Voor contractsoverneming is medewerking van de wederpartij vereist

De zaak gaat over openstaande facturen voor een camping staanplaats voor het jaar 2019. De gedaagde is van mening dat hij die rekening niet verschuldigd is omdat hij de staanplaats heeft gegeven aan een andere persoon.

De rechter buigt zicht over de vraag of hij dan nog huurder van de staanplaats was in dat jaar. De gedaagde laat een papier zien wat door hemzelf en de derde partij (B) is ondertekend waarin staat dat Gedaagde de caravan gratis heeft overgedragen aan B. De camping betwist dat de staanplaats is overgenomen door B. Zij kent B als huurder van de caravan en zij weet dat B de huur betaalde, maar volgens De Camping is de huurovereenkomst voor de staanplaats niet op zijn naam gezet en is gedaagde verantwoordelijk gebleven voor de betaling. Dat ze daar onderling afspraken over hebben gemaakt maakt dat niet anders volgens de Camping.

De rechter oordeelt dat het niet duidelijk is geworden dat B huurder is geworden van de staanplaats. Dat B en gedaagde samen iets hebben afgesproken is niet genoeg om de contractsrelatie tussen de Camping en Gedaagde te veranderen. Als B het contract tussen gedaagde en Camping had willen overnemen had de Camping hiervan wel op de hoogte moeten zijn gebracht en medewerking moeten verlenen (artikel 6:159 BW). Gedaagde blijft verantwoordelijk voor het betalen voor de staanplaats factuur van 2019.

Datum: 24 juni 2020
Rechtbank: Rechtbank Utrecht
Zaaknummer: 8241494 UC EXPL 19-13941 JPd/45024

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Eiser,

verder ook te noemen: De Camping,

eisende partij,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung (Incassobureau IntoCash),

tegen:

Gedaagde,

verder ook te noemen: Gedaagde,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. S. Gadellaa.

De procedure

1.1.       De Camping heeft, met een dagvaarding met 3 producties, een vordering ingesteld tegen Gedaagde. Gedaagde heeft schriftelijk verweer gevoerd met een conclusie van antwoord met zes producties. De Camping heeft bij de brief van 15 mei 2020 producties 4 tot en met 7 overlegd en Gedaagde heeft bij de brief van 18 mei 2020 productie 7 van zijn kant ingediend. Daarna is een mondelinge behandeling bepaald.

1.2.       De mondelinge behandeling is gehouden op 25 mei 2020 via een Skypeverbinding.

De kantonrechter sprak met eiser en mr. Cheung namens De Camping, en met Gedaagde en zijn dochter, bijgestaan door mr. Gadellaa. De griffier heeft van deze zitting aantekeningen gemaakt.

1.3.       Daarna volgt dit vonnis.

Het geschil

2.1.       Het gaat in deze procedure om facturen voor staanplaats (nummer 288) op Camping voor het jaar 2019. Gedaagde betaalde die niet en De Camping vordert in deze procedure betaling van het openstaande factuurbedrag van € 2.078,08, € 20,94 aan verschenen rente (tot aan de dagvaarding), rente over de hoofdsom tot aan de betaling en een vergoeding. voor de proceskosten.

2.2.      Gedaagde stelt primair dat De Camping niet ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering omdat Gedaagde niet bekend is met De Camping. Hij kent alleen de naam Camping . Dit is volgens hem geen handelsnaam van De Camping. Op grond van de vereisten aan een exploot moet volgens hem zowel de statutaire naam als de handelsnaam van eiseres worden vermeld. Doordat De Camping dat niet heeft gedaan is het exploot van dagvaarding nietig.

2.3,      Als De Camping wel ontvankelijk is in haar vordering stelt Gedaagde dat hij de factuur niet hoeft te betalen omdat hij in 2019 geen huurder meer was van staanplaats 288 omdat B die staanplaats had overgenomen vanaf 1 januari 2018. Volgens Gedaagde moet de vordering daarom worden afgewezen, en De Camping worden veroordeeld in de proceskosten.

2.4.      Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling

3.1.      Op grond van artikel 66 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering leid het niet naleven van de vereisten aan een exploot alleen tot nietigheid als aannemelijk is dat de gedaagde hierdoor onredelijk benadeeld is. Dat is in deze zaak niet. aan de orde: Als er al sprake is van een gebrek in het exploot, dan geldt dat er geen aanwijzingen voor zijn dat dat Gedaagde daardoor bemoeilijkt is in de mogelijkheid om inhoudelijk verweer in het geding te kunnen voeren. Het exploot is dan ook niet nietig.

3.2. Uit de stukken clie De Camping heeft ingediend en de toelichting die daarop tijdens de mondelinge behandeling is gegeven is ook voldoende duidelijk dat De Camping de partij is die de huur voor de standplaatsen op camping  kan innen over 2019. Of Gedaagde de huur moet betalen hangt—gezien zijn verweer—af van de vraag of hij (nog) huurder van de staanplaats was in dat jaar.

3.3. Gedaagde huurde jarenlang twee plekken op Camping ; plek 288, waar hij een caravan op had staan, en een plek met een chalet. De caravan verhuurde Gedaagde aan de heer R. B, Hij heeft een kopie van een stuk (gedateerd 2 augustus 2017) overgelegd dat door hemzelf en B is ondertekend waarin staat dat Gedaagde de caravan gratis heeft overgedragen aan B, dat de plaats is betaald tot december 2017 en dat B

"het nieuwe seizoen 2018 zal voldoen aan de Camping  en ook voor de 25" van de maand gas, licht, eleeira en water voldoet aan Camping Maaszieht, Helen en Maieol, dat is de cd:vproak met de beheerder. Verder, dat G. Gedaagde, na gelezen en ondertekend van bovengenoemde niet meer aansprakelijk is voor plaats 288".

3.4. De Camping betwist dat de staanplaats is overgenomen door B. Zij kent hem als huurder van de caravan en zij weet dat B de huur betaalde, maar volgens De Camping is de huurovereenkomst voor de staanplaats niet op zijn naam gezet en is Gedaagde verantwoordelijk gebleven voor de betaling. De afspraken tussen Gedaagde en B over betaling van de huts• en de nutsvoorzieningen maken dat niet anders volgens De Camping.

3.5. Naar het oordeel van de kantonrechter kan op grond van de feiten en omstandigheden die Gedaagde heeft aangevoerd niet aangenomen worden B in zijn plaats huurder van de staanplaats (288) is geworden en dus de facturen moet betalen. Dat B de caravan overnam en daarbij met Gedaagde heeft afgesproken dat hij de huur zou betalen en dat B dat ook enige tijd deed, is daarvoor niet genoeg. Dat brengt geen verandering in de contractsrelatie tussen Camping  en Gedaagde.

3.6. Gedaagde gaat er kennelijk vanuit dat B het contract heeft overgenomen. maar dat blijkt niet uit wat hij heeft gesteld. Voor contractsoverneming (in de wet geregeld in artikel 6:159 BW) is medewerking van de wederpartij vereist, in dit geval dus van Camping  als verhuurder van de staanplaats. Dat dit is gebeurd blijkt niet uit de stukken en ook niet uit wat Gedaagde heeft aangevoerd over hoe het gegaan is destijds. Hij heeft gesteld dat hij de beheerders van de camping in 2017 op de hoogte heeft gesteld van zijn afspraken met B, maar dat is niet genoeg. Het kan heel goed zijn dat het de bedoeling was van Gedaagde en Bazozowsi dat de huurovereenkomst door B zou worden overgenomen en dat bet contract op zijn naam zou komen te staan, maar dat dit ook met (beheerders van) de camping zo is afgesproken en gebeurd, is niet gesteld of gebleken. Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat Gedaagde huurder is gebleven en dus gehouden is om de huur en de lasten te betalen. De afspraak met B maakt dat niet anders. Als die afspraak ook geldt voor het seizoen 2019, dan zou Gedaagde de bedragen die hij De Camping moet betalen van B kunnen terugvorderen, maar daar staat De Camping buiten.

3.7. Omdat het verweer niet opgaat moet Gedaagde alsnog de facturen over 2019 nog betalen. De Camping vordert wettelijke rente over de hoofdsom. Dat zal worden toegewezen omdat daar geen verweer tegen gevoerd is en Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Camping warden begroot op:

- dagvaarding                                  101,05

- griffierecht                                     499,00

- salaris gemachtigde                      360.00 (2 punten x. tarief € 180,00)

Totaal                                               960,05

De beslissing

De kantonrechter:

4.1.     veroordeelt Gedaagde om aan De Camping tegen bewijs van kwijting te betalen E 2.099,02 met de wettelijke rente over 2.078.08, vanaf 5 december 2019 tot de voldoening:

4.2.     veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van De Camping, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op 960,05, waarin begrepen € 360,- aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

4.3.     veroordeelt Gedaagde, onder de voorwaarde dat Gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving door De Camping volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten. begroot op:

€ 90,- aan salaris gemachtigde; te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

4.4.       verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.       wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het opey baar uitgesproken op 24 juni 2020.