Verrekening niet bewezen ondanks getuigenverklaringen

Partijen hebben een relatie gehad en met elkaar samengewoond. Ze hebben bij de notaris een akte van verdeling ondertekend. Hierin is geregeld hoe de hypotheek verder afgrond zou worden. De eiser vordert van gedaagde betaling van het in de notariële akte genoemde bedrag. Als verweer geeft de gedaagde dat zij met eiser bij de verdeling van de inboedel heeft afgesproken een aantal goederen toe te bedelen ter compensatie van het bedrag wat in de akte is benoemd. Hiervoor laat Gedaagde enkele getuigen verklaren. Deze verklaringen vindt de rechter echter onvoldoende en niet aannemelijk. Nu Gedaagde in het haar opgedragen bewijs niet is geslaagd dienen de vorderingen van de eiser te worden toegewezen.

Datum: 18 april 2008
Rechtbank: Arnhem, Sector kanton, Locatie Nijmegen
Zaaknummer: 493298 \ CV EXPL 07-2757

Vonnis

in de zaak van

Eiser

wonende te, eisende partij

gemachtigde: IntoCash

tegen

Gedaagde

wonende te, gedaagde partij

gemachtigde mr. W.T.J. Raaijmakers

Partijen worden hierna Eiser en Gedaagde genoemd.

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het tussenvonnis van 13-07-2007;

het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 05-10-2007;

het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van Gedaagde van 30-11 -2007;

de brief van de gemachtigde van Eiser van 23 januari 2008 waarin hij aangeeft dat Eiser afziet van het leveren van tegenbewijs in de contra enquête;

de conclusie na enquête aan de zijde van Gedaagde van 22 februari 2008;

de conclusie na enquête aan de zijde van Eiser van 22 februari 2008.

De feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende vaststaande feiten:

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en hebben met elkaar samengewoond. Aan die relatie en samenwoning is op 1 juli 2005 een einde gekomen.

Op 16 december 2005 hebben partijen ten overstaan van notaris mr. A.Th.M. van den Heuvel te Doesburg een akte van verdeling ondertekend, waarbij het aan partijen toebehoord hebbende appartementsrecht aan de ... te … aan Eiser is toebedeeld onder de verplichting om de daaraan verbonden hypothecaire lasten te voldoen.
In de betreffende notariële akte is onder meer de navolgende passage opgenomen:

De comparanten verklaarden te zijn overeengekomen dat de comparant sub 1 (Eiser) in verband met de verdeling van de gemeenschappelijke goederen (waaronder begrepen voorschreven activum en passivum - het appartementsrecht en de hypothecaire geldlening -) een vordering in contanten heeft verkregen op de comparante sub 2 (Gedaagde) groot tweeduizend euro (€ 2.000,--). Comparanten verklaarden ten aanzien van de betaling van deze vordering dat de comparant sub 1 hierbij afstand doet van zijn recht gemeld bedrag van de comparante sub 2 te ontvangen, waartegenover de comparante sub 2 als schuldenaar aan de comparant sub 1 wegens ter leen verstrekte gelden schuldig erkent een bedrag groot tweeduizend euro (€ 2.000,--), onder die bepalingen en bedingen, als tussen partijen nader overeen te komen.

De vordering en het verweer

Eiser vordert van Gedaagde betaling van het in de notariële akte van 16 december 2005 genoemde bedrag van € 2.000,- verminderd met een door Eiser ontvangen uitkering uit een levensverzekering uit hoofde waarvan Gedaagde recht heeft op een bedrag van € 747,-, zodat na verrekening resteert een bedrag van € 1.253,-.

Voorts vordert Eiser een bedrag van € 357,-- terzake van buitengerechtelijke kosten alsmede betaling van de wettelijke rente over een bedrag van € 1.253,- vanaf de vervaldag (24 oktober 2006) tot de dag der volledige betaling.

Daarbij dient Gedaagde volgens Eiser in de proceskosten te worden veroordeeld.

Gedaagde voert verweer en stelt, dat zij met Eiser bij de verdeling van de inboedel heeft afgesproken een aantal inboedelgoederen, waaronder de wasmachine, de wasdroger, de koelkast en de magnetron, aan Eiser toe te bedelen ter compensatie van zijn vordering op Gedaagde van € 2.000,-.

Gedaagde vordert op haar beurt van Eiser betaling van het bedrag van € 747,- dat haar uit hoofde van de door Eiser ontvangen uitkering uit een levensverzekering toekomt.

De beoordeling

Bij gelegenheid van de comparitie van partijen van 5 oktober 2007 heeft de kantonrechter Gedaagde toegelaten te bewijzen dat zij met Eiser een afspraak heeft gemaakt dat de aan hem toebedeelde inboedelgoederen, waaronder het witgoed, ter compensatie strekten van zijn vordering op Gedaagde van € 2.000,-.

Gedaagde heeft daarbij zichzelf, mevrouw X (haar moeder), en de heer Y als getuigen in de enquête doen horen, terwijl Eiser heeft afgezien van het leveren van bewijs in de contra enquête.

Uit de betreffende getuigenverklaringen is de kantonrechter het navolgende gebleken.

Getuige Gedaagde verklaart, dat zij de betreffende afspraak met Eiser heeft gemaakt toen zij met hem in de auto zat op weg naar huis, op een moment dat reeds duidelijk was, dat partijen hun relatie zouden beëindigen.

Voorts verklaart Gedaagde dat de notariële akte van verdeling van 16 december 2005 is opgemaakt en getekend nadat partijen de betreffende afspraak reeds hadden gemaakt. Uit de verklaring van Gedaagde volgt verder, dat de afspraak nog eens aan de orde is geweest toen zij in het bijzijn van haar moeder en van de heer Y nog een aantal persoonlijke zaken kwam afhalen bij Eiser. Zij verklaarde toen tegen Eiser te hebben gezegd: "de rest mag je houden", waarop Eiser heeft geantwoord "dat is prima".

Gedaagde is bij het afleggen van haar verklaring als partijgetuige gehoord en haar verklaring kan ingevolge het bepaalde in artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering alleen tot het haar opgedragen bewijs meewerken, indien die verklaring strekt ter aanvulling van ander (onvolledig) bewijs.

In de notariële akte van 16 december 2005, die volgens Gedaagde is opgemaakt nadat zij de bewuste afspraak met Eiser heeft gemaakt, wordt aan de betreffende afspraak niet gerefereerd. Integendeel: uit die akte - een authentieke akte met dwingend bewijs - blijkt, dat Gedaagde met zoveel woorden een bedrag van € 2.000,-- aan Eiser schuldig erkent, terwijl de betreffende afspraak volgens Gedaagde toen al met Eiser was gemaakt.

Indien de afspraak waarover Gedaagde heeft verklaard daadwerkelijk tussen partijen is gemaakt, valt niet in te zien, waarom Gedaagde die afspraak niet in de akte van verdeling van 16 december 2005 door de notaris heeft laten opnemen en valt evenmin te begrijpen, dat zij in de betreffende akte niettemin verklaart een bedrag van € 2.000,- aan Eiser schuldig te erkennen.

Om aan het haar opgedragen bewijs te voldoen heeft Gedaagde voorts de getuigen X (haar moeder) en Y doen horen. De kantonrechter acht die getuigenverklaringen zowel afzonderlijk als ook bezien in onderling verband en in verband met de verklaring van Gedaagde alsmede met de inhoud van meergenoemde notariële akte, onvoldoende om Gedaagde in het haar opgedragen bewijs geslaagd te achten. Getuige X verklaart weliswaar, dat zij heeft gehoord dat partijen samen afspraken, dat Eiser de meubels zou houden waartegenover haar dochter dan vrij zou zijn van de schuld, maar zij verklaart, dat zij dit heeft gehoord op een zomerdag, terwijl Gedaagde zelf aangeeft de afspraak met Eiser te hebben gemaakt toen zij in de auto op weg waren naar huis. De kantonrechter heeft uit de verklaring van Gedaagde begrepen, dat getuige X bij die autorit niet aanwezig is geweest.

Verder verklaart getuige X dat zij een tweede gesprek heeft bijgewoond tussen partijen waarbij ook getuige Y was betrokken, die Gedaagde zou helpen met verhuizen. Getuige X verklaart dat er bij die gelegenheid niet meer is gesproken over het bedrag en ook niet over de afspraak die partijen hadden gemaakt, terwijl getuige Y aangeeft inderdaad bij de verhuizing aanwezig te zijn geweest, maar stelt dat de afspraak toen juist wel aan de orde is geweest. Ook geeft getuige Y aan bij het maken van de afspraak zelf niet betrokken of aanwezig te zijn geweest.

De partijgetuigenverklaring van Gedaagde wordt, gelet op het bovenstaande, onvoldoende ondersteund door de verklaringen van de getuigen X en Y en bovendien acht de kantonrechter de verklaring van Gedaagde niet aannemelijk, gelet op de inhoud van de akte van verdeling van 16 december 2005, zodat de kantonrechter Gedaagde niet geslaagd acht in het haar opgedragen bewijs.

Nu Gedaagde in het haar opgedragen bewijs niet is geslaagd dienen de vorderingen van Eiser te worden toegewezen als hierna vermeld.

De kantonrechter ziet aanleiding de proceskosten te compenseren in die zin, dat ieder van partijen de eigen kosten draagt, nu de vordering van Eiser voortvloeit uit de beëindiging van de affectieve relatie en samenwoning die partijen met elkaar hebben gehad.

De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt Gedaagde om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 1.253,-- te vermeerderen met een bedrag van € 357,- terzake van buitengerechtelijke kosten en te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 1.253,- vanaf 24 oktober 2006 tot de dag der volledige voldoening;

compenseert de kosten tussen partijen in die zin, dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt;

wijst af het anders of meer gevorderde;

verklaart het vonnis tot hiertoe uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr A. Dunsbergen en in het openbaar uitgesproken op 18-04-2008.