Veroordeling in schoonmaak- en herstelkosten na beëindiging huur

Gedaagde heeft een periode een woning van de eiser gehuurd. De partijen hebben een outcheckrapport opgemaakt wat is ondertekend door de gedaagde en een medewerker van hem. De eiser vordert nu de betaling van een paar facturen, waaronder voor schoonmaakkosten. De gedaagde reageert hierop met dat een eindschoonmaak niet nodig was, omdat zij de woning schoon en compleet heeft achtergelaten. Ook zijn er nooit facturen van de eiser ontvangen. De rechter ziet dat gedaagde de outcheckrapport heeft ondertekend. Hierin staat omcirkeld "eindschoonmaak groot". Dit deel van de vordering ligt dus voor toewijzing gereed. Hetzelfde gebeurd met de factuur die ziet op de reparatie van de douchecabine. Gedaagde stelt dat deze al defect was op het moment dat zij het huurcontract ondertekende. Ook hier wordt weer verwezen naar het outcheckrapport, waarop staat vermeld dat het hoekje van de douchecabine af is. Dit deel van de vordering wordt dus onvoldoende gemotiveerd betwist en daarom toegewezen. De facturen over de herstelkosten zijn door gedaagde helemaal niet betwist en die worden dus ook toegewezen. Als in het grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt de gedaagde in de proceskosten veroordeeld.

Datum: 14 maart 2011
Rechtbank: Dordrecht, Sector kanton, Locatie Gorinchem
Zaaknummer: 269760 CV EXPL 10-2036

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EISER, gevestigd te en kantoorhoudende te, eiser,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung; tegen:

GEDAAGDE,

wonende te, gedaagde,

die in persoon procedeert.

Partijen worden hierna aangeduid als Eiser en Gedaagde.

Verloop van de procedure

De kantonrechter wijst vonnis op de volgende processtukken:

de dagvaarding van 24 november 2010;

de conclusie van antwoord;

de conclusie van repliek;

de aantekening van de zitting van 14 februari 2011 dat Gedaagde geen conclusie van dupliek heeft genomen of daartoe om uitstel heeft verzocht;

de overgelegde producties.

Omschrijving van het geschil

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

Gedaagde heeft in de periode van 13 mei 2008 tot en met 12 juni 2010 van Eiser een woning gehuurd aan te. Op 12 juni 2010 hebben partijen een outcheckrapport opgemaakt. Dit rapport is ondertekend door Gedaagde en een medewerker van.

De vordering

Eiser vordert dat Gedaagde bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 362,77 aan hoofdsom terzake van onbetaald gebleven facturen, een bedrag van € 10,98 aan wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldatum tot 2 november 2010, alsmede de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 2 november 2010 tot de dag der algehele voldoening en een bedrag van € 75,00 aan buitengerechtelijke incassokosten. Voorts vordert Eiser veroordeling van Gedaagde in de kosten van deze procedure.

Eiser voert ter onderbouwing van haar vordering aan dat Gedaagde de uit de overeenkomst voortvloeiende kosten terzake van huur, contractskosten, schoonmaak, herstel- en administratiekosten niet heeft voldaan.

Het verweer

Gedaagde betwist de vordering. Gedaagde voert daartoe -samengevat- aan dat het riool niet door haar toedoen verstopt is geraakt. Een eindschoonmaak was volgens Gedaagde niet nodig, omdat zij de woning schoon heeft achtergelaten. De douchebak was reeds beschadigd toen zij de woning betrok. Daarnaast geeft Gedaagde aan dat zij de facturen van Eiser nooit heeft ontvangen. Deze zijn gestuurd naar het oude adres van Gedaagde, terwijl het Eiser bekend was dat Gedaagde daar niet meer woonde, omdat zij de huur had opgezegd.

Beoordeling van het geschil

Eiser vordert betaling van een aantal facturen. Met de factuur met kenmerk 17741, gedateerd 19 maart 2009, is een bedrag van € 116,62 (incl. BTW) voor het ontstoppen van het riool in rekening gebracht. Op grond van het bepaalde in artikel 7:217 BW j° artikel 7:240 BW komen kleine herstellingen in beginsel voor rekening van de huurder. Wat bij de huur van woonruimte moet worden beschouwd als kleine herstellingen is bepaald in het Besluit Kleine Herstellingen (hierna: BKH). In sub n van het BKH is bepaald dat als kleine herstelling wordt aangemerkt het schoonhouden en zo nodig ontstoppen van het binnenriool tot aan het aansluitpunt vanuit het woonruimtegedeelte van het gehuurde op het gemeenteriool dan wel op het hoofdriool, voor zover deze riolering voor de huurder bereikbaar is. Gesteld noch gebleken is dat de verstopping zich voordeed in het binnenriool, zodat dit deel van de vordering als onvoldoende onderbouwd moet worden afgewezen.

De factuur met kenmerk DOR26966 betreft einde schoonmaakkosten. Op het hiervoor onder 1.3 genoemde outcheckrapport, dat door Gedaagde is ondertekend, staat omcirkeld "eindschoonmaak groot". Gedaagde heeft de inhoud van het outcheckrapport niet betwist en evenmin heeft zij betwist dat hiermee een bedrag van € 250,- (excl. BTW) gemoeid is. Dit deel van de vordering ligt daarom voor toewijzing gereed.

De factuur met kenmerk DOR27155 ziet op een reparatie aan de douchecabine. Gedaagde heeft aangevoerd dat de douchecabine al defect was op het moment dat zij het huurcontract ondertekende. Bij repliek heeft Eiser dit betwist en verwezen naar het outcheckrapport, waarop staat vermeld dat het hoekje van de douchecabine af is. Gedaagde heeft die aanvullende stellingen van Eiser niet betwist, zodat van de juistheid daarvan moet worden uitgegaan. Dit brengt mee dat dit deel van de vordering als onvoldoende gemotiveerd betwist wordt toegewezen.

Ten aanzien van de factuur betreffende huur (10821936) begrijpt de kantonrechter dat nog € 320,- wordt gevorderd ter zake van huur over de maand juni (12/30 * € 800,-). Nu deze factuur niet is betwist door Gedaagde, wordt dit deel van de vordering toegewezen.

De facturen betreffende herstelkosten (factuur DOR26967), administratiekosten (facturen 10820345 en 10822091) en contractkosten (factuur DOR26428) zijn door Gedaagde niet betwist. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen. De meegevorderde rente wordt als niet weersproken eveneens toegewezen. Met betrekking tot de gevorderde buitengerechtelijke kosten hanteert de kantonrechter het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Eiser heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden, die is overgelegd als productie 2 bij de dagvaarding, dient het tegendeel te worden afgeleid. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

Gedaagde wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde aan Eiser te betalen een bedrag van € 257,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2010 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Eiser bepaald op:

aan explootkosten € 73,89
aan griffierecht € 105,-
aan salaris gemachtigde € 120,-

totale kosten   € 298,89;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Lecluse-de Bruijn, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 maart 2011, in aanwezigheid van de griffier.