Eiser worden gemaakt.

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 28 april 2014 in het openbaar uitgesproken.