Verplichting salaris betaling bij ziekte, wettelijke verhoging

Eiser is zo'n 4 jaar in dienst bij Gedaagde in de functie van administrateur. Het gaat over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Eiser is in de Ziektewet gekomen en volgens zijn arbeidsovereenkomst heeft Eiser dan aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris gedurende de eerste 52 weken bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid. Gedaagde was eerst van plan dit niet te betalen. Er is toen een vonnis gekomen waarin Gedaagde het salaris van Eiser toch moest betalen. Na dit vonnis heeft de Gedaagde een deel van dat salaris betaald, maar nog niet alles. Als gevolg van het niet tijdig en volledig betalen van het salaris vordert de eiser nu de wettelijke verhoging hiervan. Gedaagde erkent dat zij nog een bedrag aan salaris moet betalen, maar vindt de wettelijke verhoging erg hoog. De rechter oordeelt als volgt: ' Nu Gedaagde het salaris over de maanden september 2009 tot en met januari 2010 niet tijdig en volledig heeft voldaan is zij op grond van artikel 7:625 BW hierover wettelijke verhoging verschuldigd. Uit het verweer van Gedaagde begrijpt de kantonrechter dat Gedaagde een beroep doet op matiging van de door Eiser gevorderde wettelijke verhoging. Op grond van de omstandigheden van het geval acht de kantonrechter termen aanwezig de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 25%.' Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

Datum: 12 november 2010
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton, locatie Rotterdam
Zaaknummer: 1120419 \ CV EXPL 10-31299

Vonnis

in de zaak van

Eiser, woonplaats, eiser bij exploot van dagvaarding van 4 mei 2010,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung (IntoCash) te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Gedaagde, vestigingsplaats, gedaagde,

verschenen bij X en Y. 1.

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

het exploot van dagvaarding van 4 mei 2010 met producties;

de conclusie van antwoord met producties;

het tussenvonnis van 4 juni 2010;

de zijdens Eiser in het geding gebrachte schriftelijke reactie met producties ten behoeve van de comparitie van partijen;

het proces-verbaal van 26 juli 2010 van de gehouden comparitie van partijen.

Partijen hebben afgezien van verdere stukkenwisseling en vonnis gevraagd.

De uitspraak van het vonnis is door de kantonrechter nader bepaald op heden.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

Eiser is sinds 24 augustus 2006 in dienst bij Gedaagde in de functie van administrateur. Vanaf 24 februari 2008 is er sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Het salaris dat Gedaagde maandelijks aan Eiser dient te voldoen bedraagt € 2.142,26 bruto.

Eiser zit vanaf 17 april 2009 in de Ziektewet.

Ingevolge artikel 5.1 van de arbeidsovereenkomst heeft Eiser aanspraak op doorbetaling van zijn volledige salaris gedurende de eerste 52 weken bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid.

Op 12 januari 2010 heeft de kantonrechter te Schiedam vonnis gewezen. Bij dit vonnis is Gedaagde veroordeeld om aan Eiser te voldoen een bedrag van € 8.303,08 vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het salaris van de maand augustus 2009 tot de dag der algehele voldoening. Daarnaast is Gedaagde veroordeeld tot het voldoen van wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW, de buitengerechtelijke kosten en proceskosten, als ook tot de afgifte van de salarisstroken.

Gedaagde heeft na de uitspraak van het vonnis van 12 januari 2010 diverse deel betalingen verricht, te weten:

€ 2.042,35 op 11 januari 2010 ter zake het salaris van september 2009;

€ 2.042,35 op 14 januari 2010 ter zake het salaris van oktober 2009;

€ 2.042,35 op 20 januari 2010 ter zake het salaris van november 2009;

€ 2.042,35 op 8 februari 2010 ter zake het salaris van december 2009.

Voor het restant dat Gedaagde is verschuldigd aan Eiser als gevolg van het vonnis van 12 januari 2010 heeft Gedaagde een betalingsregeling getroffen met de gemachtigde van eiseres.

De vordering

Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan hem te betalen:

€ 7.897,85 aan hoofdsom;

€ 267,88 aan wettelijke rente over de hoofdsom vanaf de vervaldata tot aan 23 april 2010;

de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 23 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

€ 952,00 aan buitengerechtelijke kosten (inclusief btw); de kosten van de procedure.

Eiser heeft zijn vordering - zakelijk weergegeven - als volgt nader toegelicht. Gedaagde heeft, ondanks sommatie daartoe, het salaris over de maanden september 2009 tot en met januari 2010 niet tijdig en volledig voldaan aan Eiser.

Als gevolg van de niet tijdige en volledige betaling van het salaris over de maanden september 2009 tot en met januari 2010 is Gedaagde de wettelijke verhoging zoals bepaald in artikel 7:625 BW verschuldigd. Eiser wijst erop dat Gedaagde bij gelegenheid van de op 3 november 2009 comparitie van partijen die is gehouden in de procedure waarin op 12 januari 2010 vonnis is uitgesproken, door de kantonrechter is geadviseerd het salaris van Eiser zo snel mogelijk te gaan voldoen. Dat dit advies niet door Gedaagde is opgevolgd valt in haar risicosfeer en rechtvaardigt de door Eiser gevorderde wettelijke verhoging.

Ten slotte vordert Eiser buitengerechtelijke kosten. Hij vordert deze kosten primair op grond van de wet en subsidiair op grond van Rapport Voorwerk II alsmede op grond van de redelijkheid en billijkheid. Ter adstructie stelt Eiser dat er werkzaamheden zijn verricht die onder meer een combinatie omvatten van het aanmanen door Eiser en zijn gemachtigde, het aanleggen van een dossier, het inwinnen van inlichtingen, overleg met Eiser over de vorderingen en verdere correspondentie. Deze werkzaamheden vallen niet onder werkzaamheden ter voorbereiding en ter instructie van de zaak.

Het verweer

Gedaagde erkent dat zij het salaris over de maand januari 2010 niet heeft voldaan. Dat berust op een vergissing. Zij meende dat die maand was inbegrepen in de getroffen betalingsregeling.

Voorts voert Gedaagde aan dat zij het bedrag van de door Eiser gevorderde wettelijke verhoging erg hoog vindt. Gedaagde heeft gewacht met betalen van de salarissen tot zij het vonnis van 12 januari 2010 had ontvangen. Dit leek haar logisch, omdat zij daarvoor nog niet wist wat er beslist zou gaan worden door de kantonrechter. Na ontvangst van het vonnis heeft zij direct het salaris overgemaakt en voor het overige heeft zij een betalingsregeling getroffen.

De beoordeling van de vordering

Vast staat dat Eiser vanaf 17 april 2009 arbeidsongeschikt is en dat Gedaagde het salaris van Eiser dient door te betalen.

Gedaagde erkent dat zij het salaris over de maand januari 2010 niet aan Eiser heeft voldaan. Daarnaast heeft Gedaagde steeds een bedrag van € 2.042,35 aan Eiser voldaan ter zake het salaris over de maanden september 2009 tot en met december 2009, terwijl het salaris van Eiser € 2.142,26 bedraagt. Mitsdien heeft Gedaagde niet het volledige salaris over deze maanden voldaan.

Nu Gedaagde het salaris over de maanden september 2009 tot en met januari 2010 niet tijdig en volledig heeft voldaan is zij op grond van artikel 7:625 BW hierover wettelijke verhoging verschuldigd. Uit het verweer van Gedaagde begrijpt de kantonrechter dat Gedaagde een beroep doet op matiging van de door Eiser gevorderde wettelijke verhoging. Op grond van de omstandigheden van het geval acht de kantonrechter termen aanwezig de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot 25%.

Nu de wettelijke rente wordt gematigd kan het bedrag dat Eiser heeft gevorderd aan wettelijke verhoging berekend tot aan 23 april 2010 niet kloppen. Gelet op een percentage van 25% wordt een bedrag van in totaal € 2.677,85 ((€ 2.142,26 x 25%) x 5) aan wettelijke verhoging toegewezen.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de door Eiser gevorderde hoofdsom ad € 7.897,85 aan salaris en wettelijke verhoging over de maanden september tot en met januari 2010 wordt toegewezen tot een bedrag van € 5.219,73 ((5 x € 2.142,26) - (4 x € 2.042,35) + € 2.677,85).

Nu een lager bedrag aan hoofdsom wordt toegewezen dan door Eiser was gevorderd, kan het door haar gestelde bedrag aan tot aan 23 april 2010 vervallen wettelijke rente niet juist zijn. Die rente zal worden toegewezen vanaf 23 april 2010, nu voor toewijzing vanaf een eerdere datum geen deugdelijke grondslag is gesteld of gebleken.

Nu de onderhavige procedure is te beschouwen als een voortzetting van de eerdere procedure waarin op 12 januari 2010 een vonnis is uitgesproken acht de kantonrechter het redelijk, gelet op de hoogte van de vorderingen in beide procedures, het redelijk de door Eiser gevorderde buitengerechtelijke kosten te matigen tot een bedrag van € 119,00. Immers reeds in de eerdere procedure heeft Eiser een bedrag van € 833,00 ontvangen aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw, terwijl voor het totaal gevorderde bedrag een forfaitair tarief zou hebben gegolden van € 952,00 inclusief btw.

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van onderhavige procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen € 5.338,73, vermeerderd met de wettelijke rente op grond van artikel 6:119 BW over€ 5.219,73 vanaf 23 april 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op € 295,93 aan verschotten en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.