Verweer van huurder onvoldoende onderbouwd. Ontbinding toegewezen

Tussen partijen is een huurovereenkomst gesloten. De huurder heeft een huurachterstand van twee maanden plus de lopende maand laten ontstaan, waarna de verhuurder is gaan dagvaarden. In eerste instantie verweerde de huurder zich tegen de vordering. Vervolgens heeft de verhuurder dit verweer gemotiveerd weersproken. Hiermee lag het bij de huurder om zijn verweer met bewijzen te onderbouwen. Dit heeft hij niet gedaan. De rechter wijst daarmee de ontbinding en ontruiming toe en de huurder moet naast de huurachterstand ook de kosten van de procedure voldoen.

Datum: 22 november 2016
Rechtbank: Rechtbank Noord-Holland
Zaaknummer: 4804940 CV EXPL 16-1692

Vonnis

inzake

Eiser,

eiseres,

gemachtigde mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash, tegen

Gedaagde,

gedaagde,

in persoon procederende.

PROCESGANG

1.1.         Bij tussenvonnis van 13 september 2016 heeft de kantonrechter eiseres in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het rentebeding. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt bij akte van 11 oktober 2016.

1.2.        Ten slotte is vonnis bepaald.

OVERWEGINGEN

De beoordeling

2.1.       De inhoud van het vonnis van 13 september 2016 moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en de daarvan deel uitmakende overwegingen worden gehandhaafd.

2.2.       Naar het oordeel van de kantonrechter heeft eiseres het verweer van gedaagde bij repliek voldoende gemotiveerd weersproken. Gedaagde heeft deze gemotiveerde weerlegging van eiseres niet meer ontzenuwd. Stukken waaruit de juistheid van het verweer van gedaagde had kunnen blijken, heeft hij niet overgelegd. Het door gedaagde bij antwoord gevoerde verweer moet daarom als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Nu hetgeen door eiseres is aangevoerd de gevorderde hoofdsom kan dragen, zal deze worden toegewezen.

2.3.      De gevorderde ontbinding en ontruiming zullen eveneens worden toegewezen. De huurachterstand bedroeg bij dagvaarding meer dan twee maanden plus de lopende maand, het criterium waaraan de kantonrechter de toewijsbaarheid van deze vorderingen toetst. De termijn voor ontruiming zal worden vastgesteld op 14 dagen.

2.4.      Eiseres heeft bij akte gesteld dat er geen beding is opgenomen in de algemene voorwaarden van de huurovereenkomst en dat partijen uitgebreid hebben onderhandeld over het in de huurovereenkomst opgenomen rentebeding van 1,5% per maand. Er is derhalve sprake van een kernbeding en niet van een onredelijk bezwarend beding.

2.5.        De kantonrechter oordeelt als volgt. Voor de vaststelling van wat onder een kernbeding moet worden verstaan, is niet bepalend of het beding een voor de gebruiker of voor beide partijen belangrijk punt regelt. Voorts moet het begrip kernbeding zo beperkt mogelijk worden opgevat, waarbij als vuistregel kan worden gesteld dat kernbedingen veelal zullen samenvallen met de essentialia zonder welke een overeenkomst, bij gebreke van voldoende bepaalbaarheid van de verbintenissen, niet tot stand komt (HR 19 september 1997, NJ 1998, 6). Waar in de wetsgeschiedenis wordt opgemerkt dat bepalend is of een beding van zo wezenlijke betekenis is dat zonder dat beding de overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen of zonder dit beding niet van wilsovereenstemming omtrent het wezen van de overeenkomst sprake zou zijn, moet zulks dan ook in de zojuist bedoelde objectieve zin worden begrepen, en kan daaraan niet worden ontleend dat de subjectieve inzichten van de partijen of een van hen van belang zouden zijn. De vraag of partijen zelf bedingen tot kernbedingen kunnen bestempelen, moet ontkennend worden beantwoord; het dwingende karakter van de regeling verzet zich tegen alle bedingen die ertoe strekken, de door de wet geboden bescherming te verijdelen (HR, 21-02-2003, nr. C01/337HR en NJ 2004, 567).

2.6.        De overeenkomst tussen partijen is een huurovereenkomst. De essentialia van een dergelijke overeenkomst zijn, zo volgt uit artikel 7:201 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het verschaffen van het tijdelijk gebruik van een zaak en de tegenprestatie voor dat gebruik. De bepaling omtrent rente, die gedaagde bij het niet (tijdig) nakomen van zijn verplichting tot betaling van de huurprijs verschuldigd is, maken, ofschoon niet onbelangrijk, in beginsel geen deel uit van de essentie van een huurovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat op grond van het voorgaande er geen sprake is van een kernbeding en derhalve dient de contractuele rente ambtshalve getoetst te worden.

2.7.        De kantonrechter is van oordeel dat de omstandigheid dat het hier gaat om een aanmerkelijk hogere rente (18% per jaar) dan de thans in Nederland geldende wettelijke rente (2% per jaar) de contractuele rente als zijnde onredelijk bezwarend dient te worden beoordeeld. De kantonrechter zal de primair gevorderde contractuele rente afwijzen en de subsidiair gevorderde wettelijke rente toewijzen vanaf de vervaldata van de betreffende maandelijkse huurpenningen tot aan de dag der algehele voldoening.

2.8.        Gelet op het uit artikel 6:96 lid 2 sub c BW voortvloeiende vereiste dat het redelijk moet zijn om de buitengerechtelijke kosten te maken en in dat kader van de eisende partij kan worden verlangd dat zij op enig moment incassohandelingen ten aanzien van de vervallen bedragen combineert, zal vordering worden toegewezen voor een bedrag van € 190,78, hetgeen overeenkomt met het wettelijke tarief over de thans gevorderde hoofdsom, met dien verstande dat de gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, aangezien de eisende partij niet heeft gesteld dat die kosten al daadwerkelijk zijn betaald aan de incassogemachtigde;

2.9.          Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom, dat toewijsbaar zijn bedragen van € 1.051,13 ter zake van hoofdsom en € 190,78 ter zake van buitengerechtelijke kosten, ofwel in totaal € 1.241,91, te vermeerderen met verdere rente.

2.10.      Gedaagde zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

2.11.       De meegevorderde nakosten zijn eveneens toewijsbaar. De gevorderde rente over de nakosten is toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis.

BESLISSING

De kantonrechter:

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen met betrekking tot het pand:

9503 AD Stadskanaal, Stationsstraat 6, kamer 7A;

veroordeelt gedaagde om bedoeld pand met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij

deze laatste het eigendom van eiseres zijn, binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis te

ontruimen en te verlaten en onder afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eiseres te stellen;

veroordeelt gedaagde om tegen bewijs van betaling aan eiseres te voldoen een bedrag van € 1.241,91, vermeerderd met de wettelijke rente over€ 1.0513,13 vanaf de vervaldata van de betreffende maandelijkse huurpenningen tot de algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde voorts om aan eiseres te voldoen een bedrag van € 211,81 voor elke maand of gedeelte daarvan, gedurende welke gedaagde het hierna bedoelde pand in gebruik heeft na januari 2016;

veroordeelt gedaagde om de kosten van deze procedure te voldoen, aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 94,08 aan dagvaardingskosten, € 223,00 aan griffierecht en € 200,00 aan salaris van de gemachtigde van eiseres. De gevorderde rente over de proceskosten is toewijsbaar. Omdat er sprake moet zijn van een redelijke termijn voor betaling, is de ingangsdatum veertien dagen na de uitspraak van dit vonnis;

veroordeelt gedaagde in de nakosten, die worden begroot op een bedrag van € 50,00 te voldoen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis en zonder die voldoening daarna te vermeerderen met de wettelijke rente over het niet betaalde bedrag, tot de algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Bootsma, kantonrechter, en op 22 november 2016 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.