Verrekeningsverweer gaat niet op bij huurachterstand

In deze zaak vorderd de eiser de betaling van de huurachterstand van twee gedaagden. Bij een van de twee gedaagden wordt de vordering afgewezen, aangezien de eiser niet kan bewijzen dat deze huurder/gedaagde in het gehuurde heeft gewoond. De andere huurder/gedaagde beroept zich op verrekening omdat er werkzaamheden zijn verricht voor de eiser. De kosten van deze werkzaamheden overtreffen de hoogte van de huurachterstand, waardoor de eiser niets meer op hem te vorderen zou hebben. De rechter oordeelt dat dit verweer faalt omdat de rechtsgrond te ver te zoeken is.
Gedaagden vorderen in reconventie betaling van € 2.250,40 wegens te veel betaalde huur door een in hun ogen onwettige huurverhoging. Deze vordering slaagt niet. Uit een e-mail van Eiser waarin de verhoging wordt voorgesteld blijkt dat het gaat het om een verhoging van de servicekosten. Als de gedaagden het hiermee niet eens waren, konden ze in bezwaar gaan. Hiervan hebben ze geen gebruik gemaakt.

Datum: 4 april 2013
Rechtbank: Amsterdam, Afdeling privaatrecht
Zaaknummer: 1252279 CV EXPL 11-16715

Vonnis

Inzake

EISER, wonende te eiser in conventie verweerder in reconventie nader te noemen Eiser

gemachtigde: mr. E.C.Y Cheung (IntoCash)

tegen

GEDAAGDE SUB 1. en

GEDAAGDE SUB 2.

beiden wonende te, gedaagden in conventie eisers in reconventie

nader te noemen Gedaagde sub 1. of Gedaagde sub 2. dan wel (gezamenlijk) Gedaagde sub 1. c.s. procederend in persoon

VERDER VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op 12 oktober 2012 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van dat tussenvonnis heeft op 20 februari 2013 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Voorafgaand aan de comparitie heeft de gemachtigde van Eiser nog enkele producties ingediend.

Ter comparitie van 20 februari 2013 is Eiser in persoon verschenen. Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. zijn eveneens in persoon verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.

De zaak staat thans weer voor vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Beoordeling in conventie

In conventie vordert Eiser hoofdelijke veroordeling van Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. tot betaling van € 8.512,00 aan huurachterstand.

Die vordering kan in ieder geval niet worden toegewezen tegen Gedaagde sub 2.. Ter zitting heeft Eiser erkend dat hij niet kan bewijzen dat, zoals hij stelt, Gedaagde sub 2. wél in het gehuurde heeft gewoond. Er is dan ook niet komen vast te staan dat Eiser Gedaagde sub 2. kan aanspreken op grond van medehuurderschap. Voorts heeft Gedaagde sub 2. ter zitting verklaard dat Gedaagde sub 1. en zij zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden. Er kan dus ook niet zonder meer van worden uitgegaan dat de onderhavige huurschuld tot de (huwelijkse) gemeenschap van goederen behoort, zodat Gedaagde sub 2. op die grond zou kunnen worden aangesproken. De conclusie is dan ook dat onvoldoende is komen vast te staan dat Gedaagde sub 2. mede tot betaling van enige huurachterstand kan worden veroordeeld. Voor zover de vordering is ingesteld tegen Gedaagde sub 2., wordt zij afgewezen. Eiser zal worden veroordeeld in de proceskosten van Gedaagde sub 2. in het geding in conventie, tot op heden begroot op nihil.

Aangaande de vordering betreffende huurachterstand tegen Gedaagde sub 1. wordt het volgende overwogen. Gedaagde sub 1. heeft de hoogte van de huurachterstand, als gespecificeerd bij dagvaarding, betwist door te betogen dat hij met Eiser was overeengekomen dat hij de huurachterstand, die was bepaald op € 5.000,-, zou
verrekenen, voornamelijk met de kosten van de werkzaamheden die Gedaagde sub 2. Voor Eiser heeft verricht. Omdat die kosten de hoogte van de huurachterstand
overtreffen, heeft Eiser niets meer van Gedaagde sub 1. te vorderen, aldus Gedaagde sub 1.

Dit verweer faalt. Dat een dergelijke (driepartijen)afspraak is gemaakt, is niet onomstotelijk komen vast te staan. Een beroep op verrekening in deze procedure
gaat evenmin op, al was het maar omdat Gedaagde sub 2. in conventie niet tot betaling van de huurschuld kan worden aangesproken zodat er met haar niets te verrekenen valt. Bovendien is de gegrondheid van dit verrekeningsverweer in conventie niet op eenvoudige wijze vast te stellen. Dat de huurachterstand per juni 2009 is vastgesteld op € 5.000,- blijkt geenszins uit de stukken. Sterker nog, uit de e-mail van Eiser waarnaar Gedaagde sub 1. in dit kader verwijst blijkt juist dat de huurachterstand meer dan € 5.000,- is. Gedaagde sub 1. heeft niet aangetoond dat hij meer heeft betaald dan de betalingen die Eiser in zijn specificatie heeft opgenomen. Gelet op dit alles zal de huurachterstand worden toegewezen zoals deze is gevorderd. Ter zitting heeft Eiser nog opgemerkt dat in de specificatie bij dagvaarding ten onrechte staat vermeld dat op 29 oktober 2007 € 228,00 is betaald; dit moet € 288,00 zijn. Blijkens de optelling van de bedragen in die specificatie blijkt echter dat in het saldo van € 8.512,00 al rekening is gehouden met een betaling van € 288,00. Gedaagde sub 1. heeft de rente betwist door te stellen dat de huurachterstand met de werkzaamheden van Gedaagde sub 2. verrekend zouden worden. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen gaat dat verweer niet op. De rente is toewijsbaar.

Als niet (voldoende) bestreden staat vast dat er kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte zijn gemaakt. De hoogte van het gevorderde bedrag aan deze kosten komt de kantonrechter niet onredelijk voor. Dit onderdeel van de vordering wordt dan ook toegewezen. Dat partijen er niet in zijn geslaagd om buiten rechte tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing te komen, doet aan de verschuldigdheid van deze kosten niet af.

Gedaagde sub 1. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het geding in conventie.

Beoordeling in reconventie

In reconventie vorderen Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. veroordeling van Eiser tot betaling van € 1.266,54 wegens het restant van de factuur van Gedaagde sub 2. voor door haar verrichte juridische diensten. De kantonrechter overweegt allereerst dat voor zover deze vordering toegewezen kan worden, zij slechts toewijsbaar is aan Gedaagde sub 2., nu- zoals hiervoor in conventie is overwogen- er niet van kan worden uitgegaan dat Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. in gemeenschap van goederen zijn getrouwd. Eiser heeft primair tegen deze vordering aangevoerd dat Gedaagde sub 2. niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat het gaat om werkzaamheden en overeenkomsten op de Filippijnen, waarop Filippijns recht van toepassing is en ter zake waarvan de Nederlandse rechter niet bevoegd is. Bovendien gaat het om overeenkomsten met of werkzaamheden voor zijn bedrijf die hem niet in persoon aangaan, aldus Eiser Dit betoog faalt. Eiser heeft ter zitting erkend dat Gedaagde sub 2. hem met juridische diensten heeft bijgestaan bij onder andere de oprichting van een onderneming door Eiser zelf. Mogelijk ging het ook om werkzaamheden voor een reeds bestaand bedrijf van Eiser, maar nu partijen daarover geen duidelijke afspraken op schrift hebben gemaakt en de factuur voor de werkzaamheden (zie bijlage M bij conclusie van antwoord) is gericht aan Eiser, wordt het er bij gebreke van voldoende betwisting voor gehouden dat Eiser in dezen als opdrachtgever van Gedaagde sub 2. kan worden aangesproken. Dat Eiser in de Filippijnen woont en de werkzaamheden op de Filippijnen plaatsvonden moge zo zijn, maar dit maakt niet dat Gedaagde sub 2. niet ontvankelijk is in haar vordering. Eiser is immers degene die Gedaagde sub 2. in rechte heeft betrokken; als uitvloeisel daarvan heeft zij hem in reconventie tot betaling aangesproken. Voor zover inderdaad geoordeeld zou worden dat de overeenkomst tussen partijen onderhevig is aan Filippijns recht, maakt ook dit niet dat de kantonrechter hierover niet kan oordelen, aangezien Eiser niet heeft gesteld dat het Filippijns op dit punt anders is dan het Nederlandse. Gedaagde sub 2. Is dan ook ontvankelijk in haar vordering.

Eiser heeft niet betwist dat Gedaagde sub 2. juridische werkzaamheden heeft verricht als vermeld in haar factuur van 16 april 2011. Daarvoor is hij als opdrachtgever loon verschuldigd. In geschil is welk tarief partijen zijn overeengekomen: volgens Gedaagde sub 2. een bedrag van € 90,- per uur, volgens eiser een bedrag van € 10,- per uur, bij wijze van vriendendienst. Hoewel voor beide stellingen aanwijzingen zijn te vinden in de stukken, bieden die stukken onvoldoende houvast voor het oordeel dat partijen daadwerkelijk een van beide bedragen voor deze werkzaamheden zijn overeengekomen. Dat een uurtarief van € 10,- op de Filippijnen gebruikelijk is, is tegenover de gemotiveerde betwisting door Gedaagde sub 2. niet komen vast te staan. Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter op de voet van artikel 7:405 BW als redelijk uurtarief een uurtarief van € 50,- bepalen. Het bedrag van de factuur komt in dat geval uit op € 3.481 ,41. Nu Gedaagde sub 2. in reconventie slechts betaling van € 1.266,54 heeft gevorderd, kan in deze procedure alleen dat bedrag worden toegewezen.

Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. vorderen voorts betaling van € 2.250,40 wegens te veel betaalde huur als gevolg van de in hun ogen onwettige huurverhoging. Die vordering houdt niet. Blijkens de e-mail van 31 juli 2008 van Eiser waarin de verhoging wordt voorgesteld, gaat het om een verhoging van de servicekosten. Indien hij het daarmee niet eens was, stonden hem wegen open om op de voet van artikel 7:261 lid I BW die verhoging aan de orde te stellen. Daarvan heeft hij geen gebruik gemaakt. Bovendien is, voor zover al gesteld, niet komen vast te staan dát Gedaagde sub 1. het met die verhoging niet eens was, te minder nu hij nadien het verhoogde bedrag van € 1.000,per maand zonder enige vorm van protest heeft betaald (zij het niet altijd even stipt en regelmatig).

Ter zitting hebben Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. desgevraagd verklaard dat zij hun vordering tot betaling van morele schadevergoeding ad € 1.500,00 baseren op artikel 6: 106 BW en op artikel 6:162 BW. Deze vordering is echter niet toewijsbaar. Gedaagde sub 1. En Gedaagde sub 2. hebben niet toegelicht waarom het instellen van de onderhavige vordering als onrechtmatig gekwalificeerd zou moeten worden, te minder niet nu de vordering in conventie toewijsbaar is geacht. Evenmin hebben zij aannemelijk gemaakt dat zich een van de gronden als bedoeld in artikel 6: 106 BW voordoet. Voor toewijzing van de gevorderde boete wegens het indienen van ongefundeerde eisen door Eiser hebben Gedaagde sub 1. en Gedaagde sub 2. in het geheel geen rechtsgrond aangevoerd, zodat ook deze vordering zal worden afgewezen.

Gelet op het onder 11 overwogen bestaat er evenmin grond om Eiser te veroordelen tot betaling van de juridische kosten ad € 2.500,-.

Nu partijen in reconventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld, bestaat er aanleiding de proceskosten in reconventie te compenseren.

Beslissing

De kantonrechter:

In conventie:

I. wijst de vordering af voor zover zij is ingesteld tegen Gedaagde sub 2.;

II. veroordeelt Eiser in de proceskosten aan de zijde van Gedaagde sub 2., tot op heden begroot op nihil;

III. veroordeelt Gedaagde sub 1. tot betaling aan Eiser van:

€ 8.512,00 aan hoofdsom, vermeerderd met de contractuele rente ad 8% per jaar vanaf de vervaldatum van iedere huurpenning tot aan de voldoening;
€ 833,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

IV. veroordeelt Gedaagde sub 1. in de kosten van het geding tot op heden begroot op:

-griffierecht: € 142,00

-kosten dagvaarding: € 90,81

-salaris gemachtigde: € 500,00

Totaal: € 732,81

één en ander, voor zover verschuldigd, inclusief BTW,

V. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

VI. wijst af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

VIL veroordeelt Eiser tot betaling aan Gedaagde sub 2. van € 1.266,54 aan hoofdsom;

VIII. compenseert de proceskosten aldus dat elk der partijen de eigen kosten draagt;

IX. wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. E.R.S.M. Marres, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2013 in tegenwoordigheid van de griffier.