Vernietiging algemene voorwaarden omdat verwijzing naar website onvoldoende is

De eiser heeft een stichting opdracht gegeven om brandschade te verhelpen. Hierbij is afgesproken dat de kosten van de stichting zouden vallen onder de kosten die door de verzekeringsmaatschappij worden vergoed. Hierdoor zouden er dus geen kosten voor de eiser komen. Op verzoek van de stichting heeft de eiser wel de voorschotnota van € 2.975,00 aan de stichting voldaan. Deze betaling is dus onverschuldigd gedaan. Dit houdt in dat er een geldsom is gegeven zonder dat daar een rechtsgrond voor was en dat deze betaling terug gevorderd kan worden. De stichting weigert het bedrag terug te betalen en zegt dat er geen sprake is van onverschuldigde betaling. In de algemene voorwaarden van de overeenkomst staat dat een voorschot niet wordt terugbetaald indien sprake is van voortijdige beëindiging van de opdracht. De eiser beroept zich op vernietigbaarheid van deze algemene voorwaarden. Volgens artikel 6:233 BW is een algemene voorwaarden vernietigbaar, als er geen mogelijkheid is geboden om kennis te nemen van deze algemene voorwaarden. Er is bij het sluiten van de overeenkomst geen algemene voorwaarden overhandigd. Alleen verwijzen naar een website is niet voldoende, waardoor eiser terecht de vernietiging van de algemene voorwaarden inroept.

Datum: 7 augustus 2013
Rechtbank: Gelderland, Team kanton en handelsrecht, Zittingsplaats Apeldoorn
Zaaknummer: 518776 CV EXPL 13-1371

Vonnis

in de zaak van

Eiser, wonende te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung (IntoCash, Rotterdam),

tegen

Gedaagde, tevens handelend onder de naam Gedaagde, gevestigd te, gedaagde partij, procederend bij haar adviseur, A.

Partijen worden hierna Eiser en de Stichting genoemd.

Het procesverloop

Dit verloop blijkt uit:

het tussenvonnis van 15 mei 2013, waarin een comparitie is bepaald
de brief van de zijde van Eiser van 11 juli 2013 met bijlagen
de comparitie van partijen, gehouden op 24 juli 2013. De griffier heeft hiervan aantekeningen gemaakt.
Ter zitting zijn van de zijde van de Stichting producties overgelegd.

Vervolgens is vonnis bepaald.

Het geschil

Eiser vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, De Stichting zal veroordelen tot betaling van

€ 2.975,00 in hoofdsom,
de wettelijke rente hierover, tot 13 maart 2013 € 319,08,
€ 422,50 buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met € 88,72 BTW
de proceskosten, waaronder de nakosten.

Eiser voert daartoe aan dat hij de Stichting op 6 oktober 2011 opdracht heeft gegeven tot het afwikkelen van een brandschade met zijn verzekeringsmaatschappij Daarbij is overeengekomen dat de kosten van de Stichting zouden vallen onder de kosten die door de verzekeringsmaatschappij worden vergoed, zodat geen kosten voor rekening van Eiser zouden komen. Op verzoek van de Stichting heeft Eiser wel de voorschotnota van 18 oktober 201 l ad € 2.975,00 inclusief BTW aan de Stichting voldaan. De Stichting heeft echter, naar later bleek, op 10 oktober 2011 hetzelfde voorschot aan Univé in rekening gebracht en voldaan gekregen. De betaling door Eiser is onverschuldigd gedaan, dan wel de Stichting is ongerechtvaardigd verrijkt voor dit bedrag. Desondanks weigert de Stichting het bedrag terug te betalen. Eiser heeft daardoor buitengerechtelijke incassokosten moeten maken, die voor rekening van de Stichting dienen te komen. Eiser betwist dat algemene voorwaarden zijn overeengekomen en beroept zich subsidiair op de vernietigbaarheid van de door de Stichting aangevoerde bepalingen.

De Stichting voert verweer tegen de vordering. De Stichting voert daartoe aan dat geen sprake is van onverschuldigde betaling. Partijen zijn niet overeengekomen dat Eiser geen betaling verschuldigd zou zijn. De voorschotten die aan Univé en Eiser in rekening zijn gebracht zien niet op dezelfde werkzaamheden. Eiser heeft de opdracht aan de Stichting op 15 juli 2012 ingetrokken. Er waren toen al voor meer dan 2 x € 2975 00 werkzaamheden verricht. Overigens zijn op de overeenkomst van partijen algemene voorwaarden van toepassing, waarin is opgenomen dat een betaald voorschot niet wordt terugbetaald indien sprake is van voortijdige beëindiging van de opdracht.

De beoordeling

Waar Eiser zijn vordering baseert op een onverschuldigde betaling, stelt de Stichting dat de betaling wel verschuldigd was, namelijk op basis van de overeenkomst van partijen en de daarbij behorende algemene voorwaarden. Van belang is te beoordelen wat de overeenkomst van partijen inhoudt.

Zoals ter zitting door partijen uiteengezet, is het eerste contact geweest op 6 oktober 2011, welk contact telefonisch is verlopen. Volgens A/de Stichting is in het telefoongesprek onder andere besproken dat getracht zou worden de kosten bij de verzekeraar neer te leggen, dat het uurtarief van de stichting € 140,- per uur bedroeg en dat leveringsvoorwaarden van toepassing zijn. Omdat hij in een eerste gesprek een voorschotnota pleegt te noemen gaat A er van uit dat dit in het gesprek met Eiser ook besproken zal zijn.

Eiser heeft uitdrukkelijk betwist dat in het eerste gesprek over een uurtarief, leveringsvoorwaarden of een voorschotnota gesproken is. Volgens hem is toegezegd dat de kosten van de Stichting voor rekening van Univé zouden komen. Dit kwam overeen met hetgeen Eiser eerder in een artikel over de Stichting had gelezen. De Stichting heeft voor haar stellingen geen onderbouwing gegeven, zodat daaraan, gelet op de gemotiveerde betwisting door Eiser, voorbij wordt gegaan.

Vast staat dat partijen geen andere schriftelijke vastlegging van hun afspraken hebben gemaakt dan het op 6 oktober 2011 gedateerde stuk dat door hen beiden is overgelegd en dat het opschrift draagt "OPDRACHT/MACHTIGING/CESSIEAKTE" Hierin is te lezen:

"Hierbij verleent ondergetekende, de heer Eiser, (...) opdracht en machtiging aan Gedaagde om ter zake voor hem op te treden en zijn belangen te behartigen. Tevens cedeert ondergetekende het alsdan vastgestelde en door de verzekeraar uit te betalen schadebedrag aan Gedaagde voor zover dit de declaratie van Gedaagde betreft, zodat deze kosten rechtstreeks aan de verzekeraar gefactureerd en door deze aan Gedaagde vergoed kunnen worden.(...)".

Onder deze tekst en de handtekeningen is voorgedrukt:

"(...) Op alle opdrachten zijn leveringscondities van toepassing, zoals verwoord op www….com.".

Uit deze tekst is niet op te maken dat Eiser zich verbonden heeft aan de Stichting enige betaling te verrichten, noch dat hij gehouden was voorschotten te betalen. Evenmin is daarin de hoogte van enige aan de Stichting toekomende en door Eiser te betalen vergoeding af te leiden. Integendeel, de tekst gaat er van uit dat de kosten van de Stichting door deze rechtstreeks bij de verzekeraar zullen worden gefactureerd en door deze aan de Stichting zullen worden vergoed, zonder verdere tussenkomst van of informatie aan Eiser.

De Stichting beroept zich op haar algemene voorwaarden. Hierin is in artikel 4 opgenomen:

"( .. .) 4.1. Indien het honorarium niet nader is overeengekomen bedraagt dit € 140,00 per uur excl. BTW. Opdrachtgever conformeert zich met het verstrekken van de opdracht hieraan. (...)
4.3. Gedaagde kan aan opdrachtgever een voorschot verlangen, welk voorschot strekt tot zekerheid van de aan opdrachtgever in rekening te brengen kosten en honoraria. Een voorschot wordt verrekend met de eindafrekening van de opdracht. (...) Bij het intrekken van een opdracht door opdrachtgever vervalt het voorschot onverkort aan Gedaagde, ook al zjin nog geen - al dan niet toereikende - werkzaamheden daarvoor verricht. ( .. .)
4.4. Gedaagde zal haar kosten- indien mogelijk en van toepassing- altijd bij de aansprakelijke partij of diens verzekeraar trachten neer te leggen. Als een opdracht wordt ingetrokken is die mogelijkheid veelal niet meer aanwezig. In alle gevallen waarin opdrachtgeer een opdracht intrekt komen alle kosten van Gedaagde onverkort voor rekening van de opdrachtgever. ( .. .)".

Eiser betwist dat de toepasselijkheid van deze voorwaarden overeengekomen is en, voor het geval dat wel zo zou zijn, beroept zich op vernietiging van het hiervoor genoemde artikel 4.

In het midden kan blijven of de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van de Stichting is overeengekomen, nu Eiser zich terecht beroept op de vernietigbaarheid daarvan. Volgens het bepaalde in artikel 6:233 BW is een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar - onder andere - indien de gebruiker aan de wederpartij niet een redelijke mogelijkheid heeft geboden om van de algemene voorwaarden kennis te nemen. Deze situatie is volgens artikel 6:234 BW aanwezig indien de gebruiker de algemene voorwaarden niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan de wederpartij ter hand heeft gesteld. Gesteld noch gebleken is dat de Stichting een exemplaar van de algemene voorwaarden aan Eiser heeft overhandigd voorafgaand of bij het sluiten van de overeenkomst. De enkele verwijzing naar een website is daarvoor onvoldoende, zodat Eiser terecht de vernietiging van (artikel 4 van) de algemene voorwaarden inroept. Los daarvan kan het in artikel 4 opgenomen vervallen van een betaald, maar nog niet verbruikt voorschot bij het intrekken van een opdracht de wettelijke toets op voorhand niet doorstaan Een bepaling die een dergelijke verstoring van het evenwicht van partijen teweeg brengt zal bij een overeenkomst met een consument, zoals Eiser, vallen onder de bedingen die op de grijze lijst (artikel 6:237 BW) staan en voor vernietiging in aanmerking kunnen komen.

Eiser heeft een betaling van € 2.975,00 aan de Stichting gedaan terwijl geen contactuele verplichting daarvoor bestond. Voor zover de Stichting meer kosten heeft moeten maken dan zij van Univé vergoed heeft gekregen, kan zij deze niet op basis van de overeenkomst van partijen op Eiser verhalen. Een andere rechtsgrond is door de Stichting niet aangevoerd, zodat de conclusie is dat de betaling onverschuldigd gedaan is en de Stichting gehouden is tot terugbetaling over te gaan. De vordering is dan ook toewijsbaar ten aanzien van de hoofdsom en rente. Ten aanzien van de buitengerechtelijke kosten heeft Eiser onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze meer hebben omvat dan het doen sturen van een enkele aanmaning en het voorbereiden van de procedure, waarvoor de proceskostenveroordeling geacht wordt een vergoeding te omvatten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

De Stichting zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van Eiser worden vastgesteld op € 92,82 explootkosten, € 213,00 vast recht, € 400,00 salaris van de gemachtigde en € 100,00 nakosten.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt de Stichting tot betaling aan Eiser van  € 3 .294,08, vermeerderd  met de wettelijke rente over € 2.975,00 vanaf 13 maart 2013 tot de dag van algehele voldoening,

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, die tot op heden aan de zijde van Eiser worden vastgesteld op € 92,82 explootkosten, € 213,00 vast recht, € 400,00 salaris van de gemachtigde en € 100,00 nakosten,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Engelbert-Ciarenbeek en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.