Verweer niet ondertekende schuldbekentenis verworpen

De zoon van Eiser, heeft aan Gedaagde meerdere geldbedragen geleend. Hierover heeft de Gedaagde een schuldbekentenis opgesteld, die door partijen niet is ondertekend. De schuldbekentenis is namelijk per e-mail opgestuurd. De betalingsregeling die hierin stond is de Gedaagde niet nagekomen. De zoon heeft daarom de schuld overgedragen naar zijn vader. Eenmaal in de gerechtelijke procedure heeft de gedaagde de vordering betwist. Ter onderbouwing geeft hij aan dat deze schuldbekentenis niet is ondertekend en is opgesteld onder invloed van een wilsgebrek. Ook had hij in de opluchting van het verkrijgen van een lening veel te hoge bedragen in zijn schuldbekentenis opgeschreven. Ook voert hij aan dat hij had mogen vertrouwen dat de zoon van de eiser geen terugbetaling van het geleende meer verlangde, gezien zijn luxueuze levensstijl. De rechter geeft aan dat het feit dat de schuldbekentenis niet is ondertekend, niet betekend dat het geen bewijskracht heeft. Het verweer van Gedaagde wordt dan ook in zoverre verworpen. Ook is de rechter van oordeel dat Gedaagde onvoldoende heeft gesteld in welke omstandigheden er sprake is geweest van een wilsgebrek bij het opstellen van de schuldbekentenis. Verder heeft Gedaagde meerdere malen hetzelfde (gevorderde) bedrag genoemd, waardoor de rechter de vordering met alle kosten toewijst.

Datum: 2 maart 2012
Rechtbank: Rotterdam, sector Kanton, locatie Rotterdam
Zaaknummer: 1256179 CV EXPL 11-39551

Vonnis

in de zaak van

EISER, wonende te  , eiser,

gemachtigde: IntoCash te Rotterdam, tegen

GEDAAGDE,

wonende te, gedaagde,

gemachtigde: mr.   te  .

Partijen worden hierna aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

het exploot van dagvaarding van 30 juni 2011, met producties;

de conclusie van antwoord (tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring), met producties;

de conclusie van repliek (tevens conclusie van antwoord in het incident), met producties;

het vonnis in het vrijwaringincident van 23 december 2011;

de conclusie van dupliek.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

De zoon van Eiser, (hierna: De zoon van Eiser), heeft aan Gedaagde meerdere geldbedragen geleend.

Ter zake van de geldleningen heeft Gedaagde een schuldbekentenis opgesteld, die door partijen niet is ondertekend. Deze schuldbekentenis heeft Gedaagde op 28 april 2008 door middel van een e-mailbericht naar Eiser verstuurd. De schuldbekentenis luidt, voorzover thans van belang, als volgt:

Schuldbekentenis

(...) Hierbij verklaar ik, Gedaagde, geboren op 8 december 1980 te Paramaribo een schuld te hebben bij De zoon van Eiser Eiser (...). Deze schuld bedraagt de volgende bedragen 2150 euro Vakanties 1000 euro HC

1500 euro       Persoonlijke lening

4650 euro       Totale Schuld

Hierbij spreek ik de volgende betalingsregeling vast.

Elke I4e van de maand wordt er een bedrag overgemaakt van 330 euro gedurende 3 maanden. Dus de maanden mei, juni, juli

Elke 14e van de maand wordt er een bedrag overgemaakt van 600 euro overgemaakt gedurende 6 maanden. (...)

Op deze manier wordt een lening afgelost van € 4650 euro in een tijdbestek van 9 maanden. (...)

Gedaagde                                          De zoon van Eiser

De begeleidende e-mail luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

…,

Hier een schuldbekentenis. Heb hier een uitgeprinte versie met mijn handtekening eronder. Deze is dan voor jou nu en doe hem straks met handtekening op de bus. Heb de termijnen iets bijgesteld. In totaal 9 maanden. Als ik meer geld heb dan normaal zal ik het proberen in 6 maanden te doen. Voor de rest.: SUPERBEDANKT (...) Kan namelijk niet bij mij pa terecht. (...) Als je alles overmaakt zou je dan alles met spoed willen doen. (...) "

Gedaagde is de in schuldbekentenis opgenomen regeling niet nagekomen.

De zoon van Eiser heeft de vordering op Gedaagde op l november 2010 overgedragen aan Eiser middels een door hem en zijn vader ondertekend stuk, getiteld "Overdracht vordering". In dit stuk is onder meer het volgende te lezen:

Hierbij draag ik, De zoon van Eiser, geboren te, mijn vordering groot € 4.650 op Gedaagde, geboren op te, over op mijn vader, Eiser, geboren op te.

Eiser heeft Gedaagde diverse malen gesommeerd tot terugbetaling van het geleende. In reactie op één van de sommaties van Eiser heeft Gedaagde per e-mail op 30 december 2010 aan Eiser het volgende verklaard:

(...) Allereerst vind ik het uitermate vervelend hoe het allemaal gelopen is en kan wel concluderen dat de combinatie van mensen een verkeerde is geweest. Echter ben ik de schuld aan De zoon van Eiser niet vergeten en ben deze ook voornemens terug te betalen. (...) Ik stel dan ook voor om een maandelijkse overschrijving van 125 euro in te stellen en het resterende bedrag op 2 augustus te lenen bij een bank en zo mijn schuld af te lossen. Ik begrijp dat dit voor u niet de ideale oplossing is. Echter wil ik mij niet aan mijn terugbetalingsverplichting onttrekken en wil dit in alle vrede oplossen. (...)

Bij brief van 9 maart 2011 heeft Gedaagde in reactie op een door Eiser in het kader van een betalingsregeling gedaan tegenvoorstel aan Eiser, voor zover thans van belang, het volgende bericht:

(...) Allereerst ben ik niet akkoord met de hoogte van de hoofdsom. Mijns inziens moet de door u genoemde hoofdsom met EUR 1000 worden verlaagd. (...) Desalniettemin wil ik mijn schuld voldoen om vervolgens alles achter ons te kunnen laten met hopelijk het gevolg dat we elkaar enigszins recht in het gezicht te kunnen aankijken en daarom heb ik bij deze brief een terugbetalingvoorstel bijgesloten welke mijns inziens juist, redelijk en nakoombaar is.(...)

Het geschil en de stellingen van partijen

Eiser heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 4.650,00 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten als in de dagvaarding omschreven. Aan zijn vordering legt Eiser, naast de onder 2. genoemde feiten, - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - ten grondslag, dat De zoon van Eiser zijn vordering op Gedaagde aan hem heeft overgedragen en dat Gedaagde, ondanks herhaalde sommaties in gebreke is gebleven met terugbetaling van de aan hem verstrekte gelden. Eiser was daarom genoodzaakt zijn vordering uit handen te geven aan zijn gemachtigde, die buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Op grond van de wet is Gedaagde wettelijke rente verschuldigd.

Gedaagde heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd dat uit de door hem opgestelde schuldbekentenis geen dwingende verplichting kan voortvloeien tot onmiddellijke voldoening van de gehele lening. Gedaagde heeft ter onderbouwing van deze stelling aangevoerd dat de schuldbekentenis niet is ondertekend en bovendien is opgesteld onder invloed van een wilsgebrek. Gedaagde heeft in dit verband gesteld dat hij op een gegeven moment in financiële problemen kwam en hiervoor de hulp van De zoon van Eiser heeft gezocht. Vanwege het feit dat De zoon van Eiser bereid was hem te hulp te schieten en uit een gevoel van erkentelijkheid hiervoor, heeft Gedaagde direct een schuldbekentenis opgesteld en deze gestuurd aan De zoon van Eiser. Na het sturen van het e-mailbericht bedacht Gedaagde dat hij in zijn opluchting en dankbaarheid te veel en te hoge bedragen had opgeschreven in zijn schuldbekentenis. Volgens Gedaagde heeft hij uiteindelijk geen € 4.560,00 geleend van De zoon van Eiser, maar slechts € 1.432,00. Dit bedrag bestond uit een lening van € 500,00 voor een vakantie en 6 932,00 voor een door De zoon van Eiser betaalde telefoonrekening. Gedaagde heeft voorts gesteld dat De zoon van Eiser, nadat terugbetaling van het geleende uitbleef, geen enkele actie heeft ondernomen om de schuld te innen. Het voorgaande en de omstandigheid dat De zoon van Eiser zich bovendien etaleerde als succesvol zakenman en er een luxueuze levensstijl op nahield, brengt volgens Gedaagde met zich mee dat hij erop had mogen vertrouwen dat De zoon van Eiser geen terugbetaling van het geleende verlangde.

Op de overige stellingen van partijen, voor zover althans voor beoordeling van belang, komt de kantonrechter hierna terug.

De beoordeling van de vordering

Ter beoordeling ligt de vordering voor van Eiser op Gedaagde ter zake van bedragen die door De zoon van Eiser aan Gedaagde zijn uitgeleend en die Gedaagde niet zou hebben terugbetaald. Ter onderbouwing van zijn vordering beroept Eiser zich op de door Gedaagde opgestelde en als bijlage bij de e-mail van 28 april 2008 verstuurde schuldbekentenis. Gedaagde heeft ten aanzien van deze schuldbekentenis onder meer gesteld dat Eiser zich hierop niet kan beroepen, omdat de schuldbekentenis niet door hem is ondertekend. Op zichzelf is juist dat de schuldbekentenis niet kan worden aangemerkt als onderhandse akte als bedoeld in artikel 158 Rv met de daaraan verbonden verbindende bewijskracht. Dit betekent niet dat het stuk in het geheel geen bewijskracht heeft of zou kunnen hebben. Gedaagde betwist namelijk niet de e-mail aan De zoon van Eiser te hebben verstuurd. In het algemeen geldt dat niet-ondertekende geschriften wel feitelijke gegevens kunnen leveren, waarvan de waardering aan de rechter is overgelaten. Dat de schuldbekentenis niet door Gedaagde is ondertekend en daarom eigenlijk geen schuldbekentenis is, brengt dan ook niet met zich mee dat Eiser zich niet op de inhoud van de e-mail van 28 april 2008, met bijlage zou kunnen beroepen. Het verweer van Gedaagde wordt dan ook in zoverre verworpen.

Gedaagde heeft ten aanzien van de schuldbekentenis voorts aangevoerd dat deze onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen. Gedaagde heeft hiertoe aangevoerd dat hij in zijn opluchting en dankbaarheid jegens De zoon van Eiser te hoge bedragen in de schuldbekentenis heeft vermeld. Hieromtrent wordt het volgende overwogen. Uit de laatste zin van de bewuste e-mail, zoals geciteerd onder 2.3, valt op te maken dat Gedaagde nog (een deel?) van de lening tegoed had. Daaruit leidt de kantonrechter af dat Gedaagde met het versturen van de schuldbekentenis, inclusief de belofte een door hem ondertekend exemplaar per post te versturen mede de bedoeling had De zoon van Eiser tot betaling te bewegen. Uit de inhoud van de gedeeltelijk geciteerde correspondentie tussen Gedaagde en Eiser en de door Gedaagde opgestelde schuldbekentenis volgt bovendien dat Gedaagde aanvankelijk vastberaden was om het geleende terug te betalen, hetgeen ook blijkt uit de door hem voorgestelde betalingsregelingen. Dat Gedaagde voor het eerst bij conclusie van antwoord stelt dat sprake was van een wilsgebrek verhoudt zich dan ook niet met de inhoud van de hiervoor vermelde correspondentie. Het voorgaande brengt met zich mee dat van het bestaan van een wilsgebrek aan de zijde van Gedaagde niets bleek en Gedaagde derhalve concrete feiten en omstandigheden dient te stellen omtrent de aanwezigheid van een wilsgebrek en waarom hij omtrent het bestaan daarvan tegenover De zoon van Eiser danwel Eiser aanvankelijk niets heeft gesteld. De kantonrechter is van oordeel dat Gedaagde in het licht van het voorgaande onvoldoende heeft gesteld en niet kan worden geconcludeerd dat in de gegeven omstandigheden sprake is geweest van een wilsgebrek, nog daargelaten dat aan de hand van hetgeen Gedaagde hieromtrent heeft aangevoerd niet kan worden vastgesteld van welk wilsgebrek (bedreiging, dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden) sprake geweest zou moeten zijn. Het verweer van Eiser dient dan ook verworpen te worden.

Gedaagde heeft nog aangevoerd dat hij geen € 4.560,00 van De zoon van Eiser heeft geleend, maar slechts € 1.472,00 en hij, gelet op de levensstijl van De zoon van Eiser en het feit dat laatstgenoemde hem niet heeft gemaand om overeenkomstig de schuldbekentenis de lening terug te betalen, erop mocht vertrouwen dat het geleende bedrag niet terugbetaald behoefde te worden. Uit de overgelegde producties blijkt dat Gedaagde in zijn e-mailbericht van 30 december 2010 aanvankelijk de hoogte van het in de schuldbekentenis genoemde bedrag niet heeft betwist en zelfs een betalingsregeling heeft voorgesteld. Gedaagde geeft bij brief van 9 maart 2011 te kennen dat het gevorderde bedrag € 1.000,00 te hoog is en hij stelt Eiser hooguit een bedrag van € 3,560,00 verschuldigd te zijn. Vervolgens stelt Gedaagde bij conclusie van antwoord slechts een bedrag van € 1.472,00 van De zoon van Eiser te hebben geleend. De kantonrechter is van oordeel dat de door Gedaagde voorgestelde betalingsregeling in het hiervoor vermelde e-mailbericht van 30 december 2010, niet anders kan worden opgevat dan als een erkentenis dat hij de door Eiser genoemde bedragen aan De zoon van Eiser verschuldigd was. Dit betekent ook dat Gedaagde met de hoogte van het in deze procedure gevorderde bedrag heeft ingestemd. Tegen deze achtergrond en gezien de inhoud van de schuldbekentenis, waarvan niet is komen vast te staan dat deze onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, heeft Gedaagde niet aannemelijk weten te maken dat hij slechts € 3.560,00 of € 1.472,00 zou hebben geleend van De zoon van Eiser. Daarbij is nog van belang dat Gedaagde heeft gesteld dat hij zich kort na het versturen van de schuldbekentenis al realiseerde dat deze onjuist was. Onder die omstandigheden had het op de weg gelegen van Gedaagde om, als de schuldbekentenis daadwerkelijk onjuist was geweest, De zoon van Eiser hiervan direct op de hoogte te brengen. Dat Gedaagde zulks niet gedaan heeft dient voor zijn rekening te komen.

De door Gedaagde aangevoerde omstandigheid ten slotte dat De zoon van Eiser, niet direct is overgegaan tot aanmaning nadat hij in gebreke bleef met terugbetaling van het geleende bedrag en De zoon van Eiser er bovendien een uitbundige levensstijl op na zou hebben gehouden, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om te kunnen concluderen dat Eiser er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij de lening niet meer zou hoeven terugbetalen, zulks mede gelet op de vriendschappelijke band tussen De zoon van Eiser en Gedaagde en de omstandigheid dat De zoon van Eiser kennelijk op de hoogte was van de benarde financiële situatie van Gedaagde.

Gedaagde heeft een algemeen aanbod gedaan tot het leveren van bewijs en heeft daarbij de namen van verschillende potentiële getuigen genoemd. Gedaagde heeft echter niet toegelicht welke stellingen hij hiermee precies wil bewijzen. Het door Gedaagde gedane bewijsaanbod dient derhalve als onvoldoende concreet te worden gepasseerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient te worden geconcludeerd dat Gedaagde gehouden is het geleende terug te betalen aan Eiser. De gevorderde hoofdsom zal derhalve worden toegewezen.

Vaststaat dat Gedaagde niet tijdig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Uit de door Eiser in het geding gebrachte stukken blijkt dat Eiser als gevolg van het betalingsverzuim zijdens Gedaagde (herhaaldelijk) aanmaningen heeft verzonden en heeft getracht met Gedaagde een betalingsregeling te treffen. Eiser heeft derhalve buitengerechtelijke werkzaamheden verricht die voor vergoeding in aanmerking komen. Voormelde kosten zijn berekend conform de redelijke en gebruikelijke tarieven voor buitengerechtelijke kosten. Derhalve wordt de vergoeding van buitengerechtelijke kosten toegewezen.

De door Eiser gevorderde vervallen rente wordt als onweersproken en op de wet gegrond toegewezen.

Voor het (eventueel) treffen van een betalingsregeling met Eiser wordt Gedaagde verwezen naar de gemachtigde van Eiser.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

Gedaagde wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de procedure.

De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser tegen kwijting te betalen € 5.431,65, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over € 4.650,00, vanaf 24 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 232,81 aan verschotten en € 500,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Vonnis in het incident

in de zaak van

EISER, wonende te  , eiser,

gemachtigde: IntoCash te Rotterdam, tegen

GEDAAGDE,

wonende te, gedaagde,

gemachtigde: mr.   te  .

Partijen worden hierna aangeduid als "Eiser" en "Gedaagde".

Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

het exploot van dagvaarding van 30 juni 2011, met producties;

de conclusie van antwoord (tevens incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring), met producties;

de conclusie van repliek (tevens conclusie van antwoord in het incident), met producties.

Het geschil en de stellingen van partijen

Eiser heeft Gedaagde in rechte betrokken en heeft - verkort weergegeven - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 4.650,00 aan hoofdsom, vermeerderd niet rente en kosten als in de dagvaarding omschreven,

Aan zijn vordering legt Eiser - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang -ten grondslag, dat zijn zoon diverse malen geld heeft uitgeleend aan Gedaagde en laatstgenoemde ten aanzien van de verstrekte gelden een schuldbekentenis heeft opgesteld. De zoon van Eiser heeft zijn vordering overgedragen aan Eiser en zodoende heeft Eiser een vordering op Gedaagde. Volgens Eiser is Gedaagde, ondanks herhaalde sommaties in gebreke gebleven met terugbetaling van de aan hem verstrekte gelden. Eiser was daarom genoodzaakt zijn vordering uit handen te geven aan zijn gemachtigde, die buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. Op grond van de wet is Gedaagde wettelijke rente verschuldigd.

Gedaagde heeft voor antwoord geconcludeerd en daarbij gevorderd hem toe te staan, De zoon van Eiser in vrijwaring op te roepen, indien de kantonrechter van oordeel zou zijn dat Gedaagde tegenover Eiser geen beroep toekomt op de door hem bij conclusie van antwoord gestelde wilsgebreken ten aanzien van de totstandkoming van de schuldbekentenis.

Eiser heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde oproeping in vrijwaring.

De overige stellingen van partijen zullen, voor zover nodig, nader worden besproken bij de beoordeling van het incident.

De beoordeling van het incident

Minimumvereiste voor toewijzing van een incidentele vordering tot vrijwaring is (de stelling) dat tussen de gedaagde in de hoofdzaak (de gewaarborgde) en een derde (de waarborg) een rechtsverhouding bestaat, op grond waarvan de gewaarborgde de nadelige gevolgen van verlies van de hoofdzaak kan afwentelen op de waarborg.

In het onderhavige geval is door Gedaagde niet gesteld, dat tussen hem en De zoon van Eiser een rechtsverhouding bestaat waarbinnen De zoon van Eiser verantwoordelijk is voor de betaling van de schuld van Gedaagde. Het voorgaande brengt met zich dat zelfs indien in de hoofdzaak zou worden beslist, dat Gedaagde tegenover Eiser geen beroep kan doen op een wilsgebrek ten aanzien van de totstandkoming van de schuldbekentenis, nog steeds niet aan de onder 3.1 genoemde voorwaarde is voldaan. Tegen deze achtergrond dient de incidentele vordering van Gedaagde te worden afgewezen. In dit verband wordt nog opgemerkt, dat ingevolge artikel 145 Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de overgang van een vordering de verweermiddelen van de schuldenaar onverlet laat. Dit betekent dat Gedaagde gerechtigd is de verweermiddelen die hij tegen De zoon van Eiser had in te roepen tegen Eiser. Voor oproeping in vrijwaring (in voorwaardelijke zin, wat ook niet mogelijk is) als dit al toegestaan zou worden, is dan ook geen reden.

De beslissing over de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak.

Op grond van artikel 210 lid 5 Rv bepaalt de rechter, indien de vordering tot oproeping in vrijwaring wordt afgewezen, bij die beslissing de dag waarop de zaak weer op de rol zal komen of beveelt hij een comparitie van partijen. Gedaagde heeft op de rolzitting van 20 december 2011 geconcludeerd voor dupliek. De kantonrechter heeft daarop beslist dat op 20 januari 2012 vonnis zal worden gewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

in het incident: wijst de vordering af;

reserveert de beslissing over de kosten van de procedure in het incident tot de eindbeslissing in de hoofdzaak;