Vertaling dagvaarding koninkrijk Saoedi-Arabië onnodig; geen nietigverklaring

Saoedi-Arabië vraagt aan de rechter om de dagvaarding nietig te verklaren, omdat het geen geldige vertaling heeft. De rechter oordeelt dat dit nu niet meer belangrijk is, aangezien het koninkrijg Saoedi-Arabië in de procedure is verschenen. Ook is er in Nederlandse taal gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering. Als er al sprake was geweest van nietigheid, is dat door het verschijnen van Saoedi-Arabië niet meer het geval. Saoedi-Arabië wordt veroordeelt in de kosten van dit incident.

Datum: 15 oktober 2012
Rechtbank: 's-Gravenhage. Sector kanton, locatie 's-Gravenhage
Zaaknummer: 1154701/12-8402

Vonnis in incident

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser, gevestigd te, eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y Cheung, werkzaam bij IntoCash,

tegen

HET KONINKRIJK SAOEDI-ARABIË, alhier te Nederland vertegenwoordigd door haar Buitengewoon en Gevolmachtigd Ambassadeur Z.E. de heer X, zetelend te 's-Gravenhage, gedaagde partij, gemachtigde: mr.

Partijen worden aangeduid als "Eiser" en "Het koninkrijk Saoedi-Arabië".

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

de dagvaarding van 15 maart 2012;
de conclusie van antwoord tevens houdende incidentele vordering;
de conclusie van antwoord in het incident.

Vordering, grondslag en verweer in het incident

Het koninkrijk Saoedi-Arabië vordert dat de kantonrechter:

I de dagvaarding nietig verklaart dan wel deze vernietigt als gevolg van een vormverzuim, namelijk het ontbreken van een geldige vertaling;

II Eiser veroordeelt om alsnog een (beëdigde) vertaling van de dagvaarding te doen leveren naar de Arabische taal;

III Eiser veroordeelt om aan te tonen dat de procedure ex artikel 3a van de Deurwaarderswet is gevolgd alvorens de dagvaarding is betekend;

IV Eiser veroordeelt in de kosten van dit incident.

Het koninkrijk Saoedi-Arabië legt aan deze vordering ten grondslag dat de dagvaarding nietig dan wel vernietigbaar is, nu Eiser heeft verzuimd de dagvaarding te doen vergezellen van een vertaling. Deze verplichting volgt onder meer uit artikel 22 lid 1 en lid 3 van de United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property van 2 december 2004. Bovendien blijkt niet dat Eiser de procedure ex artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet heeft gevolgd.

Eiser concludeert tot het niet-ontvankelijk verklaren van het koninkrijk Saoedi-Arabië in haar incidentele vorderingen, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van het koninkrijk Saoedi-Arabië in de kosten van dit incident te vermeerderen met de wettelijke rente. Eiser voert daartoe aan dat er geen sprake is van enig vormverzuim en de dagvaarding rechtsgeldig is betekend. Hiertoe voert Eiser aan dat een vertaling van de dagvaarding rechtens niet noodzakelijk is en dat het koninkrijk Saoedi-Arabië niet in haar belangen is geschaad, nu zij tijdig verweer ten principale heeft gevoerd en voldoende tijd heeft gehad de dagvaarding te (laten) vertalen. Bovendien is de United Nations Convention on Jurisdictional Immunities of States and their Property van 2 december 2004 niet van toepassing, omdat dit verdrag betrekking heft op handelingen die een staat verricht in de uitoefening van zijn overheidstaak, waarvan in dit geval geen sprake is. Tot slot heeft Eiser contact gehad met een medewerker van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, die heeft aangegeven dat de dagvaarding op juiste wijze is betekend en er geen sprake is van strijdigheid met de volkenrechtelijke verplichtingen van de Nederlandse staat. Om die reden is er geen sprake van dat artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet niet is nageleefd.

Beoordeling in het incident

Tussen partijen is in geschil of de uitgebrachte dagvaarding nietig is dan wel vernietigd dient te worden, nu de dagvaarding niet is vergezeld van een vertaling. De kantonrechter is van oordeel dat de beantwoording van deze vraag achterwege kan worden gelaten, nu het koninkrijk Saoedi-Arabië in de procedure is verschenen en in de Nederlandse taal' gemotiveerd verweer heeft gevoerd tegen de vordering. Voor zover er al sprake geweest zou zijn van een nietigheid in de dagvaarding, is deze nietigheid door het tijdig verschijnen en gemotiveerd verweer voeren door het koninkrijk Saoedi-Arabië gedekt en kan dit niet leiden tot vernietiging van de dagvaarding. De incidentele vorderingen tot nietigverklaring dan wel vernietiging van de dagvaarding zullen om die reden worden afgewezen.

De incidentele vordering om Eiser te veroordelen om alsnog een vertaling van de dagvaarding te doen leveren wordt eveneens afgewezen. De kantonrechter overweegt daartoe dat het koninkrijk Saoedi-Arabië reeds kennis heeft genomen van de inhoud van de dagvaarding, hetgeen blijkt uit het gemotiveerde verweer dat van haar zijde in de Nederlandse taal is gevoerd. Het koninkrijk Saoedi-Arabië heeft naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen belang meer bij de vertaling van de dagvaarding.

Het voorgaande brengt mee dat de incidentele vorderingen sub I en II zullen worden afgewezen.

Met betrekking tot de stelling van het koninkrijk Saoedi-Arabië dat Eiser de procedure ex artikel 3a van de Gerechtsdeurwaarderswet niet heeft gevolgd overweegt de kantonrechter als volgt. Eiser heeft bij conclusie van antwoord in het incident een productie in het geding gebracht, te weten een brief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, waaruit blijkt dat Eiser deze procedure wel heeft gevolgd. Dit brengt mee dat de incidentele vordering sub III zal worden afgewezen.

Nu de incidentele vorderingen worden afgewezen, zal het koninkrijk Saoedi-Arabië worden veroordeeld in de kosten van dit incident.

Alvorens in de hoofdzaak verder te beslissen heeft de kantonrechter behoefte aan nadere inlichtingen. De kantonrechter zal daartoe een comparitie van partijen bepalen, die tevens benut kan worden voor het beproeven van een minnelijke regeling. Partijen wordt verzocht stukken, waarop zij zich ter comparitie willen beroepen, tijdig - in kopie - toe te zenden aan de kantonrechter en de wederpartij.

Beslissing

De kantonrechter:

in het incident

wijst de vorderingen af;

veroordeelt het koninkrijk Saoedi-Arabië in de kosten van dit incident, tot op heden aan de zijde van Eiser begroot op € 250,- aan salaris gemachtigde, en bepaalt dat dit bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis moet zijn voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

gelast partijen, desgewenst vergezeld van hun gemachtigden, te verschijnen voor de kantonrechter die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan no. 60 te 's-Gravenhage in een der vertrekken op de eerste etage (melden bii balie C) op:

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. T.J. Sleeswijk Visser-de Boer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2012.